Werknemer was sinds 1 augustus 2018 in dienst als projectleider en sinds oktober 2020 arbeidsongeschikt. Werkgever vroeg op 12 december 2023 ontslag aan bij UWV wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, met toestemming verleend op 11 januari 2024. Op 26 januari 2024 werd werknemer schriftelijk ontslagen zonder inachtneming van de geldende opzegtermijn van vier maanden.
Werknemer vorderde betaling van de wettelijke transitievergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, niet-genoten vakantiedagen, incassokosten en wettelijke rente. Werkgever betwistte de aanspraken en voerde onder meer aan dat geen schade was geleden en dat het loon moest worden berekend op het feitelijk laatstverdiende loon (70%).
De kantonrechter oordeelde dat de opzegtermijn van vier maanden niet was gerespecteerd en dat werknemer recht heeft op de gefixeerde schadevergoeding berekend op het bedongen loon inclusief vakantiebijslag en eindejaarsuitkering. De wettelijke rente over de bedragen vanaf de dag van beëindiging werd toegewezen. De wettelijke verhoging over de vakantiedagen werd gematigd tot 10%. Incassokosten werden deels toegewezen en de werkgever werd veroordeeld tot betaling van proceskosten. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.