Beoordeling door de rechtbank
21. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen IB/PVV en Zvw 2020 niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
22. De rechtbank is van oordeel dat de aanslagen IB/PVV en Zvw 2020 niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is het beroep ontvankelijk?
23. De termijn voor het indienen van een beroep bedraagt zes weken.Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van bekendmaking.Een beroep is tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
24. De dagtekening van de uitspraak op bezwaar is 19 januari 2024. De beroepstermijn eindigde op vrijdag 1 maart 2024. Het beroep is op de belastingrechtgriffie ontvangen op maandag 4 maart 2024, zo volgt uit het ontvangststempel, maar de rechtbank sluit niet uit dat het op 1 maart 2024 in de brievenbus van de rechtbank is ontvangen. Op het beroepschrift is door gemachtigde met de hand geschreven: ‘
Persoonlijk afgeleverd 1/3-2024 brievenbus rechtbank. Producties volgen nog.’ gevolgd door de handtekening van gemachtigde. De rechtbank zal daarom uitgaan van ontvangst op 1 maart 2024 en acht het beroep ontvankelijk.
Mag de inspecteur de stukken uit het strafrechtelijk onderzoek gebruiken?
25. Belanghebbende stelt dat de stukken uit het strafrechtelijk onderzoek van de FIOD onrechtmatig zijn verkregen en dat de inspecteur dus niet bevoegd is dit materiaal te gebruiken. Bovendien zijn de stukken niet door een rechter gewogen.
26. De rechtbank leidt uit de bijlagen 59 en 60 bij het verweerschrift af dat een verzoek is gedaan op grond van artikel 55 van de AWR tot verkrijging van de dossiers van de FIOD. Naar aanleiding van dat verzoek zijn de dossiers aan de inspecteur ter beschikking gesteld. Er is dus geen sprake van onrechtmatig verkregen dossiers. Dat de verklaringen in het FIOD dossier niet door een (straf)rechter gewogen zijn, staat er niet aan in de weg om door de inspecteur te worden gebruikt. Het staat ook de belastingrechter vrij om de verklaringen te betrekken in zijn oordeel.
Moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard?
27. Belanghebbende heeft wel aangifte gedaan. Daarom kan alleen worden gezegd dat de vereiste aangifteniet is gedaan en dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, als de volgens de aangifte verschuldigde belasting als gevolg van een of meer gebreken absoluut en relatief aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en de belastingplichtige zich ten tijde van het doen van aangifte daarvan bewust was of zich bewust moest zijn.Dat hiervan sprake is, moet aan de hand van de normale regels van de bewijslast worden vastgesteld. Dat betekent dat de inspecteur aannemelijk moet maken dat een absoluut en relatief aanzienlijk bedrag aan belasting niet is betaald én dat belanghebbende zich daarvan ten tijde van het doen van de aangifte bewust was of zich bewust moest zijn.
28. Belanghebbende heeft op de zitting erkend dat hij in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 geen bijtelling voor het privégebruik van de auto heeft aangegeven terwijl dit wel had gemoeten. Op dat punt is er dus sprake van een gebrek in de aangifte. Niet in geschil is dat de cataloguswaarde van de auto € 89.353 bedraagt. Het in aanmerking te nemen percentage is naar het oordeel van de rechtbank 22%, wat betekent dat de bijtelling € 19.657 moet zijn. De stelling van belanghebbende dat sprake is van een zogenaamde ‘youngtimer’ slaagt niet, omdat de auto in 2020 niet meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen.
29. Nu belanghebbende een bedrag van € 19.657 aan inkomen niet heeft aangegeven is de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief aanzienlijk lager dan de werkelijk verschuldigde belasting. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende wist dat hij bijtelling voor het privégebruik van de auto had moeten aangeven. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking de professionele achtergrond van belanghebbende. Dit brengt mee dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.
Zijn de aanslagen IB/PVV en Zvw niet te hoog?
30. Dat de bewijslast is omgekeerd en verzwaard geeft de inspecteur niet de bevoegdheid de aanslag naar willekeur vast te stellen. Deze moet gebaseerd zijn op een redelijke schatting. Wanneer de inspecteur de aanslag op een redelijke schatting baseert, ligt het vervolgens op de weg van belanghebbende, voor zover hij de juistheid van die schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren.
31. De inspecteur heeft het inkomen uit werk en woning geschat op € 63.931. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd een gebruikelijk loon van € 46.000 en een bedrag van € 25.000 vanwege onverklaarde bankstortingen. De rechtbank zal de redelijkheid van deze schatting beoordelen en overweegt in dat kader als volgt.
32. Op grond van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) moet ingeval een aanmerkelijk belanghouder werkzaamheden verricht voor de vennootschap een gebruikelijk loon in aanmerking worden genomen. Vast staat dat belanghebbende in 2020 werkzaamheden voor [naam bedrijf 1] heeft verricht, waarvoor hij ook loon heeft ontvangen, en dat hij een aanmerkelijk belang heeft in deze vennootschap. Dit betekent dat ten minste een loon van € 46.000in aanmerking moet worden genomen. Het is aan belanghebbende om bewijs te leveren - in dit geval overtuigend aantonen - dat moet worden uitgegaan van een lager gebruikelijk loon.Belanghebbende slaagt hier niet in. Hij stelt wel dat er geen financiële ruimte was om een hoger loon dan € 12.000 toe te kennen, maar - nog daargelaten de vraag of dat aanleiding zou zijn voor een lager gebruikelijk loon - blijkt daarvan niets uit de stukken.
33. De inspecteur heeft de correctie van € 25.000 in eerste instantie onderbouwd met verwijzing naar contante stortingen van € 16.451 en € 3.800. In het verweerschrift heeft de inspecteur een nadere berekening gegeven die een correctie van € 59.398 onderbouwt. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur een redelijke schatting heeft gemaakt. Als alleen de contante stortingen van € 16.451 en € 3.800 en het voordeel privé gebruik auto (€ 19.657) bij elkaar worden opgeteld komt dat al ver boven de € 25.000 uit. De schatting van de inspecteur lijkt dus eerder te laag. Belanghebbende stelt dat de storting van € 16.451 geen echte storting is geweest, maar alleen een boekhoudkundige transactie. Dat is echter geen verklaring voor de herkomst van het geld dat kennelijk wel is uitgegeven terwijl het niet in de kas aanwezig was of op de bankrekening stond. Met betrekking tot de storting van € 3.800 heeft belanghebbende gesteld dat dit relatie zal houden tot huishoudelijke uitgaven voor zijn toenmalig schoonmoeder. Belanghebbende heeft deze stelling niet onderbouwd.
34. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de schatting van de inspecteur redelijk is. Belanghebbende heeft geen tegenbewijs geleverd, laat staan overtuigend aangetoond dat de schatting onjuist is en dat de aanslagen IB/PVV en Zvw 2020 te hoog zijn.
35. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.