Art. 369 FwArt. 370 lid 1 FwArt. 370 lid 3 FwArt. 376 FwArt. 3 Rv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afkondiging afkoelingsperiode in besloten WHOA-akkoordprocedure commanditaire vennootschap
De commanditaire vennootschap, opgericht in 2019 en actief in de horeca, heeft door COVID-19 en stijgende kosten financiële problemen gekregen en schulden opgebouwd. Zij heeft een akkoord aangeboden waarbij 20% van de openstaande vorderingen wordt betaald, gefinancierd met externe middelen van €80.000,-. De Belastingdienst is de enige schuldeiser met een vordering die gedeeltelijk zou kunnen worden voldaan bij faillissement, en haar instemming is vereist voor homologatie.
De rechtbank heeft het verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode ex artikel 376 FaillissementswetPro behandeld en vastgesteld dat de vennootschap verkeert in de toestand bedoeld in artikel 370 lid 1 FwPro. De afkoelingsperiode is noodzakelijk om de onderneming voort te zetten tijdens de onderhandelingen en om te voorkomen dat schuldeisers hun verhaal uitoefenen, wat het akkoord zou kunnen frustreren.
De belangen van de gezamenlijke schuldeisers worden gediend omdat het akkoord een beter resultaat biedt dan faillissement, waarbij concurrente schuldeisers waarschijnlijk niets ontvangen. De rechtbank acht aannemelijk dat derden niet wezenlijk in hun belangen worden geschaad, mede omdat er geen zekerheidsrechten zijn en de vennootschap op korte termijn aan haar verplichtingen kan voldoen.
Vanwege enige twijfel over de liquiditeitsprognose is een afkoelingsperiode van twee maanden gelast, met de mogelijkheid tot verlenging. Verzoekster dient de rechtbank direct te informeren zodra de Belastingdienst een definitieve beslissing over het akkoordvoorstel heeft genomen.
Uitkomst: Afkoelingsperiode van twee maanden afgekondigd om voortzetting onderneming en akkoordonderhandelingen mogelijk te maken.
Uitspraak
beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Team Insolventies – meervoudige kamer
Afkondigen afkoelingsperiode ex artikel 376 FaillissementswetPro (hierna: Fw)
zaak/rekestnummer: C/05/434488 / HO RK 24/349
uitspraakdatum: 26 april 2024
beschikking op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 376 FwPro) van:
de commanditaire vennootschap [verzoekster] C.V.,
hierna te noemen: verzoekster,
advocaten: mr. M.J.W. Van Ingen en mr. IJ.A. Reinke, kantoorhoudende te ‘s-Hertogenbosch.
1.De procedure
1.1
Verzoekster heeft op 3 oktober 2023 een startverklaring ex artikel 370 lid 3 FwPro ter griffie gedeponeerd. Verzoekster heeft gekozen voor een besloten akkoordprocedure buiten faillissement.
1.2
Op 12 april 2023 heeft verzoekster ter griffie een verzoekschrift ingediend tot het afkondigen van een afkoelingsperiode ex artikel 376 FwPro voor een periode van vier maanden.
1.3
Bij e-mailbericht van 16 april 2024 van mr. IJ.A. Reinke heeft verzoekster een liquiditeitsprognose aan de rechtbank doen toekomen.
1.4
Het verzoek is op 18 april 2024 in raadkamer, middels een videoverbinding, behandeld in aanwezigheid van [vennoot 1] en [vennoot 2] (hierna ook: ‘de beherend vennoten’), bijgestaan door mr. M.J.W. Van Ingen en mr. IJ.A. Reinke, voornoemd.
1.5
Ter terechtzitting is het verzoek nader toegelicht.
2.Het verzoek
2.1
Ter onderbouwing van het verzoek heeft verzoekster, verkort en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.
2.2
Verzoekster is opgericht in 2019 door de beherend vennoten en richt zich op het uitbaten van een restaurant en verhuren van suites. Een tiental commanditaire vennoten heeft bij de oprichting van de commanditaire vennootschap kapitaal ingebracht van in totaal €50.000,-.
2.3
In verband met de sluiting/beperkte opening van horecagelegenheden tijdens de Covid pandemie heeft verzoekster schulden opgebouwd als gevolg van omzetdaling, hogere grondstofprijzen en lonen, alsmede geïndexeerde huurverplichtingen die de marge onder druk hebben gezet. Zonder sanering van de schulden ligt een faillissement in lijn der verwachting.
2.4
Op 31 oktober 2023 heeft verzoekster haar schuldeisers een akkoord aangeboden. Het aanbod houdt in dat verzoekster 20% van de totaal op 3 oktober 2023 openstaande vorderingen betaalt tegen finale kwijting van overige vorderingsrechten. Vervolgens is de Belastingdienst op grond van hetzelfde percentage bij het akkoord betrokken. Ter financiering van het akkoord heeft verzoekster financiers bereid gevonden om, onder voorbehoud van homologatie, een externe financiering te verschaffen van in totaal €80.000,-.
2.5
Het verzoek tot homologatie van het akkoord ligt op dit moment gereed in afwachting van de reactie van de Belastingdienst. De instemming van de Belastingdienst is vereist nu de Belastingdienst de enige schuldeiser is met een vordering die bij de vereffening in geval van faillissement gedeeltelijk zou kunnen worden voldaan. De schuldeisers zijn van de gang van zaken schriftelijk op de hoogte gebracht.
2.6
De afkoelingsperiode is noodzakelijk om de onderneming te kunnen voortzetten in afwachting van de reactie van de Belastingdienst. Op 3 april 2024 heeft de kantonrechter van de Rechtbank Gelderland een eindvonnis gewezen en hierbij verzoekster en de beherend vennoten hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €17.611,53 in hoofdsom.
2.7
De afkoelingsperiode is in het belang van de gezamenlijke crediteuren. In geval van faillissement valt er – conform de rangorde in faillissement – voor een aanzienlijk deel van de schuldeisers geen uitkering te verwachten. In het akkoord is voor alle crediteuren een uitdeling in geld voorzien. Derden worden door een afkoelingsperiode niet wezenlijk in hun belangen geschaad aangezien er geen schuldeisers met een zekerheidsrecht zijn en vermogensbestanddelen vatbaar voor beslag niet zullen afnemen. In de kern is verzoekster levensvatbaar. De schulden van verzoekster zullen naar verwachting, gedurende een afkoelingsperiode niet groter worden dan het beschikbare actief.
3.De beoordeling
Rechtsmacht, bevoegdheid en procedure
3.1
Het onderhavige verzoek is een verzoek op basis van de tweede afdeling van titel IV
van de Faillissementswet (homologatie van een onderhands akkoord, artikel 369 e.v.
Fw.). Het verzoek ziet op het afkondigen van een (eerste) afkoelingsperiode.
3.2
Verzoekster heeft de keuze gemaakt voor een besloten akkoordprocedure. Aangezien verzoekster de keuze heeft gemaakt voor een besloten akkoordprocedure is dit verzoek in raadkamer behandeld. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om derden in de gelegenheid te stellen hun zienswijze te geven op het verzoek.
3.3
Verzoekster is statutair gevestigd te [vestigingsplaats] . Gezien het bepaalde in artikel 369 lid 7 aanhefPro en onder b Fw juncto artikel 3 WetboekPro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om dit verzoek in behandeling te nemen. Uit artikel 369 lid 8 FwPro, artikel 262 onderPro a Rv en artikel 1:10 lid 2 BurgerlijkPro Wetboek volgt dat de rechtbank Gelderland relatief bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
3.4
De beslotenheid van de akkoordprocedure en de bevoegdheid van de rechtbank
liggen hiermee voor de verdere akkoordprocedure vast.
Startverklaring en afkoelingsperiode
3.5
Verzoekster heeft op 3 oktober 2023 een verklaring ex artikel 370 lid 3 FwPro ter griffie gedeponeerd. Zij heeft bij het verzoek om een afkoelingsperiode aangegeven dat reeds een akkoord als bedoeld in artikel 370 lid 1 FwPro aan de schuldeisers is aangeboden. Verzoekster heeft bovendien aannemelijk gemaakt dat zij verkeert in de in artikel 370 lid 1 FwPro bedoelde toestand. Verzoekster kan dan ook worden ontvangen in haar verzoek om een afkoelingsperiode af te kondigen.
3.6
Op grond van artikel 376 lid 4 FwPro wordt het verzoek tot het afkondigen van een
afkoelingsperiode toegewezen indien aan twee vereisten wordt voldaan, namelijk
indien summierlijk blijkt dat (1) dit noodzakelijk is om de door de schuldenaar gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten, (2) de belangen van de gezamenlijke schuldeisers hierbij gediend zijn en (3) dat de door de afkoelingsperiode getroffen derden niet wezenlijk in hun belangen worden geschaad.
Noodzaak afkoelingsperiode en belangen schuldeisers
3.7
Het is de rechtbank summierlijk gebleken dat een afkoelingsperiode noodzakelijk is
om de door verzoekster gedreven onderneming tijdens de onderhandelingen over het aangeboden akkoord te kunnen blijven voortzetten. Op 3 april 2024 is door de kantonrechter van de rechtbank Gelderland tegen verzoekster (en de beherend vennoten) een veroordelend vonnis gewezen, waarbij zij zijn veroordeeld tot betaling van €17.611,53 in hoofdsom. Uitoefening van eventuele verhaalsmogelijkheden door crediteuren kunnen de inspanningen ten behoeve van het bereiken van een akkoord met de schuldeisers doorkruisen. Aan voormelde voorwaarde is derhalve voldaan.
3.8
Ook is summierlijk gebleken dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de belangen van de gezamenlijke crediteuren van verzoeksters bij een afkoelingsperiode zijn gediend. Voor dit moment is voldoende aannemelijk dat het akkoordvoorstel tot een beter resultaat voor de schuldeisers leidt dan het alternatief van een faillissement. In het geval van een faillissement zullen de concurrente schuldeisers naar verwachting geen uitkering ontvangen, terwijl zij in het kader van een akkoord – door middel van een (onder voorbehoud van homologatie van het akkoord) aan verzoekster verstrekte externe financiering – een betaling van 20% van hun vordering tegemoet kunnen zien.
3.9
Op grond van de overlegde liquiditeitsprognose, de ter zitting door verzoekster gegeven toelichting hierop en het actuele positieve banksaldo dat, zoals ter zitting verduidelijkt, op dat moment circa € 5.000,- bedroeg, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat verzoekster in ieder geval in staat is op korte termijn haar lopende verplichtingen te blijven voldoen zodat ook derden niet in hun belangen worden geschaad. Wel bestaat ten aanzien van de betrouwbaarheid van de liquiditeitsprognose bij de rechtbank enige twijfel nu ter zitting bleek dat de prognose van de liquiditeit over de maand april te positief was, ofschoon per saldo nog wel een positief saldo werd behaald. Om deze reden ziet de rechtbank aanleiding om vooralsnog een afkoelingsperiode van 2 maanden te gelasten.
Eventueel verlengingsverzoek
3.1
De rechtbank wijst erop dat bij een eventueel verzoek tot verlenging van de te verlenen afkoelingsperiode onder andere aandacht dient te worden besteed aan de levensvatbaarheid en aan de vraag in hoeverre zij aan haar lopende verplichtingen kan voldoen door middel van onder andere een liquiditeitsprognose per week en overzicht van het (positief) banksaldo. Verzoeker zal alsdan ook inzicht moeten geven in de daadwerkelijke gerealiseerde liquiditeit vanaf de maand april 2024.
Belastingdienst
3.11
Verzoekster heeft ter zitting toegelicht dat de definitieve beslissing (beschikking) van de Belastingdienst op het akkoordvoorstel van verzoekster naar verwachting binnen twee weken (na 19 april 2024) door verzoekster zal worden ontvangen. De rechtbank draagt verzoekster op om de rechtbank onmiddellijk te informeren zodra een definitieve beslissing van de Belastingdienst op het akkoordvoorstel is ontvangen.
4.De beslissing
De rechtbank:
- kondigt per heden een afkoelingsperiode af als bedoeld in artikel 376 FwPro voor de duur van twee maanden die inhoudt:
- dat elke bevoegdheid van derden tot verhaal op goederen die tot het vermogen van verzoekster behoren of tot opeising van goederen die zich in de macht van verzoekster bevinden, gedurende deze periode niet kan worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechtbank, mits die derden geïnformeerd zijn over de afkondiging van de afkoelingsperiode of op de hoogte zijn van het feit dat een akkoord wordt aangeboden;
- dat de behandeling van een verzoek tot verlening van een surséance van betaling, een eigen aangifte of een door een schuldeiser jegens verzoekster ingediend verzoek tot faillietverklaring, wordt geschorst.
bepaalt dat verzoekster de rechtbank onmiddellijk dient te informeren zodra de definitieve beslissing van de Belastingdienst op het akkoordvoorstel van verzoekster is ontvangen;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Boot, voorzitter, mr. M.P. de Valk en mr. J. Schreurs-van de Langemheen, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2024.