ECLI:NL:RBGEL:2025:10168

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
AWB 24/5355 en 24/5433
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belanghebbende tegen de inspecteur van de belastingdienst inzake aanslagen IB/PVV en Zvw 2020 met betrekking tot gebruikelijk loon en onverklaarde bankstortingen

In deze uitspraak van de Rechtbank Gelderland, gedateerd 26 november 2025, worden de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van de belastingdienst behandeld. Belanghebbende, die in 2020 100% aandeelhouder en bestuurder was van meerdere vennootschappen, had in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor 2020 een belastbaar inkomen van slechts € 12.000 opgegeven. De inspecteur corrigeerde dit inkomen met € 34.000 op basis van het gebruikelijk loon en voegde daar nog eens € 25.000 aan toe vanwege onverklaarde bankstortingen. Tijdens de zitting erkende belanghebbende dat hij geen bijtelling voor privégebruik van een auto had aangegeven, wat wel verplicht was. De rechtbank oordeelde dat de bewijslast omgekeerd en verzwaard moest worden, omdat belanghebbende niet had aangetoond dat de schatting van de inspecteur onjuist was. De rechtbank concludeerde dat de aanslagen IB/PVV en Zvw 2020 niet te hoog waren en dat belanghebbende geen tegenbewijs had geleverd tegen de schatting van de inspecteur. De beroepen werden ongegrond verklaard, wat betekent dat de aanslagen in stand blijven. Belanghebbende kreeg geen griffierecht terug en geen vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/5355 en 24/5433

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 26 november 2025

in de zaken tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Apeldoorn, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 19 januari 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.931. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 2.274 belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 59.000. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 4 belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslagen en de belastingrentebeschikkingen gehandhaafd.
De rechtbank heeft de beroepen als volgt geregistreerd:
  • Het beroep dat ziet op de aanslag IB/PVV 2020: zaaknummer 24/5355.
  • Het beroep dat ziet op de aanslag Zvw 2020: zaaknummer 24/5433.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B].

Feiten

1. Belanghebbende is in 2020 100% aandeelhouder en bestuurder van [naam bedrijf 1], [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 3]. Verder is belanghebbende via [naam bedrijf 1] 100% aandeelhouder en bestuurder van [naam bedrijf 4].
2. [naam bedrijf 1] is op 8 augustus 2013 opgericht door belanghebbende. De activiteiten van de vennootschap bestaan volgens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) uit het verstrekken van juridische adviezen, het verlenen van rechtsbijstand, het nemen van incassomaatregelen en het voeren van administraties van derden.
3. Belanghebbende verricht werkzaamheden voor [naam bedrijf 1] en ontvangt daarvoor loon. Het aantal verloonde uren in 2020 bedraagt 2.076.
4. [naam bedrijf 1] heeft in 2020 (in elk geval) één werknemer in dienst, namelijk [gemachtigde]. In 2020 ontvangt zij een loon van € 27.685. Het aantal verloonde uren in 2020 bedraagt 1.668.
5. [naam bedrijf 1] is een (ongedateerde) driepartijenovereenkomst aangegaan, waarbij [naam bedrijf 1] als ‘Intermediair’ staat vermeld. De opdrachtgevers, die worden vertegenwoordigd door de heer [persoon C], zijn [naam bedrijf 5], [naam bedrijf 6] en [naam bedrijf 7]. De opdrachtnemer in de overeenkomst is [naam bedrijf 8]. Deze vennootschap wordt vertegenwoordigd door de heer [persoon D].
6. In de driepartijenovereenkomst staat onder meer het volgende vermeld:

“(…) Komen het volgende overeen:

In aanmerking nemende dat:

(…)
Partijen de controle, administratieve afwikkeling en juridische dossier-completering wensen te reguleren via de genoemde Intermediair die op correcte afwikkeling van dit gedeelte zal toezien;
(…)
Naar individuele intensiviteit per dossier en aanverwante kosten zal Intermediair een fee in rekening brengen van maximaal 10% van het factuurbedrag van Opdrachtgever. Bij kostenoverschrijding zal Intermediair pas na accoord van zowel Opdrachtgever als Opdrachtnemer het onderhavige dossier afwikkelen en belasten.
(…)”
7. Uit de bankafschriften voor het jaar 2020 van de bankrekening(en) van [naam bedrijf 1] volgen onder meer de volgende totalen van bij- en afschrijvingen met betrekking tot de bij de driepartijenovereenkomst betrokken (rechts)personen:
Som van afschrijving
Som van bijschrijving
[naam bedrijf 5]
€ 768.211,87
[naam bedrijf 6]
€ 246.291,55
[naam bedrijf 7]
€ 548.613,40
[persoon E] ([naam bedrijf 5])
€ 104.550,00
[persoon D] (inzake [naam bedrijf 7]/[naam bedrijf 8])
€ 122.400,01
[naam bedrijf 9]
€ 534.034,82
[naam bedrijf 8] ([naam bedrijf 5])
€ 5.250,00
[naam bedrijf 8]
€ 674.065,73
€ 5.250,00
Eindtotaal
€ 1.440.300,56
€ 1.568.366,82
Per saldo is de som van de bijschrijvingen € 128.066 groter dan de som van de afschrijvingen.
8. Uit de bankafschriften voor het jaar 2020 van de bankrekening(en) van [naam bedrijf 1] volgen verder contante stortingen van in totaal € 9.300.
9. Uit het kasboek van [naam bedrijf 1] volgt een storting van € 16.451,47 op 31 december 2020.
10. Uit de bankafschriften voor het jaar 2020 van de privérekeningen van belanghebbende volgt dat vanaf de rekening van [naam bedrijf 1] in totaal een bedrag van € 31.959 is ontvangen met als omschrijving ‘Salaris’. Verder volgt een contante storting van € 3.800 op 20 februari 2020.
11. Uit de bankafschriften van de rekening van [naam bedrijf 4] volgen contante opnamen van in totaal € 53.900 in de maand januari 2020.
12. Belanghebbende is betrokken als verdachte bij een onderzoek van de FIOD onder de naam ‘[naam]’. Hij wordt onder andere verdacht van het witwassen van geld. Van de FIOD ontving de Belastingdienst onder meer processen-verbaal van verhoor van belanghebbende.
13. In het zevende verhoor (V01-07) hebben de FIOD-medewerkers belanghebbende voorgehouden hoe zij vermoeden dat de modus operandi is geweest op basis van de hen tot dan toe bekende informatie:
“(…) We zien dat er geld wordt overgemaakt van het bedrijf [naam bedrijf 10] uit België. Dit geld wordt overgemaakt naar bankrekeningen van [naam bedrijf 5], het bedrijf van [persoon C]. Het geld dat binnenkwam op de bankrekeningen van [naam bedrijf 5]. wordt vervolgens doorgeboekt naar bankrekeningen van [naam bedrijf 1] Eerder boekte [naam bedrijf 5]. ook bedragen over naar [naam bedrijf 11] en [naam bedrijf 12], bedrijven waar [persoon F] de directeur van was. Wij vermoeden dat op het moment dat de banken vragen stellen over de transacties op de bankrekening van [naam bedrijf 5]. de betalingen van [naam bedrijf 10] aan [naam bedrijf 5]. stoppen en gaat [naam bedrijf 10] betalingen doen aan [naam bedrijf 7], dat vlak daarvoor is opgericht. [naam bedrijf 7]. is een bedrijf van [persoon C] en zijn zoon [persoon G]. Het geld dat binnenkomt op de bankrekening van [naam bedrijf 7]. wordt vrijwel meteen doorgeboekt naar bankrekeningen op naam van [naam bedrijf 1] De aangevoerde grondslag voor het geld dat van [naam bedrijf 5], en later [naam bedrijf 7], naar [naam bedrijf 1] wordt overgemaakt zijn facturen van de bedrijven [naam bedrijf 13] en [naam bedrijf 14]. Beide bedrijven hebben aan collega verbalisanten verklaart dat [naam bedrijf 5] en/of [naam bedrijf 7]. geen klanten van hen zijn.
Vanaf de bankrekening van [naam bedrijf 1] werd in het begin contant geld opgenomen. Dit was het geld dat binnenkwam vanaf [naam bedrijf 5]. en [naam bedrijf 7]. Wij vermoeden dat op het moment dat de banken daar vragen over gingen stellen er een nieuw bedrijf tussen kwam, [naam bedrijf 8]. Het geld dat binnenkwam bij [naam bedrijf 1] werd vanaf dat moment vermoedelijk doorgeboekt naar bankrekeningen op naam van [naam bedrijf 8]. Vanaf deze bankrekening werd het geld contant opgenomen. Op de camerabeelden hebben we gezien dat de contante opnames door [persoon F] en [persoon G] werden gedaan. Vervolgens vermoeden wij dat de opgenomen gelden worden overgedragen aan [persoon C]. Wij vermoeden dat [persoon C] dit geld dan weer op zijn beurt overdraagt aan de heer [persoon H], directeur van [naam bedrijf 10] Wij vermoeden dat [naam bedrijf 5]. en [naam bedrijf 7]. de verkoop naar België als 0% BTW kan opvoeren bij de Belastingdienst en op basis van die facturen geen BTW hoeven af te dragen over deze omzet. Vervolgens denken wij dat via vermoedelijk valse facturen door [naam bedrijf 5]. en [naam bedrijf 7]. bij [naam bedrijf 13] en [naam bedrijf 14]. wordt ingekocht. Omdat dit inkoop is mag [naam bedrijf 5]. de BTW op deze facturen, ter hoogte van 21%, terugvragen. [naam bedrijf 13] danwel [naam bedrijf 14]. hoort de BTW op deze facturen af te dragen. Dit doen zij niet want de directeuren van [naam bedrijf 13] en [naam bedrijf 14]. hebben verklaart dat zij deze facturen niet kennen en geen zaken hebben gedaan met [naam bedrijf 5]. en/of [naam bedrijf 7]. Dit resulteert in 21% winst door [naam bedrijf 5], danwel [naam bedrijf 7]. Wij vermoeden dat dit het verdienmodel is en u ook meedeelt in deze verdiensten van 21%. Sterker nog, wij vermoeden dat niet al het geld dat uit België komt weer terug gaat naar België en dat deze marge ook onderling wordt verdeeld. (…)”
14. De heer [persoon H], die via zijn vennootschap 2/3 belang heeft in [naam bedrijf 10], heeft bij de Belgische politie bekend dat er sprake was van een zogenaamde carrousel om cash geld te genereren en dat er een valse facturenstroom werd opgezet tussen [naam bedrijf 10] en de Nederlandse ondernemingen [naam bedrijf 7], [naam bedrijf 5] en [naam bedrijf 6].
15. [naam bedrijf 1] heeft in 2020 geen auto’s op naam staan. Vanaf de bankrekening van [naam bedrijf 1] zijn in 2020 betalingen gedaan voor een bedrag van in totaal € 32.715 dat in de administratie is verantwoord als ‘brandstofkosten’ of ‘kosten en investeringen oldtimers’.
16. In 2020 stond op naam van [naam bedrijf 2] een Mercedes Benz M320 CDI met het kenteken [kentekennummer]. De datum eerste toelating van deze auto is 6 september 2006 en de cataloguswaarde bedraagt € 89.353. Belanghebbende heeft bij de FIOD en in zijn beroepschrift verklaard dat hij gebruiker is van deze auto.
17. Voor het jaar 2020 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV en Zvw gedaan en een verzamelinkomen van € 4.931 aangegeven. Dit bestaat uit een belastbaar loon van € 12.000 en een aftrek eigen woning van € 7.069.
17. Bij het vaststellen van de aanslagen IB/PVV en Zvw voor 2020 is de inspecteur afgeweken van de aangifte. De inspecteur heeft het inkomen uit werk en woning gecorrigeerd op grond van artikel 12a Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) met een bedrag van € 34.000 (€ 46.000 -/- € 12.000). Daarnaast heeft de inspecteur een bedrag van € 25.000 als extra inkomen in aanmerking genomen, vanwege onverklaarde bankstortingen.
19. Het bijdrage-inkomen Zvw heeft de inspecteur vastgesteld op € 59.000.
20. De aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) 2020 van [naam bedrijf 1] vermeldt een netto omzet van € 188.713 en een resultaat van € 13.525.

Beoordeling door de rechtbank

21. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen IB/PVV en Zvw 2020 niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
22. De rechtbank is van oordeel dat de aanslagen IB/PVV en Zvw 2020 niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is het beroep ontvankelijk?
23. De termijn voor het indienen van een beroep bedraagt zes weken. [1] Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van bekendmaking. [2] Een beroep is tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3] Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [4]
24. De dagtekening van de uitspraak op bezwaar is 19 januari 2024. De beroepstermijn eindigde op vrijdag 1 maart 2024. Het beroep is op de belastingrechtgriffie ontvangen op maandag 4 maart 2024, zo volgt uit het ontvangststempel, maar de rechtbank sluit niet uit dat het op 1 maart 2024 in de brievenbus van de rechtbank is ontvangen. Op het beroepschrift is door gemachtigde met de hand geschreven: ‘
Persoonlijk afgeleverd 1/3-2024 brievenbus rechtbank. Producties volgen nog.’ gevolgd door de handtekening van gemachtigde. De rechtbank zal daarom uitgaan van ontvangst op 1 maart 2024 en acht het beroep ontvankelijk.
Mag de inspecteur de stukken uit het strafrechtelijk onderzoek gebruiken?
25. Belanghebbende stelt dat de stukken uit het strafrechtelijk onderzoek van de FIOD onrechtmatig zijn verkregen en dat de inspecteur dus niet bevoegd is dit materiaal te gebruiken. Bovendien zijn de stukken niet door een rechter gewogen.
26. De rechtbank leidt uit de bijlagen 59 en 60 bij het verweerschrift af dat een verzoek is gedaan op grond van artikel 55 van de AWR tot verkrijging van de dossiers van de FIOD. Naar aanleiding van dat verzoek zijn de dossiers aan de inspecteur ter beschikking gesteld. Er is dus geen sprake van onrechtmatig verkregen dossiers. Dat de verklaringen in het FIOD dossier niet door een (straf)rechter gewogen zijn, staat er niet aan in de weg om door de inspecteur te worden gebruikt. Het staat ook de belastingrechter vrij om de verklaringen te betrekken in zijn oordeel.
Moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard?
27. Belanghebbende heeft wel aangifte gedaan. Daarom kan alleen worden gezegd dat de vereiste aangifte [5] niet is gedaan en dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, als de volgens de aangifte verschuldigde belasting als gevolg van een of meer gebreken absoluut en relatief aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en de belastingplichtige zich ten tijde van het doen van aangifte daarvan bewust was of zich bewust moest zijn. [6] Dat hiervan sprake is, moet aan de hand van de normale regels van de bewijslast worden vastgesteld. Dat betekent dat de inspecteur aannemelijk moet maken dat een absoluut en relatief aanzienlijk bedrag aan belasting niet is betaald én dat belanghebbende zich daarvan ten tijde van het doen van de aangifte bewust was of zich bewust moest zijn.
28. Belanghebbende heeft op de zitting erkend dat hij in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 geen bijtelling voor het privégebruik van de auto heeft aangegeven terwijl dit wel had gemoeten. Op dat punt is er dus sprake van een gebrek in de aangifte. Niet in geschil is dat de cataloguswaarde van de auto € 89.353 bedraagt. Het in aanmerking te nemen percentage is naar het oordeel van de rechtbank 22%, wat betekent dat de bijtelling € 19.657 moet zijn. De stelling van belanghebbende dat sprake is van een zogenaamde ‘youngtimer’ slaagt niet, omdat de auto in 2020 niet meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen.
29. Nu belanghebbende een bedrag van € 19.657 aan inkomen niet heeft aangegeven is de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief aanzienlijk lager dan de werkelijk verschuldigde belasting. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende wist dat hij bijtelling voor het privégebruik van de auto had moeten aangeven. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking de professionele achtergrond van belanghebbende. Dit brengt mee dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.
Zijn de aanslagen IB/PVV en Zvw niet te hoog?
30. Dat de bewijslast is omgekeerd en verzwaard geeft de inspecteur niet de bevoegdheid de aanslag naar willekeur vast te stellen. Deze moet gebaseerd zijn op een redelijke schatting. Wanneer de inspecteur de aanslag op een redelijke schatting baseert, ligt het vervolgens op de weg van belanghebbende, voor zover hij de juistheid van die schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren.
31. De inspecteur heeft het inkomen uit werk en woning geschat op € 63.931. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd een gebruikelijk loon van € 46.000 en een bedrag van € 25.000 vanwege onverklaarde bankstortingen. De rechtbank zal de redelijkheid van deze schatting beoordelen en overweegt in dat kader als volgt.
32. Op grond van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) moet ingeval een aanmerkelijk belanghouder werkzaamheden verricht voor de vennootschap een gebruikelijk loon in aanmerking worden genomen. Vast staat dat belanghebbende in 2020 werkzaamheden voor [naam bedrijf 1] heeft verricht, waarvoor hij ook loon heeft ontvangen, en dat hij een aanmerkelijk belang heeft in deze vennootschap. Dit betekent dat ten minste een loon van € 46.000 [7] in aanmerking moet worden genomen. Het is aan belanghebbende om bewijs te leveren - in dit geval overtuigend aantonen - dat moet worden uitgegaan van een lager gebruikelijk loon. [8] Belanghebbende slaagt hier niet in. Hij stelt wel dat er geen financiële ruimte was om een hoger loon dan € 12.000 toe te kennen, maar - nog daargelaten de vraag of dat aanleiding zou zijn voor een lager gebruikelijk loon - blijkt daarvan niets uit de stukken.
33. De inspecteur heeft de correctie van € 25.000 in eerste instantie onderbouwd met verwijzing naar contante stortingen van € 16.451 en € 3.800. In het verweerschrift heeft de inspecteur een nadere berekening gegeven die een correctie van € 59.398 onderbouwt. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur een redelijke schatting heeft gemaakt. Als alleen de contante stortingen van € 16.451 en € 3.800 en het voordeel privé gebruik auto (€ 19.657) bij elkaar worden opgeteld komt dat al ver boven de € 25.000 uit. De schatting van de inspecteur lijkt dus eerder te laag. Belanghebbende stelt dat de storting van € 16.451 geen echte storting is geweest, maar alleen een boekhoudkundige transactie. Dat is echter geen verklaring voor de herkomst van het geld dat kennelijk wel is uitgegeven terwijl het niet in de kas aanwezig was of op de bankrekening stond. Met betrekking tot de storting van € 3.800 heeft belanghebbende gesteld dat dit relatie zal houden tot huishoudelijke uitgaven voor zijn toenmalig schoonmoeder. Belanghebbende heeft deze stelling niet onderbouwd.
34. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de schatting van de inspecteur redelijk is. Belanghebbende heeft geen tegenbewijs geleverd, laat staan overtuigend aangetoond dat de schatting onjuist is en dat de aanslagen IB/PVV en Zvw 2020 te hoog zijn.
35. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Conclusie en gevolgen

36. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen IB/PVV en Zvw 2020 en de belastingrentebeschikkingen in stand blijven.
37. Omdat de beroepen ongegrond zijn, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, voorzitter, en mr. A.P. Vaatstra en mr. D. Liem, leden, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier.
Deze uitspraak is uitgesproken op 26 november 2025, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze aan partijen is verzonden.
griffier
voorzitter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
3.Artikel 6:9, eerste lid van de Awb.
4.Artikel 6:11 van de Awb.
5.In de zin van artikel 27e, eerste lid, van de AWR.
6.Hoge Raad 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2665.
7.Artikel 12a, eerste lid, aanhef en onder c., van de Wet LB.
8.Vgl. Hoge Raad 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0546.