ECLI:NL:RVS:2018:2841
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhavingsbesluit tegen permanente bewoning recreatiewoning te Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde aan appellant een last onder dwangsom op om het bestemmingsplan strijdig gebruik van een recreatiewoning voor permanente bewoning te staken. Appellant voerde aan dat hij sinds 1988 permanent op het perceel woont en dat het gebruiksovergangsrecht bescherming biedt tegen handhaving. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond en het hoger beroep werd door de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigd.
De Afdeling overwoog dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de permanente bewoning reeds bestond op de peildatum 11 januari 2000, omdat hij toen niet op het adres stond ingeschreven en de overgelegde stukken onvoldoende bewijs leveren. De verklaring van zijn ouders werd als onvoldoende objectief beoordeeld. Het college was daarom bevoegd om handhavend op te treden.
Verder oordeelde de Afdeling dat er geen sprake is van concreet zicht op legalisatie en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat de situatie van appellant niet vergelijkbaar is met percelen die een woonbestemming hebben. De begunstigingstermijn van twaalf maanden werd als niet onredelijk beschouwd, mede gezien de lange periode waarin appellant op de hoogte was van de handhaving.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarbij het handhavingsbesluit tegen permanente bewoning van de recreatiewoning wordt gehandhaafd.