ECLI:NL:CRVB:2021:853
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op kinderbijslag bij ontbreken duurzame band met Nederland
Appellante had kinderbijslag aangevraagd voor haar kinderen over het vierde kwartaal van 2018 en het eerste kwartaal van 2019. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat appellante op de peildata niet als ingezetene van Nederland werd beschouwd, wat noodzakelijk is voor het recht op kinderbijslag volgens de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat er onvoldoende aanknopingspunten waren voor een duurzame band met Nederland. Appellante voerde aan dat zij sinds 1 oktober 2018 in loondienst werkte, haar kinderen in Nederland naar school gingen en zij sociale contacten had, maar beschikte niet over zelfstandige woonruimte en was afhankelijk van een oproepcontract en bijstandsuitkering.
De Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat het ontbreken van een duurzaam tot haar beschikking staande woonruimte en het feit dat zij pas vanaf half maart 2019 weer structureel werkte, doorslaggevend waren. Andere omstandigheden zoals haar Nederlandse nationaliteit en sociale contacten wogen onvoldoende. De Raad concludeerde dat appellante op de peildata geen ingezetene was en daarom geen recht had op kinderbijslag. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Appellante had geen recht op kinderbijslag over het vierde kwartaal 2018 en eerste kwartaal 2019 omdat zij niet als ingezetene van Nederland werd beschouwd.