ECLI:NL:RBGEL:2025:10111

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
ARN 24/9217
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongeldigverklaring rijbewijs door CBR onterecht; gebrek aan zorgvuldig onderzoek

In deze uitspraak van de Rechtbank Gelderland, gedateerd 26 november 2025, wordt het beroep van eiseres tegen de ongeldigverklaring van haar rijbewijs door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) behandeld. Eiseres is het niet eens met het besluit van het CBR, dat haar rijbewijs ongeldig verklaarde op basis van een onderzoeksrapport van 30 augustus 2024. De rechtbank oordeelt dat het CBR dit besluit niet had mogen nemen zonder nader onderzoek. Eiseres voert aan dat het CBR ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij misbruik maakt van benzodiazepines, terwijl zij deze medicatie op therapeutische basis gebruikt. De rechtbank stelt vast dat het CBR onvoldoende rekening heeft gehouden met aanvullende informatie van eiseres, waaronder rapportages van haar huisarts en IrisZorg, die bevestigen dat er geen sprake is van middelenmisbruik. De rechtbank vernietigt het besluit van het CBR en draagt hen op om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens moet het CBR het griffierecht en proceskosten vergoeden aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/9217

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. B. Tijsterman),
en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR

(gemachtigde: drs. I. Metaal).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het CBR om het rijbewijs van eiseres ongeldig te verklaren. Eiseres is het niet eens met dit besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van het CBR.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR het rijbewijs van eiseres ten onrechte op basis van het onderzoeksrapport van 30 augustus 2024 ongeldig heeft verklaard. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 20 september 2024 heeft het CBR het rijbewijs van eiseres ongeldig verklaard. Met het bestreden besluit van 13 november 2024 op het bezwaar van eiseres is het CBR bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Op 3 juni 2025 heeft het CBR het bestreden besluit herroepen en het bezwaar van eiseres gegrond verklaard.
2.3.
Eiseres heeft haar beroep gehandhaafd en aanvullende gronden ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen
:de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het CBR.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 28 oktober 2023 heeft het CBR van de Politie Eenheid Oost-Nederland een mededeling als bedoeld in artikel 130 lid van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) ontvangen. Daarin staat dat het vermoeden bestaat dat eiseres niet langer rijgeschikt is. Het CBR heeft vervolgens aan eiseres een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd en het rijbewijs van eiseres tot de uitslag van het onderzoek geschorst, omdat het CBR eraan twijfelt of eiseres geestelijk en lichamelijk wel in staat is om te rijden.
3.1.
Bij besluit van 20 september 2024 heeft het CBR het rijbewijs van eiseres ongeldig verklaard, omdat uit het opgelegde medisch onderzoek is gebleken dat eiseres niet geschikt is om deel te nemen aan het verkeer. Met het bestreden besluit van 13 november 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
3.2.
Bij besluit van 3 juni 2025 heeft het CBR het bestreden besluit herroepen en het bezwaar gegrond verklaard. Het CBR had ten onrechte de door de deskundige getrokken conclusie dat er sprake is van misbruik van benzodiazepines aan de hand van de labuitslagen waarbij een verhoogde waarde benzodiazepine in de urine van eiseres is aangetroffen, overgenomen. Deze verhoogde waarde kan namelijk het gevolg zijn van het voorgeschreven gebruik van midazolam. Het CBR heeft vervolgens het medicijngebruik van eiseres beoordeeld en komt tot de conclusie dat op basis daarvan sprake is van misbruik van benzodiazepines en dat vanaf 17 april 2024 een nieuwe recidiefvrije periode kan zijn ingegaan.
3.3.
Eiseres heeft haar beroep gehandhaafd omdat zij van mening is dat ten onrechte de conclusie is getrokken dat zij misbruik maakt van drugs of medicijnen.
Toetsingskader
4. Als het CBR een mededeling van de korpschef of een ander bevoegd persoon ontvangt dat iemand vermoedelijk niet langer beschikt over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid om een voertuig te besturen, dan kan het CBR besluiten tot het opleggen van een onderzoek naar de rijvaardigheid of rijgeschiktheid. [1]
4.1.
In paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 is, voor zover van belang, bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen zoals alcohol of drugs een specialistisch rapport vereist is. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.
4.2.
Als het onderzoek daartoe aanleiding geeft, wordt het rijbewijs ongeldig verklaard. [2]
Heeft het CBR de conclusie kunnen trekken dat er bij eiseres sprake is van misbruik van psychoactieve middelen?
5. Eiseres betoogt dat het CBR ten onrechte de conclusie heeft getrokken dat eiseres misbruik maakt van midazolam. Zij gebruikte ten tijde van het bestreden besluit midazolam namelijk op therapeutische basis. Op het therapeutische gebruik zijn de paragrafen 10.1 tot en met 10.4 van de Regeling van toepassing en niet paragraaf 10.5. Het CBR kon zich niet baseren op het advies van de keurende arts. De interpretatie van de urine uitslagen was onjuist. Het CBR kan niet zelf beslissen dat alsnog sprake is van misbruik. Bovendien is de informatie van de huisarts en van IrisZorg waaruit is af te leiden dat er geen sprake is van misbruik niet betrokken bij de beoordeling. IrisZorg heeft namelijk bevestigd dat het misbruik sinds 2023 in remissie is en de huisarts heeft bij onverwachte screenings in het afgelopen jaar geen middelenmisbruik geconstateerd. Door het therapeutische gebruik van midazolam is er geen sprake van misbruik en ook niet van een recidiefvrije periode en moet zij bij de nieuwe procedure om een gezondheidsverklaring te krijgen ten onrechte herhaalde keuringen ondergaan.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt. Volgens vaste rechtspraak [3] mag het CBR afgaan op een psychiatrisch rapport dat aan hem is uitgebracht, nadat het is nagegaan of dit rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als de belanghebbende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het rapport, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het CBR niet zonder nadere motivering op het rapport afgaan. Zo nodig vraagt het CBR de adviseur een reactie op wat de belanghebbende over het advies heeft aangevoerd.
5.2.
De artsen hebben in hun rapportage van 30 augustus 2024 geconcludeerd dat er aanwijzingen zijn dat eiseres misbruik maakt van benzodiazepine. Dat is gebaseerd op laboratoriumonderzoek waarbij een verhoogde waarde benzodiazepine is aangetroffen. Eiseres heeft vervolgens informatie overgelegd waaruit blijkt dat deze verhoogde waarde kan samenhangen met het voorgeschreven gebruik van midazolam. Het CBR heeft deze conclusie overgenomen, maar geconcludeerd dat er andere aanwijzingen zijn die voldoende grondslag zijn voor de conclusie dat er sprake is van benzodiazepine misbruik. Naar het oordeel van de rechtbank had het CBR deze aanvullende informatie van eiseres aan een keurend arts voor moeten leggen en diegene laten beoordelen of deze informatie tot een andere conclusie van het onderzoek leidt. Overigens heeft eiseres nog meer argumenten naar voren gebracht tegen de conclusie dat sprake is van misbruik, zoals de informatie vanuit de huisarts en IrisZorg. Ook daarbij had het voor de hand gelegen dat het CBR hierover een reactie vroeg van de keurend arts. Het CBR mocht het onderzoeksrapport van 30 augustus 2024 dan ook niet zonder deze nadere reactie aan het ongeldig verklaren van het rijbewijs van eiseres ten grondslag leggen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het CBR het rijbewijs van eiseres ten onrechte op basis van het onderzoeksrapport van 30 augustus 2024 ongeldig heeft verklaard. De rechtbank vernietigt het besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat nader onderzoek uitgevoerd zal moeten worden. Het CBR moet binnen acht weken opnieuw op het bezwaar van eiseres beslissen. [4]
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het CBR het griffierecht aan eiseres vergoeden. Ook moet het CBR een proceskostenvergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

BeslissingDe rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het besluit van 13 november 2024;- draagt het CBR op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;- bepaalt dat het CBR het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;- veroordeelt het CBR tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Ebbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 131, eerste lid, van de Wvw 1994.
2.Artikel 134, tweede lid, van de Wvw 1994.
3.Zie onder meer ABRvS 10 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2799).
4.Artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).