De zaak betreft een vordering van de verhuurder tot ontruiming van een woning die wordt gehuurd door een huurder die sinds mei 2023 in detentie verblijft. De verhuurder stelt dat de huurder tekortschiet in zijn verplichting om de woning als hoofdverblijf te gebruiken en vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming.
De huurder en zijn bewindvoerder voeren verweer dat de detentie mogelijk van korte duur is vanwege een lopend hoger beroep en dat de huurder zich als goed huurder gedraagt door huur te betalen en geen overlast te veroorzaken. Ook wordt aangevoerd dat ontruiming tot dakloosheid en ernstige stress zal leiden.
De kantonrechter overweegt dat ontruiming een ingrijpende maatregel is die terughoudend moet worden toegepast, zeker in kort geding. Gezien de omstandigheden, waaronder het lopende hoger beroep, de mogelijkheid van vrijlating en het woonbelang van de huurder, wordt de vordering afgewezen. De verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten.