ECLI:NL:RBGEL:2025:10774

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
ARN 24/8754
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke procedure omgevingsvergunning voor bedrijfsgebouw en woning

Deze uitspraak betreft een omgevingsvergunning die is verleend aan een derde-partij voor de bouw van een bedrijfsgebouw met een bedrijfswoning en berging. Eisers, bewoners van de nabijgelegen percelen, zijn het niet eens met deze vergunning en hebben beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 9 september 2025 de zaak behandeld. De rechtbank oordeelt dat het college de omgevingsvergunning onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank legt uit dat de vergunning in strijd is met de planregels van het bestemmingsplan en dat de belangen van de eisers niet voldoende zijn gewogen. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar van 22 november 2024 en draagt het college op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers. Tevens wordt het college veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eisers. De uitspraak benadrukt het belang van goede ruimtelijke ordening en de noodzaak voor het college om de belangen van omwonenden in acht te nemen bij het verlenen van omgevingsvergunningen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8754

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] , uit [plaats 1] , eisers

(gemachtigde: mr. R.J. Grasmeijer),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heumen

(gemachtigde: D. Immers en G. Aleksanjan).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] , uit [plaats 2] .

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning die is verleend aan de derde-partij voor het bouwen van een bedrijfsgebouw met bedrijfswoning en berging aan [locatie 1] , [locatie 2] en [locatie 3] te [plaats 1] . Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning onvoldoende heeft gemotiveerd. Het beroep is dus gegrond en eisers krijgen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de verlening van de omgevingsvergunning. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Het college heeft op 5 april 2024 een omgevingsvergunning verleend aan de derde-partij voor het bouwen van een bedrijfsgebouw met bedrijfswoning en berging. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt door eisers.
2.1.
In de beslissing op bezwaar van 22 november 2024 heeft het college het bezwaarschrift van eisers deels gegrond verklaard. De verleende omgevingsvergunning is in stand gebleven.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van de derde-partij.

Totstandkoming van de omgevingsvergunning

3. Door de derde-partij is op 4 september 2023 een aanvraag ingediend voor zowel de nieuwbouw van [locatie 1] als [locatie 4] te [plaats 1] . Dit betrof één gecombineerde aanvraag. [1] Op 1 november 2023 is deze aanvraag gewijzigd, waarbij de locaties [locatie 1] en [locatie 4] zijn losgekoppeld. [locatie 4] is doorgegaan onder het oorspronkelijke zaaknummer, met de oorspronkelijke aanvraagdatum van 4 september 2023. [locatie 1] is per 1 november 2023 een nieuwe, afzonderlijke aanvraag geworden. [2] De aanvraag van 1 november 2023 ziet enkel op de nieuwbouw van [locatie 1] (met de nieuwe adressen [locatie 2] - [locatie 3] - [locatie 5] ).
3.1.
Het college heeft op 5 april 2024 een omgevingsvergunning verleend aan de derde-partij voor het bouwen van een bedrijfsgebouw met bedrijfswoning en berging aan [locatie 1] , [locatie 2] en [locatie 3] te [plaats 1] . De ingediende aanvraag was in strijd met de planregels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Overasselt Werklandschap 2017, 1e fase”, omdat de aangevraagde bedrijfsactiviteiten niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten staan, de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens circa 0,1 meter is in plaats van de voorgeschreven 2,5 meter, de buitenberging ten behoeve van de woning gedeeltelijk buiten de aanduiding “bedrijfswoning” valt en het hekwerk met poort de maximale bouwhoogte van 2 meter overschrijdt met 0,1 meter. Om de omgevingsvergunning toch te kunnen verlenen is het college afgeweken van de planregels van het bestemmingsplan en heeft het college de omgevingsvergunning verleend met toepassing van een binnenplanse afwijking [3] en de kruimelgevallenregeling [4] . Tegen dit besluit is door eisers bezwaar gemaakt.
3.2.
In de beslissing op bezwaar van 22 november 2024 heeft het college het bezwaarschrift van eisers deels gegrond verklaard. Daarbij heeft het college toegelicht dat voor de berging met toepassing van artikel 4, onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) wordt afgeweken van de planregels (in plaats van met toepassing van onderdeel 9, zoals in het primaire besluit stond vermeld). De verleende omgevingsvergunning is voor het overige in stand gebleven.
3.3.
Op 14 december 2023 is het voorbereidingsbesluit Werklandschap [plaats 1] [5] genomen (hierna: voorbereidingsbesluit). In het voorbereidingsbesluit staat dat het verboden is om het vergunde gebruik van gronden en bouwwerken te wijzigen. Met het voorbereidingsbesluit wil het college ongewenste ontwikkelingen tegen gaan gelet op het nieuw vast te stellen bestemmingsplan.
3.4.
Op 27 december 2023 heeft de derde-partij de aanvraag gewijzigd. De goot- en nokhoogte zijn aangepast, het dakterras is vervangen door een balkon en het gevelaanzicht is gewijzigd.

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
3.1
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 1 november 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Beoordeling door de rechtbank

Is sprake van een ondergeschikte wijziging van het bouwplan?
5. Eisers stellen dat het college de wijzigingsaanvraag van de derde partij van 27 december 2023 had moeten aanmerken als een nieuwe aanvraag, en niet als een wijziging van de aanvraag van 1 november 2023. Volgens eisers is er namelijk geen sprake van een ondergeschikte wijziging van de aanvraag. Eisers voeren aan dat de verleende omgevingsvergunning daarom in strijd is met het voorbereidingsbesluit. Op grond van dat besluit kunnen aanvragen die na 14 december 2023 zijn ingediend niet worden verleend.
De beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is geen nieuwe aanvraag nodig als de wijziging van het bouwplan van ondergeschikte aard is. De vraag of sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard, moet per concreet geval worden beoordeeld in relatie tot het bouwplan. [6] Als de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan gesproken kan worden, moet een nieuwe aanvraag worden ingediend. Het bouwplan van 1 november 2023 zag enkel op de nieuwbouw van [locatie 1] . De wijziging van 27 december 2023 heeft dus alleen daarop betrekking. Uit de bouwtekeningen blijkt dat nokhoogte met een meter is verlaagd en de goothoogte met ongeveer 1,5 meter aan de zijde van eisers. Verder is in plaats van een dakterras een balkon opgenomen en de gevelindeling aangepast. De rechtbank overweegt dat deze wijzigingen geen zodanig grote gevolgen hebben voor de ruimtelijke uitstraling dat zij niet langer als ondergeschikt kunnen worden beschouwd. Gezien de omvang van de gebouwen, circa 9 meter hoog, 14 meter breed en 32 meter lang, en het feit dat de oppervlakte niet verandert, is er sprake van een wijziging van ondergeschikte aard. Ook de veranderingen in het gevelaanzicht zijn ondergeschikt en de ruimtelijke uitstraling blijft gelijk.
Staat het voorbereidingsbesluit aan de verlening van de vergunning in de weg?
6. Eisers stellen dat de vergunning niet verleend had mogen worden gelet op de achtergrond van het voorbereidingsbesluit. Zij stellen dat het voorbereidingsbesluit juist is genomen om deze specifieke ontwikkelingen tegen te houden.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat het voorbereidingsbesluit niet in de weg staat aan verlening van de omgevingsvergunning. De aanvraag is immers ingediend voor het moment dat het voorbereidingsbesluit werd genomen. Voor zover eisers stellen dat de achtergrond van het voorbereidingsbesluit wel betrokken had moeten worden bij de beoordeling en had moeten leiden tot een afwijzing van de aanvraag, deelt de rechtbank dat standpunt niet. Daarbij is van belang dat het college terecht heeft gesteld dat het voorbereidingsbesluit niets zegt over de types van bedrijven die gewenst of ongewenst zouden zijn en het college dus heeft terug kunnen vallen op het algemene beoordelingskader van artikel 3.5.1 van het bestemmingsplan en de vraag of een bedrijfsmatige activiteit qua aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen aan een bedrijf horende tot de op voorhand toegestane soorten en categorieën. Het college heeft in de beslissing op bezwaar toegelicht hoe die beoordeling is gemaakt en eiser heeft in beroep niet duidelijk gemaakt waarom deze niet juist is. De beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van een goede ruimtelijke ordening?
7. Eisers voeren aan dat in de omgevingsvergunning op meerdere punten is afgeweken van de planregels en dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Volgens eisers leiden de afwijkingen van de planregels tot een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat. Door te bouwen op de erfgrens verliezen zij zonlicht en uitzicht, en wordt onderhoud aan hun eigen bedrijfsgebouw aan die zijde onmogelijk.
7.1.
Het college stelt dat de afwijking beoordeeld moet worden in relatie tot wat al is toegestaan op basis van de bouwregels in de planregels. Dit is het plaatsen van een bedrijfsgebouw met goot- en bouwhoogte van 10 meter, met erachter gelegen, een bedrijfswoning met goothoogte van 6,5 meter en een bouwhoogte van 9 meter, op 2,5 meter vanaf de erfgrens. De bedrijfswoning mag op grond van artikel 3.2.1, onder e, van de planregels op de erfgrens staan, mits dit de belangen van derden niet onevenredig schaadt. Het bouwen van een berging tot de erfgrens is in afwijking van de planregels toegestaan, op grond van de kruimelgevallenregeling. [7] Bij de beoordeling heeft het college betrokken dat ook bij andere percelen, waaronder dat van eisers zelf, een afwijking voor bouwen tot de erfgrens zijn vergund. Ook heeft het college naar voren gebracht dat het afwijken voor het plaatsen van de berging niet in onevenredige mate kan bijdragen aan het wegnemen van licht of uitzicht, omdat – zo begrijpt de rechtbank het standpunt van het college – op grond van het bestemmingsplan op 2,5 meter van de erfgrens al een hoger gebouw zou zijn toegestaan.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening nu de bedrijfswoning met een goothoogte van 5 meter en de berging met een goothoogte van 3,5 meter in het bouwplan op de erfgrens komen te staan. In de motivering is namelijk onvoldoende onderkend dat over vrijwel de gehele lengte van het perceel op de erfgrens wordt gebouwd, waardoor eisers geen toegang meer zullen hebben tot de zijkant van hun eigen bedrijfsgebouw en een deel van hun bedrijfswoning. Hierdoor wordt het uitvoeren van regulier onderhoud, een inspectie en herstelwerkzaamheden ter plaatse vrijwel onmogelijk. Dat het eisers eerder zelf ook is toegestaan om bijna tot op de erfgrens te bouwen en dit zijn eigen keuze is, doet hier niet aan af. Bij de beoordeling daarvan was namelijk nog geen sprake was van het vrijwel tegen elkaar bouwen van gebouwen. Ook is niet uitgesloten dat het bouwen tot de erfgrens andere gevolgen voor de bezonning en het uitzicht heeft dan het bouwen van een groter gebouw op 2,5 meter van de erfgrens. Het college heeft dit ten onrechte niet onderkend terwijl het bestemmingsplan, voor zover het de bedrijfswoning betreft, voorschrijft dat de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad en voor alle gebouwen geldt dat sprake moet zijn van een goede ruimtelijke ordening.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het college een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van eisers met in achtneming van deze uitspraak. Mogelijk geeft deze uitspraak (ook) aanleiding om de aanvraag te wijzigen of een andere aanvraag in te dienen voor een gewijzigd bouwplan. De rechtbank zal daarom geen tussenuitspraak doen of zelf in de zaak voorzien.
8. Aangezien het beroep gegrond is veroordeelt de rechtbank het college in de volgende door eisers gemaakte proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde in de beroepsprocedure levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting) met een waarde per punt van € 907 en met een wegingsfactor 1. Totaal wordt toegekend € 1.814. Het college moet ook het door eisers betaalde griffierecht vergoeden. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de beslissing op bezwaar van 22 november 2024;
  • draagt het college op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,00 aan proceskosten aan eisers;
  • bepaalt dat het college het door eisers betaalde griffierecht van € 187,00 aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. van Oosterhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Onder zaaknummer W.Z23. 106906.01.
2.Onder zaaknummer W.Z23. 108333.01.
3.Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in samenhang met artikel 3.5.1., sub d (bedrijfsactiviteiten), artikel 3.3, sub a (situering), artikel 10.1, sub a en artikel 10.2, sub b (hekwerk met poort) van de planregels.
4.Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, j° Artikel 4, onderdeel 9, bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor); ook wel kruimelgevallenregeling genoemd.
5.Raadsbesluit ‘Voorbereidingsbesluit Werklandschap [plaats 1] ’ - 14 december 2023
7.Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, in samenhang met Artikel 4, negende lid, bijlage II van het Bor, ook wel kruimelgevallenregeling genoemd.