ECLI:NL:RBGEL:2024:4218

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 juli 2024
Publicatiedatum
4 juli 2024
Zaaknummer
AWB - 23_2049
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:17 AwbArt. 40b KentekenreglementArt. 40c KentekenreglementArt. 8:55c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen buiten behandeling stellen verzoek vervallenverklaring tenaamstelling kenteken

Eiser verzocht de RDW om de tenaamstelling van zijn voertuig te beëindigen omdat het voertuig defect in Duitsland was achtergelaten en hij afstand had gedaan van het voertuig. De RDW stelde het verzoek buiten behandeling omdat eiser niet de gevraagde aanvullende informatie aanleverde.

De rechtbank oordeelt dat de RDW het verzoek buiten behandeling mocht stellen vanwege het ontbreken van voldoende gegevens, maar dat zij ten onrechte geen bestuurlijke dwangsom heeft opgelegd wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser.

Eiser heeft financieel nadeel ondervonden door het nog op zijn naam geregistreerde voertuig, maar kon niet aantonen dat de tenaamstelling eerder had moeten vervallen dan de datum waarop dit uiteindelijk gebeurde. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom vast op €161 en bepaalt dat de RDW het griffierecht aan eiser moet vergoeden.

Het bestreden besluit blijft verder in stand, en de uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde gedeelte van het besluit. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard omdat de RDW ten onrechte geen bestuurlijke dwangsom heeft vastgesteld; de dwangsom wordt vastgesteld op €161 en het griffierecht wordt aan eiser vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/2049

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

en

de directie van de Dienst Wegverkeer (RDW).

(gemachtigde: [naam gemachtigde]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het buiten behandeling stellen van zijn verzoek om beëindiging van de tenaamstelling van het voertuig met kenteken [kenteken]
1.1.
Met het bestreden besluit van 10 maart 2023 op het bezwaar van eiser is de RDW bij het buiten behandeling stellen van het verzoek van eiser gebleven.
1.2.
De RDW heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de RDW.
1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen aanvullende stukken in te dienen en om aan de RDW de gelegenheid te geven hierop te reageren. Na de schorsing heeft eiser aanvullende stukken overgelegd en heeft de RDW daarop gereageerd.
1.5.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek op 23 april 2024 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de buitenbehandelingstelling van het verzoek van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat de RDW het verzoek van eiser buiten behandeling heeft mogen laten maar dat de RDW ten onrechte geen bestuurlijke dwangsom heeft vastgesteld. Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten en omstandigheden
4. Eiser was eigenaar van een [auto] met kenteken [kenteken] (het voertuig). Op dit voertuig is op 6 mei 2022 beslag gelegd. Eiser heeft op 25 juli 2022 een verzoek ingediend bij de RDW waarin hij verzoekt om de beëindiging van de tenaamstelling van het voertuig. Daaraan heeft eiser ten grondslag gelegd dat het voertuig defect in Duitsland is komen te staan, hij het voertuig daar heeft achtergelaten en dat hij afstand heeft gedaan van het voertuig. Met ingang van 28 december 2022 is het voertuig als gesloopt geregistreerd.
Wettelijk kader
5. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten een aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
5.1.
In artikel 40c, eerste lid, van het Kentekenreglement is bepaald dat degene die naar zijn mening ten onrechte als tenaamgestelde in het kentekenregister is vermeld, de RDW kan verzoeken de tenaamstelling te doen vervallen. De RDW verklaart de tenaamstelling vervallen indien naar het oordeel van de RDW voldoende gronden aanwezig zijn.
Heeft eiser nog belang bij de beoordeling van zijn beroep?
6. De rechtbank stelt voorop dat de tenaamstelling van het voertuig op naam van eiser op 28 december 2022 vervallen is verklaard. Eiser heeft echter toegelicht dat hij in de periode na zijn verzoek om vervallenverklaring van de tenaamstelling tot 28 december 2022 veel problemen heeft ondervonden en ook financieel nadeel, onder meer door meerdere boetes waarmee hij in verband met het toen nog op zijn naam gestelde voertuig is geconfronteerd. Eiser heeft daardoor nog belang bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
Heeft de RDW de aanvraag van eiser redelijkerwijs buiten behandeling mogen stellen?
7. Eiser stelt in beroep dat het verzoek om beëindiging van de tenaamstelling van het voertuig niet buiten behandeling mocht worden gelaten door de RDW. Eiser verzoekt dat de tenaamstelling van het voertuig met een andere ingangsdatum wordt gewijzigd. Hij wijst er op dat hij als gevolg daarvan financieel nadeel heeft ondervonden.
7.1
Het betoog slaagt niet. De RDW heeft in redelijkheid mogen besluiten de aanvraag van eiser buiten behandeling te stellen. De RDW heeft eiser met de brieven van 4 augustus 2022, 10 augustus 2022 en 19 augustus 2022 verzocht om aanvullende informatie over te leggen waaruit blijkt dat eiser het voertuig voorgoed in het buitenland heeft achtergelaten. Deze informatie mocht de RDW vragen. De RDW mag groot belang hechten aan de juistheid van het kentekenregister en de rechtszekerheid met betrekking tot de tenaamstelling. Dit is belangrijk, omdat gebruikers van dat register, waaronder ook particulieren, op elk moment aan de hand van de registratie moeten kunnen bepalen wie op een bepaalde datum houder was van een voertuig. [2] Gelet op het belang van een deugdelijke en betrouwbare kentekenregistratie, kon de RDW de tenaamstelling van het voertuig van eiser slechts vervallen verklaren indien blijkt dat het voertuig voorgoed buiten Nederland was gebracht, indien het voertuig was overgeschreven op naam van een ander, wanneer het voertuig was gesloopt, als eiser was opgehouden eigenaar, bezitter of houder van het voertuig te zijn, of als hij onvrijwillig het bezit of het houderschap van het voertuig had verloren. [3] Nu eiser de door de RDW gevraagde gegevens niet heeft aangeleverd, heeft de RDW in redelijkheid kunnen besluiten de aanvraag niet te behandelen.
8. Gelet op de nadelige gevolgen voor eiser heeft de rechtbank hem ondanks wat onder 7. Is overwogen, in de gelegenheid gesteld om met stukken te onderbouwen dat het kenteken eerder dan op 28 december 2022 niet meer op zijn naam had moeten staan. Eiser heeft, ook na de schorsing, echter geen stukken aangeleverd op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de tenaamstelling dient te vervallen op een eerder tijdstip. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt wel dat op 12 juli 2022 is geadviseerd het voertuig te slopen vanwege te hoge reparatiekosten, dat eiser op 1 september 2022 is geconfronteerd met bergingskosten en dat eiser op 22 september 2022 een boete heeft ontvangen. Dit onderstreept dat eiser, zoals ook op de zitting is gebleken, aanzienlijke (financiële) problemen heeft ondervonden vanwege het voertuig. Daarmee heeft eiser echter niet aangetoond dat het voertuig op een eerder gelegen datum dan 28 december 2022 ten onrechte op zijn naam was geregistreerd.
9. Eiser voert verder aan dat de RDW informatie heeft achtergehouden, verwarring en problemen heeft veroorzaakt, een totaal foutief beeld heeft gegeven van de gang van zaken, als overheidsorgaan is tekortgeschoten en dat het besluit op bezwaar te laat is genomen. De rechtbank heeft echter geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat het handelen van de RDW door iets anders zou zijn ingegeven dan het in stand houden van een juist kentekenregister.
9.1.
De RDW geeft echter wel terecht aan in het verweerschrift dat er ten onrechte geen bestuurlijke dwangsom is vastgesteld. Daarom stelt de rechtbank de hoogte vast van de bestuurlijke dwangsom die de RDW op grond van afdeling 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is verschuldigd. [4] Eiser heeft de RDW bij brief van 17 februari 2023 in gebreke gesteld. De RDW heeft op 10 maart 2023 de beslissing op het bezwaar van eiser bekendgemaakt. De rechtbank stelt de verbeurde dwangsom vast op € 161, omdat op de dag van het nemen van het besluit zeven dagen zijn verstreken na de dag als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt voor zover hem ten onrechte geen bestuurlijke dwangsom is toegekend. Deze dwangsom moet de RDW alsnog aan eiser vergoeden. De RDW hoeft geen nieuw besluit te nemen, voor het overige blijft het bestreden besluit in stand. Dit betekent dat de tenaamstelling van het voertuig niet op een eerder tijdstip dan 28 december 2022 is vervallen.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de RDW het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover ten onrechte geen bestuurlijke dwangsom is vastgesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser;
  • stelt de hoogte van de door de RDW aan eiser verschuldigde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb vast op € 161;
  • bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de RDW het door eiser betaalde griffierecht van € 184 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kloppers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1092, onder 6.
3.Dit volgt uit artikel 40b, derde en vierde lid van het Kentekenreglement.
4.Dit staat in artikel 8:55c van de Awb.