De rechtbank Gelderland heeft op 23 oktober 2024 uitspraak gedaan in een zaak tegen verdachte, geboren in 1966, wegens medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 450 hennepplanten. Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 120 uur. Daarnaast is verdachte veroordeeld tot betaling van €14.400 aan wederrechtelijk verkregen voordeel, gebaseerd op huurinkomsten van de bovenverdieping waar de hennepteelt plaatsvond.
De officier van justitie had aanvankelijk een hoger bedrag gevorderd, maar dit werd bijgesteld naar €252.778,30, exclusief het bedrag dat verband hield met diefstal van elektriciteit. De rechtbank sprak verdachte vrij van diefstal van elektriciteit wegens onvoldoende bewijs. De rechtbank oordeelde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel niet volledig kon worden vastgesteld op basis van de opbrengst van de hennepkwekerij, mede gezien de armoedige omstandigheden van verdachte en het ontbreken van een duidelijke vermogensvergelijking.
De rechtbank baseerde de ontnemingsmaatregel op de verklaring van verdachte dat zij de bovenverdieping een jaar geleden verhuurde voor €1.200 per maand. Gelet op verklaringen van getuigen en politie is aangenomen dat de hennepgeur al langere tijd aanwezig was. De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €14.400, zijnde 12 maanden huurinkomsten. Verdachte is verplicht dit bedrag aan de staat te betalen.
De beslissing is genomen op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank bepaalde tevens dat de duur van de gijzeling die de officier van justitie kan vorderen op maximaal 288 dagen wordt gesteld.