ECLI:NL:RBGEL:2025:10276

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
AWB - 25 _ 609, AWB - 25 _ 3792
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op bezwaarschriften inzake Wob, Woo en AVG door het dagelijks bestuur van het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers

In deze zaak heeft eiser, een inwoner van [plaats 1], meerdere verzoeken ingediend op basis van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), de Wet open overheid (Woo) en de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De rechtbank Gelderland heeft op 1 december 2025 uitspraak gedaan in de enkelvoudige kamer. Eiser heeft beroepen ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschriften van 30 juni 2024 en 18 september 2024, gericht tegen besluiten van het dagelijks bestuur van het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers (ECAL). De rechtbank oordeelt dat de beroepen ontvankelijk en (gedeeltelijk) gegrond zijn. De rechtbank concludeert dat er geen sprake is van misbruik van recht, ondanks het feit dat eiser een groot aantal verzoeken en bezwaarschriften heeft ingediend. De rechtbank heeft het ECAL opgedragen om binnen zes weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen op het bezwaar van 18 september 2024, met een dwangsom van € 100 per dag voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, tot een maximum van € 15.000. Tevens moet het ECAL het door eiser betaalde griffierecht vergoeden en de proceskosten van eiser vergoeden, die zijn vastgesteld op € 102,75.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/609 en ARN 25/3792

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiser], uit [plaats 1], eiser

en

het dagelijks bestuur van het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers (ECAL)

(gemachtigde: mr. J.H.A. van der Grinten).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beroepen die eiser heeft ingesteld tegen het volgens hem niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschriften van 30 juni 2024 en 18 september 2024.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ontvankelijk en (gedeeltelijk) gegrond zijn. Eiser krijgt dus gedeeltelijk gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 1 februari 2025 beroepen ingesteld, omdat het ECAL volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaarschrift van 30 juni 2024, gericht tegen het besluit van het ECAL van 24 mei 2024, en op zijn bezwaarschrift van 18 september 2024, gericht tegen het besluit van het ECAL van 17 september 2024. Het ECAL heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 26 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [persoon A] [1] namens het ECAL, en de gemachtigde van het ECAL.
2.2.
Op de zitting is met partijen besproken en vastgesteld dat de rechtbank ten onrechte maar één beroepsprocedure en zaaknummer heeft aangemaakt en, als gevolg hiervan, ten onrechte maar één keer griffierecht heeft geheven. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst, zodat alsnog een tweede beroepsprocedure en zaaknummer kon worden aangemaakt. [2] Verder heeft de rechtbank eiser in de gelegenheid gesteld om het voor die procedure verschuldigde griffierecht te voldoen, en om een in het procesdossier ontbrekend document over te leggen.
2.3.
Eiser heeft het griffierecht voldaan, het ontbrekende document overgelegd en nadere reacties ingediend. Het ECAL heeft ook een nadere reactie ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek op 30 oktober 2025 gesloten en de zaken niet behandeld op een nadere zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
3. Acht gemeenten [3] hebben de Gemeenschappelijke Regeling Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers (Regeling) vastgesteld. In artikel 2 van de Regeling is het ECAL als openbaar lichaam ingesteld.
3.1.
Tot 15 maart 2025 was mevrouw [persoon B] [naam functie] van het ECAL. Naast deze werkzaamheden was zij van 1 juli 2017 tot 1 januari 2019 op basis van een detacheringsovereenkomst voor acht uur per week als stadsarchivaris gedetacheerd bij het Stadsarchief Kampen. Met ingang van 1 januari 2019 nam de heer [persoon C] haar werkzaamheden bij het Stadsarchief Kampen over. Omdat [persoon C] nog in opleiding was en niet over alle bevoegdheden beschikte, was [persoon B] nog tot 1 april 2021 beschikbaar voor het verrichten van werkzaamheden voor het Stadsarchief Kampen. Deze werkzaamheden (zonder detacheringsovereenkomst) werden niet betaald. Eiser en [persoon B] waren collega’s bij het Stadsarchief Kampen.
De verzoeken van eiser
4. Eiser heeft vijf verzoeken om informatie bij het ECAL ingediend, namelijk:
A. een verzoek op grond van de Wob [4] op 30 oktober 2021 (Wob-verzoek);
een verzoek op grond van de AVG [5] op 1 november 2021 (AVG-verzoek);
een verzoek op grond van de Woo [6] op 24 april 2023 (Woo-verzoek van 24 april 2023);
een verzoek op grond van de Woo op 23 augustus 2023 (Woo-verzoek van 23 augustus 2023);
een verzoek op grond van de Woo op 25 mei 2024 (Woo-verzoek van 25 mei 2024).
De besluiten waartegen eiser bezwaar heeft gemaakt
5. De verzoeken hebben – uiteindelijk – geleid tot de besluiten van het ECAL van
24 mei 2024 en 17 september 2024. Het besluit van 24 mei 2024 ziet op de verzoeken A tot en met D. Eiser heeft op 30 juni 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het besluit van
17 september 2024 ziet op verzoek E. Eiser heeft op 18 september 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
De beroepen van eiser
6. Eiser heeft beroepen ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschriften. De procedure met zaaknummer 25/609 ziet op het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 30 juni 2024. De procedure met zaaknummer 25/3792 ziet op het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 18 september 2024.
Wat beoordeelt de rechtbank?
7. De rechtbank beantwoordt eerst de vraag of de beroepen ontvankelijk zijn. Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de rechtbank toe aan een beoordeling van de beroepen. In dat geval beoordeelt de rechtbank eerst het beroep met zaaknummer 25/609 en daarna het beroep met zaaknummer 25/3792.

De ontvankelijkheid van de beroepen

Kan eiser beroepen instellen tegen het niet tijdig beslissen?
8. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, kan de betrokkene beroep instellen. [7]
8.1.
Eiser heeft bezwaarschriften ingediend op 30 juni 2024 en 18 september 2024. Eiser heeft het ECAL op 21 augustus 2024 en 11 december 2024 – dus na het verstrijken van de niet verlengde beslistermijn van zes weken – in gebreke gesteld. Omdat het ECAL niet binnen twee weken na de ontvangst van de ingebrekestellingen besluiten op bezwaar heeft genomen, kan eiser beroepen instellen tegen het niet tijdig beslissen.
Is sprake van misbruik van recht?
9. Het ECAL stelt zich in het verweerschrift en op de zitting op het standpunt dat in deze zaken sprake is van misbruik van recht en dat de beroepen daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
9.1.
Op grond van artikel 3:13, gelezen in verbinding met artikel 3:15 van het Burgerlijk Wetboek kan de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. In dat geval is sprake van misbruik van procesrecht. Een beroep wordt dan niet inhoudelijk behandeld en wordt niet-ontvankelijk verklaard. Daar zijn zwaarwichtige gronden voor nodig. Deze zijn onder meer aanwezig als rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Een min of meer overmatig beroep op door de overheid geboden faciliteiten levert in het algemeen op zichzelf geen misbruik van recht op. Elk beroep op die faciliteiten brengt immers kosten met zich voor de overheid en benadeelt de overheid in zoverre. Wel kan het aantal malen dat een bepaald recht of een bepaalde bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden bijdragen aan de conclusie dat misbruik van recht heeft plaatsgevonden. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. [8]
9.2.
De rechtbank stelt vast dat aan de zaken die nu bij de rechtbank ter beoordeling voorliggen veel vooraf is gegaan. Eiser heeft vanaf 2021 een groot aantal verzoeken, bezwaarschriften, ingebrekestellingen, brieven en klachten bij het ECAL ingediend. [9] Hoewel de rechtbank heel goed begrijpt dat eiser met zijn procedeergedrag een groot beslag legt op de capaciteit van het ECAL, is zij van oordeel dat (vooralsnog) geen sprake is van misbruik van procesrecht, omdat daarvoor onvoldoende zwaarwichtige gronden als bedoeld in 9.1 aanwezig zijn. De rechtbank acht in dit verband van belang dat eiser desgevraagd heeft verklaard dat het doel van zijn procedeergedrag is om meer informatie te verkrijgen dan dat het ECAL tot nu toe heeft verstrekt, en dat eiser de besluiten van het ECAL hierover nog niet eerder door een rechter heeft kunnen laten beoordelen.
Conclusie
10. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van eiser ontvankelijk.

Het beroep met zaaknummer 25/609

11. Zoals overwogen onder 5 en 6 heeft eiser dit beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het op 30 juni 2024 gemaakte bezwaar tegen het besluit van 24 mei 2024. Dit besluit ziet op de onder 4 genoemde verzoeken A tot en met D.
Het Wob-verzoek en het AVG-verzoek (verzoeken A en B)
De verzoeken
12. Op 30 oktober 2021 heeft eiser op grond van de Wob het ECAL verzocht om openbaarmaking van de volgende informatie (verzoek A):
 een kopie van, subsidiair inzage in, alle correspondentie binnen het ECAL en tussen het ECAL en derden aangaande de evaluatie van de totale detachering ingevolge artikel 4, vierde lid, van de tweede verlenging van de detacheringsovereenkomst;
 een kopie van, subsidiair inzage in, alle correspondentie binnen het ECAL en tussen het ECAL en derden aangaande de archiefwaardige documenten die - in het kader van de overdracht – aan [persoon C] zijn toegezonden;
 een kopie van, subsidiair inzage in, alle correspondentie binnen het ECAL en tussen het ECAL en derden aangaande het beleid en de schriftelijke afspraken, - tezamen de feitelijke grondslag, - waarop de inhoudelijke betrokkenheid en de werkzaamheden (in dit geval pro bono) van [persoon B] bij de gemeente Kampen over de periode 1 januari 2019 tot
1 april 2021 steunen. Onder haar werkzaamheden wordt expliciet verstaan: de taken, de bevoegdheden en de verantwoordelijkheden.
12.1.
Eiser verzoekt specifiek om openbaarmaking van:
 agenda’s en convocaties;
 ingekomen stukken, adviezen en vergaderstukken;
 besluiten en besluitenlijsten;
 verslagen en notulen;
 alle overige documenten die zijn uitgewisseld. Een document is daarbij een schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.
12.2.
Met ‘correspondentie binnen het ECAL’ bedoelt eiser in ieder geval de communicatie tussen (de voorzitter van) het dagelijks bestuur van het ECAL en [persoon B]. Met ‘correspondentie tussen het ECAL en derden’ bedoelt eiser in ieder geval de communicatie tussen (de voorzitter van) het dagelijks bestuur van het ECAL en/of [persoon B] en de gemeente Kampen.
13. Op 1 november 2021 heeft eiser op grond van de AVG verzocht om inzage in door het ECAL verwerkte persoonsgegevens van eiser (verzoek B). Eiser wenst het volgende te vernemen:
 om welke gegevens het gaat;
 wat de rechtsgrond voor de verwerking van deze gegevens is (artikel 6 van de AVG);
 wat het doel is van het gebruik (artikel 6 van de AVG);
 aan wie het ECAL de gegevens heeft verstrekt;
 welke passende waarborgen voor doorgifte het ECAL heeft getroffen;
 wat de herkomst is van de gegevens, als deze bekend is;
 hoe lang de gegevens worden opgeslagen;
 of er sprake is van geautomatiseerde besluitvorming, waaronder profilering. In dat geval wil eiser graag weten wat de onderliggende logica is, wat het belang van het ECAL is en wat de verwachte gevolgen van deze geautomatiseerde besluitvorming voor eiser zijn.
De besluiten van 3 november 2021 op verzoek A en B
14. Bij besluit van 3 november 2021 op het Wob-verzoek heeft het ECAL een aantal documenten aan eiser verstrekt, te weten:
 de overeenkomst van de detachering van [persoon B] voor wat betreft de periode 1 juli 2017 tot 1 januari 2018;
 de overeenkomst van de verlenging van de detachering voor de periode 1 januari 2018 tot 1 juli 2018;
 de overeenkomst van de verlenging van de detachering voor de periode 1 juli 2018 tot
1 januari 2019;
 de brief inzake de formele beëindiging van de werkzaamheden met ingang van 1 april 2021;
 het verslag van het dagelijks bestuur van het ECAL van 17 mei 2017, waarin melding wordt gemaakt van de detachering van [persoon B].
14.1.
Volgens het ECAL zijn de onder 14 genoemde stukken de enige stukken die voorhanden zijn. [persoon B] heeft, in het kader van de overdracht aan [persoon C], archiefwaardige documenten aan hem verzonden. Deze stukken waren niet archiefwaardig voor het ECAL.
15. Bij besluit van eveneens 3 november 2021 op het AVG-verzoek heeft het ECAL eiser meegedeeld dat, in het kader van de werkzaamheden van [persoon B] voor de gemeente Kampen geen waarderende gegevens van- en/of persoonsgegevens van eiser zijn verwerkt.
De verdere procedure
16. Op 4 november 2021 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de onder 14 en 15 genoemde besluiten van 3 november 2021.
16. Op 22 december 2021 heeft het ECAL eiser meegedeeld dat alle informatie die voorhanden is al aan eiser is verstrekt en dat er niet meer informatie is die kan worden verstrekt. Het ECAL houdt zich aan de bepalingen uit de Archiefwet 1995. Zowel de Wob als de AVG legt het ECAL niet de verplichting op om de gevraagde informatie bij derden op te vragen.
18. Op 25 januari 2022 heeft het ECAL eiser – als aanvullende reactie op zijn bezwaarschrift van 4 november 2021 ten aanzien van het AVG-verzoek – meegedeeld dat niet is uitgesloten dat tussen eiser en [persoon B], vanwege hun functie bij de gemeente Kampen, sprake was van zakelijk e-mailverkeer. In die zin zijn persoonsgegevens, namelijk zakelijke e-mailadressen, gebruikt ten behoeve van e-mailwisselingen. Deze e-mailwisselingen zijn echter niet opgeslagen en/of anderszins verwerkt bij het ECAL.
Verder heeft het ECAL eiser – als aanvullende reactie op zijn bezwaarschrift van
4 november 2021 ten aanzien van het Wob-verzoek – meegedeeld dat destijds, in het kader van de overdracht van lopende zaken aan de nieuwe stadsarchivaris, informatie is overgedragen. Deze informatie is niet archiefwaardig voor het ECAL en daarom ook niet meer voorhanden. Het ECAL gaat ervan uit dat deze informatie bij de gemeente Kampen beschikbaar is en heeft het Wob-verzoek van eiser daarom doorgezonden naar de gemeente Kampen.
19. Eiser heeft op 26 januari 2022 twee ingebrekestellingen ingediend bij het ECAL, tegen het uitblijven van een besluit op zijn bezwaren tegen de besluiten op verzoek A en verzoek B. Bij afzonderlijke besluiten van 1 februari 2022 heeft het ECAL beslist op deze ingebrekestellingen. Volgens het ECAL zijn geen dwangsommen verbeurd. Voor wat betreft het AVG-verzoek legt het ECAL hieraan ten grondslag dat al op 22 december 2021, en dus tijdig, een beslissing op bezwaar is genomen.
Voor wat betreft het Wob-verzoek legt het ECAL hieraan ten grondslag dat paragraaf 4.1.3.2 van de Awb, dat gaat over de dwangsom bij niet tijdig beslissen, niet van toepassing is op besluiten op grond van de Wob. [10]
20. Op 12 maart 2022 heeft eiser drie bezwaarschriften ingediend, namelijk:
bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar van 4 november 2021. Op zitting heeft eiser desgevraagd toegelicht dat dit ziet op het AVG-verzoek;
bezwaar tegen het besluit van 1 februari 2022 over de ingebrekestelling ten aanzien van het Wob-verzoek (verzoek A);
bezwaar tegen het besluit van 1 februari 2022 over de ingebrekestelling ten aanzien van het AVG-verzoek (verzoek B).
21. Op 11 september 2023 heeft eiser het ECAL vier keer in gebreke gesteld. Volgens eiser heeft het ECAL niet tijdig beslist op:
het bezwaar van 4 november 2021 inzake het Wob-verzoek;
het bezwaar van 12 maart 2022 tegen het besluit van 1 februari 2022 inzake het Wob-verzoek;
het bezwaar van 4 november 2021 inzake het AVG-verzoek;
het bezwaar van 12 maart 2022 tegen het besluit van 1 februari 2022 inzake het AVG-verzoek.
Het besluit van 24 mei 2024 (ten aanzien van verzoeken A en B)
22. Bij besluit van 24 mei 2024 heeft het ECAL als volgt beslist.
 Het bezwaar van 12 maart 2022, zoals vermeld onder 20 onder 1, is ongegrond. Het ECAL legt hieraan ten grondslag dat er al op 22 december 2021, aangevuld op
25 januari 2022, op het bezwaar is beslist. Eiser kon dus geen bezwaar maken tegen het uitblijven van een beslissing. Omdat op 12 maart 2022 de termijn voor het instellen van beroep was verstreken, wordt het bezwaar niet meer doorgezonden naar de rechtbank.
 De bezwaren van 12 maart 2022, zoals vermeld onder 20 onder 2 en 3, zijn ongegrond, omdat er volgens het ECAL al op 22 december 2021, aangevuld op 25 januari 2022, op de bezwaren van 4 november 2021 is beslist.
 Ten aanzien van de ingebrekestellingen van 11 september 2023, zoals vermeld onder 21 onder 1 en 3, zijn geen dwangsommen verbeurd. Er is namelijk tijdig op de bezwaren beslist.
 Ten aanzien van de ingebrekestelling van 11 september 2023, zoals vermeld onder 21 onder 2, is geen dwangsom verbeurd. Weliswaar is nog geen beslissing op bezwaar genomen, maar paragraaf 4.1.3.2 van de Awb is niet van toepassing is op besluiten op grond van de Wob.
 Ten aanzien van de ingebrekestelling van 11 september 2023, zoals vermeld onder 21 onder 4, is een dwangsom verbeurd.
Het Woo-verzoek van 24 april 2023 (verzoek C)
Het verzoek
23. Op 24 april 2023 heeft eiser op grond van de Woo het ECAL verzocht om kopieën van, subsidiair inzage in, documenten en communicatie bij het ECAL of onder het ECAL aanwezig inzake de detachering/pro bono publico inzet (de aangelegenheid) van [persoon B] bij de gemeente Kampen voor het tijdvak 1 juli 2017 tot 1 april 2021.
23.1.
Onder de reikwijdte van dit Woo-verzoek vallen alle documenten en communicatie over:
 de aanleiding voor de detachering van [persoon B] bij de gemeente Kampen vanaf 1 juli 2017 en de reden van beëindiging hiervan;
 de aanleiding voor de overgang naar de pro bono publico inzet van [persoon B] bij de gemeente Kampen vanaf 1 januari 2019 en de reden van beëindiging hiervan;
 - de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden behorende bij de functie/rol vanuit de detachering/pro bono publico inzet en de geautoriseerde wijze waarop deze (specifieke) bevoegdheden destijds exclusief aan [persoon B] zijn geattribueerd. Kortom: de grondslag voor de uitoefening van die bevoegdheden;
 de geautoriseerde inhoudelijke en financiële verantwoording over de detachering en pro bono publico inzet van [persoon B] door en tussen het dagelijks en algemeen bestuur van het ECAL.
Het besluit van 16 mei 2023 (ten aanzien van verzoek C)
24. Bij besluit van 16 mei 2023 heeft het ECAL beslist dat de al eerder aan eiser verstrekte documenten, zoals vermeld onder 14, betrekking hebben op het Woo-verzoek van eiser. Deze documenten zijn dus al openbaar gemaakt. Voor de volledigheid verstrekt het ECAL deze documenten nogmaals. Verder verstrekt het ECAL de jaarrekeningen over 2017 en 2018. Hierin staan de bedragen die het ECAL als vergoeding van de gemeente Kampen ontving voor de detachering van [persoon B]. Het ECAL heeft in een aantal documenten passages onleesbaar gemaakt vanwege de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer of de privacy, dan wel vanwege het ontbreken van relevantie voor het Woo-verzoek van eiser. Eiser heeft op 16 mei 2023 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Het besluit van 24 mei 2024 (ten aanzien van verzoek C)
25. Bij besluit van 24 mei 2024 heeft het ECAL het bezwaar van eiser van 16 mei 2023 ongegrond verklaard. Het ECAL legt hieraan ten grondslag dat alle documenten die het ECAL in bezit heeft aan eiser zijn verstrekt en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ECAL beschikt over documenten die niet zijn verstrekt. De Woo verplicht het ECAL niet om documenten die niet bestaan te vervaardigen. Verder weegt het algemene, publieke belang van openbaarmaking van alle onleesbaar gemaakte stukken volgens het ECAL niet op tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer of privacy.
Verder stelt het ECAL zich, als reactie op een ingebrekestelling van eiser van 9 augustus 2023, op het standpunt dat geen dwangsom is verbeurd, omdat paragraaf 4.1.3.2 van de Awb niet van toepassing is op besluiten op grond van de Woo. [11]
Het Woo-verzoek van 23 augustus 2023 (verzoek D)
Het verzoek
26. Op 23 augustus 2023 heeft eiser op grond van de Woo het ECAL verzocht om openbaarmaking van het Aanwijzingsbesluit inzake de huidige functionaris gegevensbescherming van/voor de verwerkingsverantwoordelijke(n) van het ECAL.
Het besluit van 24 mei 2024 (ten aanzien van verzoek D)
27. Op 24 mei 2024 heeft het ECAL beslist op dit verzoek en het aanwijzingsbesluit van de Functionaris Gegevensbescherming openbaar gemaakt. Het ECAL heeft de naam van de functionaris onleesbaar gemaakt.
Wat oordeelt de rechtbank?
28. Zoals volgt uit overwegingen 22, 25 en 27 bestaat het besluit van 24 mei 2024 uit verschillende besluitonderdelen. De rechtbank concludeert dat dit besluit zowel primaire beslissingen als beslissingen op bezwaar bevat. Dit betekent dat de brief van 30 juni 2024 gedeeltelijk – namelijk voor zover gericht tegen de primaire beslissingen – een bezwaarschrift is, en gedeeltelijk – voor zover gericht tegen de beslissingen op bezwaar – als beroepschrift had moeten worden doorgezonden naar de rechtbank. [12] Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze conclusie komt, tot welk oordeel dit leidt en wat dit oordeel betekent.
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen
29. Het ECAL heeft in het besluit van 24 mei 2024 primair beslist op de vier ingebrekestellingen van 11 september 2023 (ten aanzien van verzoeken A en B) en op verzoek D. Tegen deze beslissingen, behalve tegen de beslissing op de ingebrekestelling zoals vermeld onder 21 onder 4, heeft eiser op 30 juni 2024 bezwaar gemaakt. Vaststaat dat het ECAL geen beslissing op dit bezwaar heeft genomen. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, is dus gegrond.
30. De rechtbank ziet geen aanleiding om te bepalen dat het ECAL alsnog moet beslissen op het bezwaar, voor zover gericht tegen de beslissingen op de ingebrekestellingen zoals vermeld onder 21 onder 1, 2 en 3. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en verklaart het bezwaar, voor zover gericht tegen de beslissingen op deze ingebrekestellingen, ongegrond.
Ten aanzien van ingebrekestelling 1 en 3 is de rechtbank, anders dan eiser, van oordeel dat de brief van het ECAL van 22 december 2021, aangevuld met een brief van 25 januari 2022, moet worden aangemerkt als een beslissing op de bezwaren van eiser van 4 november 2021 tegen de besluiten van 3 november 2021 op de verzoeken A en B. Dit blijkt voldoende duidelijk uit het onderwerp en de inhoud van de reactie van 22 december 2021. Verder staat in de brief van het ECAL van 25 januari 2022 dat dit een
aanvullendereactie op de bezwaarschriften van 4 november 2021 is. De enkele omstandigheid dat onder deze brieven geen rechtsmiddel staat vermeld is onzorgvuldig, maar laat onverlet dat dit als besluit op bezwaar moet worden aangemerkt. Bovendien heeft het ECAL in de beslissingen van
1 februari 2022 alsnog aangegeven dat eiser beroep kon instellen tegen de beslissing op bezwaar van 22 december 2021. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen dwangsommen zijn verbeurd, omdat het ECAL tijdig heeft beslist op de bezwaren van
4 november 2021.
Ten aanzien van ingebrekestelling 2 overweegt de rechtbank dat eiser op de zitting desgevraagd heeft erkend dat geen dwangsommen zijn verbeurd, omdat paragraaf 4.1.3.2 van de Awb niet van toepassing is op besluiten op grond van de Wob.
Volledigheidshalve wijst de rechtbank er op dat ingebrekestelling 4 betrekking heeft op een besluit op grond van de Woo. Ook voor besluiten op grond van de Woo geldt dat paragraaf 4.1.3.2. van de Awb daarop niet van toepassing is, zodat ook ten aanzien van die ingebrekestelling geen bestuurlijke dwangsommen zijn verbeurd.
31. De rechtbank ziet wel aanleiding om te bepalen dat het ECAL alsnog een besluit moet nemen op het bezwaar, voor zover gericht tegen de beslissing op verzoek D. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan dit doen binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak. Alleen in bijzondere gevallen of als de omvang van het Woo-verzoek hiertoe aanleiding geeft kan de rechtbank een andere termijn bepalen. [13] Gelet op de omvangrijke voorgeschiedenis en het grote beslag dat eiser hiermee al op de capaciteit van het ECAL heeft gelegd, alsmede de samenhang met het ook nog te nemen besluit op bezwaar zoals hierna wordt overwogen onder 38, bepaalt de rechtbank dat het ECAL binnen zes weken na het verzenden van deze uitspraak een besluit moet nemen. De rechtbank bepaalt dat het ECAL een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van
€ 15.000. Deze dwangsom is in overeenstemming met het landelijk beleid. [14]
Het beroep tegen de beslissingen op bezwaar
32. Het ECAL heeft in het besluit van 24 mei 2024 de drie bezwaarschriften van
12 maart 2022 ongegrond verklaard.
32.1.
De rechtbank is van oordeel dat het ECAL het bezwaar van 12 maart 2021, zoals vermeld onder 20 onder 1, ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Uit artikel 7:1 van de Awb volgt namelijk dat alleen beroep tegen het niet tijdig beslissen kan worden ingesteld. Het beroep, voor zover gericht tegen dit besluitonderdeel, is gegrond. Het ECAL had het bezwaar als een beroep tegen het niet tijdig beslissen moeten doorsturen naar de rechtbank. Vervolgens is de rechtbank van oordeel dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is. Zoals al is overwogen onder 30, heeft het ECAL namelijk op 22 december 2021, aangevuld op 25 januari 2022, op het bezwaar beslist.
32.2.
De rechtbank is van oordeel dat het ECAL de bezwaren van 12 maart 2021, zoals vermeld onder 20 onder 2 en 3, terecht ongegrond heeft verklaard. De rechtbank verwijst opnieuw naar overweging 30, waarin is geoordeeld dat het ECAL op 22 december 2021, aangevuld op 25 januari 2022, heeft beslist op de bezwaren van 4 november 2021. Het ECAL stelt dus terecht dat tijdig is beslist en dat geen dwangsommen zijn verbeurd. Het beroep, voor zover gericht tegen deze besluitonderdelen, is ongegrond.
33. Het ECAL heeft in het besluit van 24 mei 2024 ook het bezwaar inzake verzoek C ongegrond verklaard. De rechtbank stelt vast dat eiser tegen dit onderdeel van het besluit geen gronden heeft gericht en zal dit dan ook niet beoordelen.
-

Het beroep met zaaknummer 25/3792

34. Zoals overwogen onder 5 en 6 heeft eiser dit beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het op 18 september 2024 gemaakte bezwaar tegen het besluit van
17 september 2024. Dit besluit ziet op het onder 4 genoemde verzoek E.
Het Woo-verzoek van 25 mei 2024 (verzoek E)
Het verzoek
35. Op 25 mei 2024 heeft eiser op grond van de Woo het ECAL verzocht om openbaarmaking van publieke informatie die is uitgewisseld tussen de gemeente Doetinchem en het ECAL in de context van de eerdere afhandeling van de door eiser ingediende klachten door het ECAL.
Het besluit van 17 september 2024
36. Bij besluit van 17 september 2024 heeft het ECAL het verzoek afgewezen, omdat de door eiser gevraagde informatie er niet is. Er is geen sprake geweest van uitwisseling van publieke informatie tussen het ECAL en de gemeente Doetinchem. Verder stelt het ECAL zich, als reactie op een ingebrekestelling van eiser van 29 juni 2024, op het standpunt dat geen dwangsom is verbeurd, omdat paragraaf 4.1.3.2 van de Awb niet van toepassing is op besluiten op grond van de Woo.
Wat oordeelt de rechtbank?
37. De rechtbank stelt vast dat het ECAL niet heeft beslist op het bezwaar van
18 september 2024. Het beroep is dus gegrond.
38. Omdat het ECAL nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het ECAL dit alsnog moet doen. Onder verwijzing naar wat is overwogen onder 31, bepaalt de rechtbank dat het ECAL binnen zes weken na het verzenden van deze uitspraak een besluit moet nemen. De rechtbank bepaalt dat het ECAL een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000.

Conclusie en gevolgen

39. Het beroep met zaaknummer 25/609, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, is gegrond. Dat betekent dat eiser in zoverre gelijk krijgt. De rechtbank voorziet voor wat betreft de ingebrekestellingen, zoals vermeld onder 21 onder 1, 2 en 3, zelf in de zaak en verklaart het bezwaar, voor zover gericht tegen de beslissingen op deze ingebrekestellingen, ongegrond. Verder krijgt het ECAL een termijn van zes weken om alsnog een besluit te nemen op het bezwaar inzake verzoek D, en wordt aan het ECAL de onder 31 genoemde dwangsom opgelegd.
39.1.
Het beroep met zaaknummer 25/609, voor zover gericht tegen de beslissing op het bezwaar van 12 maart 2022, zoals vermeld onder 20 onder 1, is gegrond. De rechtbank vernietigt dit onderdeel van het besluit van 24 mei 2024. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 4 november 2021 is niet-ontvankelijk.
39.2.
Het beroep met zaaknummer 25/609 is voor het overige ongegrond.
40. Het beroep met zaaknummer 25/3792 is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, dat het ECAL een termijn van zes weken krijgt om alsnog een besluit te nemen en dat aan het ECAL de onder 38 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
41. Het voorgaande betekent dat het ECAL alleen nog met betrekking tot de verzoeken D en E een besluit op bezwaar moet nemen. Het ECAL hoeft geen bestuurlijke dwangsommen aan eiser te betalen.
42. Omdat de beroepen (gedeeltelijk) gegrond zijn, moet het ECAL in beide zaken het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Verder veroordeelt de rechtbank het ECAL in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast.
42.1.
Eiser heeft verzocht om een vergoeding van de reiskosten voor het bijwonen van de zitting. De rechtbank stelt deze vergoeding overeenkomstig het formulier proceskosten vast op € 38,94‬ (retour openbaar vervoer met trein en bus, [plaats 1] - Arnhem). [15]
42.2.
Eiser heeft verzocht om vergoeding van verletkosten van € 127,62 (zijnde de kosten voor het opnemen van een verlofdag) voor het bijwonen van de zitting. De rechtbank stelt vast dat alleen de reistijd en de tijd voor het bijwonen van de zitting in aanmerking komen voor vergoeding van verletkosten. De rechtbank zal daarom in totaal vier uur (een halve dag) aan verletkosten toewijzen. De rechtbank stelt de verletkosten vast op € 63,81 (0,5 keer € 127,62).
Beslissing
De rechtbank:
Ten aanzien van zaaknummer 25/609:
verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
voorziet voor wat betreft de ingebrekestellingen zoals vermeld onder 21 onder 1, 2 en 3, zelf in de zaak en verklaart het bezwaar, voor zover gericht tegen de beslissingen op deze ingebrekestellingen, ongegrond;
verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de beslissing op het bezwaar van 12 maart 2022, zoals vermeld onder 20 onder 1, gegrond en vernietigt dit onderdeel van het besluit van 24 mei 2024;
verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 4 november 2021 niet-ontvankelijk;
draagt het ECAL op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar van 30 juni 2024 inzake het Woo-verzoek van
23 augustus 2023 (verzoek D) bekend te maken;
7. bepaalt dat het ECAL aan eiser een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;
8. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
9. bepaalt dat deze uitspraak, behalve voor wat betreft de onder 6. genoemde door het ECAL nog te nemen beslissing, in de plaats treedt van wat de rechtbank heeft vernietigd;
Ten aanzien van zaaknummer 25/3792:
10. verklaart het beroep gegrond;
10. vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
10. draagt het ECAL op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar van 18 september 2024 bekend te maken;
10. bepaalt dat het ECAL aan eiser een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;
Ten aanzien van beide beroepen:
14. bepaalt dat het ECAL het griffierecht van in totaal € 388 (twee keer € 194) aan eiser moet vergoeden;
14. veroordeelt het ECAL in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 102,75 (€ 38,94 + € 63,81).
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.H. Verzijl-Stoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.[naam functie] van het ECAL.
2.Dit betreft zaaknummer ARN 25/3792.
3.Het betreft de gemeenten Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk.
4.Wet openbaarheid van bestuur.
5.Algemene verordening gegevensbescherming.
6.Wet open overheid.
7.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
8.Zie onder meer ABRvS 27 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4256), ABRvS 6 november 2019 (ECLI:NLRVS:2019:3754) en ABRvS 9 september 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2163).
9.Zie voor een overzicht hiervan overwegingen 12 tot en met 27.
10.Dit volgt uit artikel 15 van de Wob, zoals dit destijds gold.
11.Dit volgt uit artikel 8.2 van de Woo.
12.Dit volgt uit artikel 6:15 van de Awb.
13.Dit volgt uit artikel 8:55d, derde lid, van de Awb en artikel 8.4 van de Woo.
14.https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx#tabs.
15.Zie artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bpb en artikel 11, eerste lid, onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003.