Eiseres, eigenaresse van een recreatiepark met 45 recreatiewoningen, werd geconfronteerd met een last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn wegens permanente bewoning van deze woningen door arbeidsmigranten, in strijd met het bestemmingsplan. De last onder dwangsom van € 800.000 werd opgelegd om deze overtreding te beëindigen.
Eiseres voerde aan dat het gebruik van de woningen viel onder het gebruiksovergangsrecht en dat het opleggen van de last onder dwangsom onevenredig was vanwege de exploitatieproblemen van het recreatiepark. De rechtbank oordeelde dat het gebruiksovergangsrecht niet kon worden toegepast op alle woningen, omdat tien woningen na de peildatum van 19 maart 2003 waren gebouwd en de huurovereenkomst geen bewijs leverde van permanente bewoning op de peildatum. De verklaringen van betrokkenen waren onvoldoende concreet.
De rechtbank wees het beroep af en oordeelde dat het college bevoegd was om handhavend op te treden. Ook was het opleggen van de last onder dwangsom niet onevenredig, ondanks de financiële gevolgen voor eiseres. De rechtbank benadrukte dat het aan eiseres is om de woningen conform bestemming te exploiteren en dat eventuele wijzigingen in het bestemmingsplan via andere procedures kunnen worden aangevochten.
Het beroep werd ongegrond verklaard, de last onder dwangsom bleef in stand en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.