Uitspraak
[gedaagde]
Rechtbank Gelderland
De werkneemster, werkzaam als recruiter sinds mei 2021, werd op 16 april 2024 op staande voet ontslagen wegens het laten werken van een medewerker zonder geldige werkvergunning en arbeidsovereenkomst. De werkneemster erkende de fout, maar stelde dat het ontslag te zwaar was en niet onverwijld is gegeven, zonder hoor en wederhoor.
De kantonrechter stelde vast dat er geen dringende reden was voor het ontslag op staande voet. De werkneemster had een schrijnende privésituatie, waardoor een fout voorstelbaar was. Er was geen bewijs van opzet of kwade intentie. Het ontslag hield in een bodemprocedure vermoedelijk geen stand.
De werkgever moest daarom het loon vanaf 1 april 2024 doorbetalen, rekening houdend met de ziekmelding vanaf 9 april 2024 en de wettelijke regels omtrent loondoorbetaling bij ziekte. Tevens werd de wettelijke verhoging en rente toegewezen. De proceskosten werden aan de werkgever opgelegd.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt nietig verklaard en de werkgever wordt veroordeeld tot loonbetaling vanaf 1 april 2024.