Eiser verzocht de RDW om de tenaamstelling van zijn voertuig te beëindigen omdat het voertuig defect in Duitsland was achtergelaten en hij afstand had gedaan van het voertuig. De RDW stelde het verzoek buiten behandeling omdat eiser niet de gevraagde aanvullende informatie aanleverde.
De rechtbank oordeelt dat de RDW het verzoek buiten behandeling mocht stellen vanwege het ontbreken van voldoende gegevens, maar dat zij ten onrechte geen bestuurlijke dwangsom heeft opgelegd wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser.
Eiser heeft financieel nadeel ondervonden door het nog op zijn naam geregistreerde voertuig, maar kon niet aantonen dat de tenaamstelling eerder had moeten vervallen dan de datum waarop dit uiteindelijk gebeurde. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom vast op €161 en bepaalt dat de RDW het griffierecht aan eiser moet vergoeden.
Het bestreden besluit blijft verder in stand, en de uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde gedeelte van het besluit. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.