Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.[eiser 1] ,
2.
[eiser 2],
3.
[eiser 3],
4.
[eiser 4],
5.
[eiser 5],
6.
[eiser 6],
1.[gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
3.
[gedaagde 3],
1.[gedaagde 1 in vrijwaringszaak] ,
1.De procedure in de hoofdzaak
2.De procedure in de vrijwaring
3.De verdere feiten in de hoofdzaak en de vrijwaring
Al het gelegateerde of krachtens erfstelling opkomende valt niet in enige gemeenschap van goederen waarin betrokkene ten tijde van zijn, erflaters, overlijden is gehuwd of nadien mocht huwen, zulks noch voor wat betreft de zaken en rechten zelve, noch voor wat betreft de daaruit opkomende vruchten.”.
Ik bepaal dat hetgeen krachtens erfrecht uit mijn nalatenschap wordt verkregen en hetgeen daarvoor door belegging of wederbelegging in de plaats mocht treden, alsmede de vruchten van een en ander, niet vallen in enige huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap en evenmin kunnen worden betrokken in een bij huwelijksvoorwaarden overeengekomen deelgenootschap of verrekenbeding of een bij samenlevingscontract overeengekomen verrekenbeding.”.
4.Het geschil in de hoofdzaak
5.Het geschil in de vrijwaringszaak
6.De beoordeling in de hoofdzaak
[gedaagde 1] had behoren te worden ingelicht”. Door wie [gedaagde 1] had behoren te worden ingelicht (door [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en/of [gedaagden] ) is niet gesteld. De rechtbank zal deze feitelijke grondslag begrijpen als een beroep op artikel 6:228 lid 1 sub b BW Pro.