AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toewijzing verzoek afkoelingsperiode ex artikel 376 Faillissementswet voor cultuur-sensitieve zorginstelling
Verzoekster, een cultuur-sensitieve zorginstelling die WMO-gefinancierde jeugd- en volwassenenzorg levert, heeft een afkoelingsperiode van twee maanden verzocht op grond van artikel 376 FaillissementswetPro. Dit verzoek volgt op een startverklaring en is bedoeld om ruimte te creëren voor het voorbereiden en aanbieden van een akkoord aan schuldeisers.
De problemen ontstonden door een ten onrechte door een gemeente afgekondigde cliënten- en betaalstop, waardoor een schuld van circa € 866.332,- is ontstaan. Verzoekster voert aan dat met een akkoord een hogere uitkering aan schuldeisers kan worden gerealiseerd dan bij faillissement, en dat de afkoelingsperiode noodzakelijk is om de onderneming tijdens de akkoordonderhandelingen voort te zetten.
De rechtbank stelt vast dat verzoekster de bevoegdheid en rechtsmacht van de Nederlandse rechter erkent en dat het verzoek het eerste is na de startverklaring. De rechtbank oordeelt dat aan de wettelijke vereisten voor afkondiging van de afkoelingsperiode is voldaan, namelijk dat het noodzakelijk is voor voortzetting van de onderneming en dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers hiermee gediend zijn zonder wezenlijke schade voor derden.
De afkoelingsperiode wordt daarom toegewezen voor de duur van twee maanden ingaande op 6 maart 2024. Gedurende deze periode kunnen schuldeisers niet zonder toestemming van de rechtbank verhaal nemen op goederen van verzoekster en worden verzoeken tot faillietverklaring of surséance van betaling geschorst.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode van twee maanden toe.
beschikking op het verzoekschrift ex artikel 376 FaillissementswetPro (Fw) met bijlagen van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster] B.V.
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
advocaat mr. B.P.J.M.L. Vliexs, kantoorhoudende te Nijmegen.
1.De procedure
1.1.
Verzoekster heeft op 24 januari 2024 een startverklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 FwPro ter griffie gedeponeerd en bij verzoekschrift van 20 februari 2024 verzocht een afkoelingsperiode als bedoeld in artikel 376 FwPro te gelasten voor een periode van twee maanden. In het verzoekschrift heeft verzoekster gesteld dat binnen twee maanden een akkoord zal worden aangeboden.
1.2.
Verzoekster heeft gekozen voor een besloten akkoordprocedure buiten faillissement.
1.3.
Het verzoek is op 1 maart 2024 in raadkamer, met gebruik van een videoverbinding, behandeld in aanwezigheid van mr. Vliexs voornoemd en [bestuurder] (enig bestuurder van verzoekster).
2.Het verzoek
2.1.
Verzoekster heeft het verzoek schriftelijk en ter zitting toegelicht en daartoe – voor zover van belang – het volgende aangevoerd.
2.2.
Verzoekster exploiteert een cultuur-sensitieve zorginstelling die met name WMO-gefinancierde jeugd- en volwassenenzorg biedt. In dit kader sluit zij (aanbestede) maatwerkcontracten met diverse gemeenten.
2.3.
De huidige problemen vinden hun oorzaak in het feit dat de gemeente [naam gemeente] – naar later bleek ten onrechte – een cliënten- en betaalstop heeft afgekondigd. Dit had tot gevolg dat er een achterstand ontstond bij het voldoen aan de betalingsverplichtingen. Inmiddels stuurt de gemeente [naam gemeente] weer cliënten door, maar verzoekster ziet zich geconfronteerd met een schuld van circa € 866.332,-.
2.4.
Verzoekster bereidt een akkoord voor en voert gesprekken met een externe financier ter financiering van het door haar aan te bieden akkoord. Het akkoord zal binnen twee maanden worden aangeboden.
2.5.
De afkoelingsperiode is noodzakelijk om de onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten. In geval van faillissement kunnen de schuldeisers een lagere uitkering op hun vorderingen verwachten dan met een akkoord. Volgens verzoekster is een afkoelingsperiode dan ook noodzakelijk en in het belang van de gezamenlijke schuldeisers.
2.6.
Verzoekster verzoekt de rechtbank een afkoelingsperiode af te kondigen voor de duur van twee maanden.
3.De beoordeling
Eerste verzoek en bevoegdheid
3.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat het onderhavige verzoek het eerste verzoek is dat verzoekster aan de rechtbank heeft voorgelegd na het deponeren van de startverklaring. Dat betekent dat de rechtbank thans dient vast te stellen welk soort akkoordprocedure als bedoeld in artikel 369 lid 6 FwPro is gekozen bij de voorbereiding van het akkoord. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of aan haar de rechtsmacht en relatieve bevoegdheid toekomen om van het verzoek kennis te nemen.
3.2.
Verzoekster heeft de keuze gemaakt voor een besloten akkoordprocedure. Het verzoek is in raadkamer behandeld.
3.3.
Verzoekster is gevestigd in Nederland en meer specifiek in [vestigingsplaats] ; zij houdt aldaar ook kantoor. Gezien het bepaalde in artikel 369 lid 7 aanhefPro en onder b Fw juncto artikel 3 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om het verzoek in behandeling te nemen. Uit artikel 262 RvPro volgt verder dat deze rechtbank bevoegd is van het verzoek kennis te nemen.
Afkoelingsperiode
3.4.
Op grond van artikel 376 FwPro kan, nadat een verklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 FwPro is gedeponeerd, door de schuldenaar het verzoek worden gedaan om een afkoelingsperiode af te kondigen. Indien het verzoek door de schuldenaar is gedaan, dient het akkoord reeds te zijn aangeboden of dient de schuldenaar toe te zeggen dat binnen ten hoogste twee maanden een akkoord zal worden aangeboden. Verzoekster heeft toegezegd dat zij binnen twee maanden een akkoord zal aanbieden. Verzoekster heeft ter zitting voldoende toegelicht welke stappen zij nog moet en kan zetten om binnen deze termijn een akkoord aan te bieden aan de schuldeisers. Verzoekster kan dan ook worden ontvangen in haar verzoek om een afkoelingsperiode.
3.5.
Op grond van artikel 376 lid 4 FwPro wordt het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode toegewezen indien aan twee vereisten wordt voldaan, namelijk indien (1) summierlijk blijkt dat dit noodzakelijk is om de door de schuldenaar gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten en (2) summierlijk blijkt dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers hierbij gediend zijn en dat de door de afkoelingsperiode getroffen derden niet wezenlijk in hun belangen worden geschaad. Naar het oordeel van de rechtbank is aan beide eisen voldaan. Het volgende is daartoe van belang.
3.6.
Bij de behandeling van het verzoek is ten eerste summierlijk gebleken dat een afkoelingsperiode noodzakelijk is om de door verzoekster gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten. Verzoekster heeft ter zitting aangevoerd dat zij van verschillende schuldeisers sommatieberichten heeft ontvangen en dat – in ieder geval in één geval – de sommatietermijn reeds verstreken is.
3.7.
Verzoekster heeft naar het oordeel van de rechtbank bovendien voldoende aannemelijk gemaakt dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers met een afkoelingsperiode zijn gediend. Verzoekster is in staat aan haar lopende verplichtingen te voldoen. Met een akkoord zal, volgens de in het kader van deze beoordeling voldoende onderbouwde stellingen van verzoekster, naar verwachting een hogere uitkering aan de schuldeisers kunnen plaatsvinden dan in geval van een faillissement. De rechtbank is van oordeel dat het belang van de gezamenlijke schuldeisers met de verzochte afkoelingsperiode is gediend.
3.8.
Het verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode van twee maanden zal worden toegewezen.
4.De beslissing
De rechtbank:
- kondigt een afkoelingsperiode af voor een periode van twee maanden, ingaande op 6 maart 2024, die inhoudt:
dat elke bevoegdheid van derden tot verhaal op goederen die tot het vermogen van
dat de behandeling van een verzoek tot verlening van surséance van betaling of een jegens verzoekster ingediend verzoek tot faillietverklaring wordt geschorst dan wel geschorst blijft;
- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Boot, voorzitter, mr. R.P. van Eerde en mr. M.D.E. Leppens, rechters en in aanwezigheid van mr. W.J. van ‘t Spijker, griffier, in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2024.