ECLI:NL:RBGEL:2025:10504

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
ARN 25/1812
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van compensatie voor inkomensschade door het toeslagenschandaal

In deze uitspraak van de Rechtbank Gelderland, gedateerd 5 december 2025, wordt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om compensatie voor inkomensschade door het toeslagenschandaal behandeld. Eiser is van mening dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen causaal verband is tussen zijn inkomensschade en de gevolgen van het toeslagenschandaal. De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn psychische klachten en de daaruit voortvloeiende inkomensschade uitsluitend het gevolg zijn van de toeslagenproblematiek. Eiser had twee ondernemingen, maar moest deze sluiten vanwege psychische klachten die hij stelt te hebben opgelopen door de financiële problemen die voortvloeiden uit terugvorderingen. De rechtbank wijst erop dat eiser ook andere factoren had die zijn klachten konden verklaren, zoals een bedrijfsongeval en conflicten met de Belastingdienst. De rechtbank concludeert dat de Dienst Toeslagen terecht heeft geoordeeld dat er geen causaal verband is en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak benadrukt dat hoewel de gevolgen van het toeslagenschandaal ernstig zijn, dit niet automatisch leidt tot compensatie voor materiële schade zonder bewijs van causaal verband.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1812

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. P.G.W. van Wees),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: M. Aziz).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van compensatie voor inkomensschade door de dienst. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van de dienst om geen compensatie toe te kennen voor inkomensschade.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een causaal verband is tussen zijn inkomensschade en het handelen van de dienst. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft als slachtoffer van het toeslagenschandaal een verzoek ingediend tot aanvullende schadevergoeding bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). Naar aanleiding van het advies van CWS heeft de dienst bij besluit van 4 april 2023 aan eiser een aanvullende schadevergoeding van € 14.009 en een reiskostenvergoeding van € 6 toegekend. Met het bestreden besluit van 13 maart 2025 op het bezwaar van eiser heeft de dienst het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Wel heeft de dienst een aanvullende schadevergoeding toegekend van € 12.611 vanwege nieuw beleid. De dienst heeft de gevraagde compensatie voor inkomensschade afgewezen omdat het niet aannemelijk is dat eiser en zijn vrouw als gevolg van (psychische) klachten, veroorzaakt door de toeslagenproblematiek, inkomensschade hebben geleden.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de dienst.

Beoordeling door de rechtbank

Is er een causaal verband tussen de inkomensschade en het toeslagenschandaal?
3. Eiser betoogt dat de dienst ten onrechte heeft geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat de inkomensschade die eiser heeft geleden het gevolg is van klachten die zijn ontstaan door het toeslagenschandaal. Eiser had twee ondernemingen. Met deze ondernemingen moest hij echter stoppen vanwege de psychische klachten die hij heeft opgelopen door de financiële problemen die hij kreeg door de terugvorderingen. Dat deze psychische klachten zijn ontstaan door de toeslagenproblematiek blijkt volgens eiser uit de overgelegde medische stukken: een onderzoeksrapport en behandeladvies van HSK Groep van 7 juni 2024, een brief van zijn huisarts van 28 oktober 2024, een huisartsjournaal en twee brieven van de fysiotherapeut van 24 en 26 november 2021. Deze stukken zijn ten onrechte niet betrokken bij de beoordeling van de inkomensschade. De dienst had de ontbrekende informatie moeten opvragen. De zaak is dus niet goed beoordeeld.
3.1.
Als uitgangspunt geldt dat de aanvrager van compensatie voor werkelijke schade aannemelijk dient te maken dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan na het na de integrale beoordeling toegekende bedrag. [1] Concreet betekent dit dat eiser aannemelijk moet maken dat hij daadwerkelijk schade heeft geleden, hoe hoog die schade is en dat er een causaal verband bestaat tussen de geleden schade en de handelswijze van de dienst.
3.2.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde psychische klachten enkel en alleen veroorzaakt zijn door de toeslagenproblematiek en dat eiser daarom moest stoppen met zijn ondernemingen en inkomensschade heeft geleden. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt weliswaar dat eiser lichamelijke en psychische klachten heeft, maar niet wat daarvan de oorzaak is en ook niet dat het stoppen van de ondernemingen, en daardoor de gestelde inkomensschade, het gevolg is van deze klachten. Eiser heeft in dezelfde periode namelijk ook een bedrijfsongeval gehad en had ook een conflict met de Belastingdienst over de betaling van omzetbelasting en motorrijtuigenbelasting, waarbij ook een bezoek van de Belastingdienst heeft plaatsgevonden. Uit de (gecorrigeerde) verklaring van zijn fysiotherapeut van 26 november 2021 volgt dat eiser onder behandeling was voor klachten die al aanwezig waren vóór het bedrijfsongeval en dat eiser tijdens de behandelingen regelmatig sprak over de Belastingdienst. Daaruit blijkt echter geen causaal verband tussen de klachten van eiser en de toeslagenproblematiek. Wel blijkt daaruit dat de Belastingdienst hem bezig hield, maar dat kon ook gaan over het eerdergenoemde conflict over de betaling van omzetbelasting en motorrijtuigenbelasting met een andere afdeling van de Belastingdienst. In de overige documenten die door eiser zijn overgelegd staat dat de klachten volgens hem zijn ontstaan in reactie op de toeslagenaffaire. Dit is echter een weergave van de anamnese van eiser. Het is geen verklaring waaruit een causaal verband blijkt tussen de klachten en het handelen van de dienst. De dienst heeft daarom terecht geconcludeerd dat er geen causaal verband is.
3.3.
Dat eiser op den duur last kreeg van psychische klachten naar aanleiding van de toeslagenaffaire is zeer invoelbaar. De rechtbank wil met het oordeel in 3.2 de weerslag van de toeslagenproblematiek op eiser en zijn gezin absoluut niet bagatelliseren. Eiser en zijn gezin zijn voor de immateriële schade (terecht) gecompenseerd. In het kader van de materiele schade, en in dit geval de gestelde inkomensschade, is het enkele feit dat eiser slachtoffer is van de toeslagenaffaire echter onvoldoende. In dat geval moet, zoals weergegeven in de vorige rechtsoverwegingen, een causaal verband aannemelijk worden gemaakt. Daarvan vindt de rechtbank dat de dienst terecht heeft geconcludeerd dat dat niet is gebeurd; ook niet met de overgelegde stukken.
Heeft de dienst terecht geen inkomensschade van de partner van eiser vergoed?
4. Eiser betoogt dat de dienst ten onrechte geen inkomensschade van de partner van eiser heeft vergoed.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De dienst heeft overwogen dat de partner van eiseres vóór 2012 is gestopt met haar eigen onderneming. Daarna heeft zij in 2012 in loondienst gewerkt en in 2013 een uitkering ontvangen. Omdat eiser niet heeft onderbouwd waarom zijn partner niet kon werken, heeft de dienst geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat de partner van eiser een depressie heeft opgelopen als gevolg van het toeslagenschandaal en daarom niet kon werken. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat er een causaal verband is tussen de inkomensschade van zijn partner en het handelen van de dienst. De dienst heeft dan ook terecht geen compensatie verleend voor inkomensschade van de partner van eiser.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van compensatie voor de inkomensschade in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Ebbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
de rechter is buiten staat om
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ABRvS 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620, ro. 15.3.