ECLI:NL:RBGEL:2025:10973

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
10757419 \ 23-7536
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Eindvonnis in geschil over servicekosten huur bedrijfsruimte tussen Foodhallen Arnhem B.V. en vennootschap onder firma

In deze zaak heeft de kantonrechter op 17 december 2025 een eindvonnis gewezen in een geschil tussen Foodhallen Arnhem B.V. en een vennootschap onder firma (vof) over servicekosten van een huurcontract voor bedrijfsruimte. De procedure volgde op een tussenvonnis van 29 januari 2025, waarin al enkele bindende beslissingen waren genomen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de vof in totaal € 22.765,62 aan servicekosten te weinig heeft betaald en heeft hen hoofdelijk veroordeeld tot betaling van dit bedrag. Daarnaast is de vof ook veroordeeld tot betaling van € 4.341,49 voor eindafrekeningen van gas, water en elektra over de jaren 2019/2020, en tot betaling van verbeurde boetes van € 6.600,00 en € 15.642,00 wegens het niet-tijdig betalen van servicekosten en het in gebruik geven van het gehuurde aan een derde zonder recht of titel. De kantonrechter heeft de huurovereenkomst ontbonden en een termijn van vier weken gesteld voor ontruiming. Tevens zijn de buitengerechtelijke incassokosten vastgesteld op € 1.268,49. De proceskosten zijn gecompenseerd, en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 10757419 \ CV EXPL 23-7536
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
FOODHALLEN ARNHEM B.V.,
gevestigd te Arnhem,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Foodhallen,
gemachtigde: mr. K. Klaasen,
tegen

1.DE (ONTBONDEN) VENNOOTSCHAP ONDER FIRMA [gedaagde in conv sub 1] ,

voorheen kantoorhoudende te [plaats] ,
2.
[gedaagde in conv sub 2 en 3] , IN ZIJN HOEDANIGHEID VAN (VOORMALIG) VENNOOT VAN [gedaagde in conv sub 1],
wonende te [plaats] ,
3.
[gedaagde in conv sub 2 en 3] , H.O.D.N. [gedaagde in conv sub 1],
wonende te [plaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna afzonderlijk te noemen: de vof en [gedaagden in conv sub 2 en sub 3] en samen te noemen: [gedaagden in conv] ,
gemachtigde: mr. M.J. Seijbel.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 januari 2025 (hierna: het tussenvonnis)
- de akte van [gedaagden in conv] van 25 februari 2025
- de akte van Foodhallen van 28 februari 2025
- de akte van Foodhallen van 12 maart 2025
- de akte van [gedaagden in conv] van 7 mei 2025 tevens inhoudende een wijziging van eis
- de akte van [gedaagden in conv] van 11 juni 2025.
1.2.
De datum van het vonnis is bepaald op vandaag. Bij afzonderlijk bericht zijn de gemachtigden hierover geïnformeerd.

2.De verdere beoordeling in conventie en in reconventie

Inleidende opmerkingen
2.1.
Zoals in het tussenvonnis al is overwogen, is de juridische discussie die betrekking heeft op de servicekosten gelijk aan de discussie die speelt in de rolgevoegde procedure tussen Foodhallen en [bedrijf 1] (10809566 \ CV EXPL 23-8512). In beide procedures wordt vandaag eindvonnis gewezen, waarbij de overwegingen ter zake de servicekostendiscussie (nagenoeg) gelijk zijn.
2.2.
In het tussenvonnis van 29 januari 2025 heeft de kantonrechter ten aanzien van een aantal vorderingen, waaronder de ontbinding van de huurovereenkomst, een bindende eindbeslissing genomen, waarop niet zomaar kan worden teruggekomen. In beginsel geldt dan ook dat hetgeen waarover al is beslist in het tussenvonnis, in dit eindvonnis niet opnieuw ter discussie staat. De kantonrechter blijft dan ook bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 29 januari 2025, met uitzondering van de servicekosten post: ‘ [bedrijf 14] ’ (zie hierna rov. 2.25). [gedaagden in conv] heeft de kantonrechter expliciet verzocht terug te komen op de overwegingen en de daarop gebaseerde eindbeslissingen in het tussenvonnis dat geen sprake is van contractsoverneming of indeplaatsstelling door [gedaagden in conv sub 2 en sub 3] . De kantonrechter ziet daartoe geen aanleiding. Op zichzelf wijst – overigens pas in de akte van 7 mei 2025 – [gedaagden in conv] terecht op de bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad ter zake het rechtskaraker van een vennootschap onder firma. [1] Uit deze jurisprudentie volgt dat een huurovereenkomst ‘met een vof’ dient te worden beschouwd als een huurovereenkomst met de gezamenlijke vennoten. De gezamenlijke vennoten zijn dus als huurder partij bij de huurovereenkomst. Dat betekent evenwel niet dat [gedaagden in conv sub 2 en sub 3] ook individueel als huurder heeft te gelden, zodat een contractsoverneming, laat staan een indeplaatsstelling, niet nodig zou zijn.
2.3.
[gedaagden in conv] heeft in haar akte van 7 mei 2025 verzocht tussentijds hoger beroep open te stellen tegen het tussenvonnis van 29 januari 2025. De kantonrechter ziet daarvoor in hetgeen [gedaagden in conv] heeft aangevoerd geen aanleiding. Bovendien zou het tussentijds openstellen van hoger beroep leiden tot een onredelijke vertraging van de procedure (artikel 20 Rv).
2.4.
[gedaagden in conv] heeft haar vordering in reconventie bij akte van 7 mei 2025 vermeerderd. De kantonrechter staat de eisvermeerdering toe, omdat dit een vermeerdering betreft van de reeds door haar gevorderde betaling van te veel betaalde servicekosten.
2.5.
In het hiernavolgende wordt allereerst de (her)berekening van de aan Foodhallen verschuldigde servicekosten beoordeeld. Vervolgens komen de handelwijze ten aanzien van het voorschot, de verbeurde boetes, de ontbinding van de huurovereenkomst en de overige ingestelde nevenvorderingen aan bod.
Promotiekosten
2.6.
In rov. 4.5.3 van het tussenvonnis is geoordeeld dat Foodhallen een te hoog bedrag aan servicekosten in rekening heeft gebracht, omdat zij kosten voor website(hosting) ( [bedrijf 2] ), social media ( [bedrijf 3] , [bedrijf 4] ), bedrukking ( [bedrijf 5] ), muziek ( [bedrijf 6] , [bedrijf 7] ), reclame ( [bedrijf 8] ) en bedrukte deurmatten ( [bedrijf 9] ) aan [gedaagden in conv] heeft doorberekend terwijl Foodhallen voor de bekostiging daarvan de promotiebijdrage moest aanwenden. Foodhallen heeft deze promotiekosten in de (eind)afrekening gecorrigeerd. [gedaagden in conv] heeft deze correctie niet weersproken, zodat wordt uitgegaan van de juistheid daarvan.
Kosten beveiligingspersoneel
2.7.
In rov. 4.5.8 van het tussenvonnis is geoordeeld dat Foodhallen ten onrechte de kosten voor het beveiligingspersoneel ( [bedrijf 10] ) heeft doorberekend aan [gedaagden in conv] . Foodhallen heeft deze kosten in de (eind)afrekening gecorrigeerd. [gedaagden in conv] heeft deze correctie niet weersproken zodat wordt uitgegaan van de juistheid daarvan.
Kosten servicepersoneel
2.8.
Overeenkomstig de overwegingen in rov. 4.5.9 tot en met 4.5.11 van het tussenvonnis geldt dat het aan Foodhallen is om inzichtelijk te maken welke medewerkers werkzaamheden hebben verricht voor de foodstands. Aangezien bij aanvang van de huurovereenkomst geen concrete afspraken zijn gemaakt over de wijze van inzet van medewerkers en de doorbelasting daarvan via de servicekosten, is voorstelbaar dat de wijze van doorbelasting een zekere fijnmazigheid en preciesheid ontbeert. Dat komt in zoverre voor rekening en risico van Foodhallen. Echter, dat kan niet betekenen dat in het geheel geen grondslag meer zou bestaan voor het doorbelasten van personeelskosten van het servicepersoneel en de daarop betrekking hebbende managers. Het standpunt van [gedaagden in conv] dat daarop neerkomt kan daarom niet worden aanvaard. Naar het oordeel van de kantonrechter is Foodhallen voldoende geslaagd in het leveren van de noodzakelijke feitelijke informatie teneinde de inzet van servicepersoneel te onderbouwen (hetgeen hierna zal blijken bij de bespreking van de afzonderlijke onderdelen van de kosten van het servicepersoneel). De door [gedaagden in conv] in de akte van 7 mei 2025 opgeworpen zaken maken dat niet anders.
2.9.
Hierna worden de drie onderdelen van de kosten van het servicepersoneel beoordeeld namelijk de kosten voor (i) de managers, (ii) voor het overig servicepersoneel en (iii) van de payrollorganisatie ‘ [bedrijf 11] ’.
(i)
Managers
2.10.
In rov. 4.5.10 van het tussenvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat Foodhallen inzichtelijk moet maken welke kosten zij door de jaren heen met betrekking tot de managers heeft doorbelast. Verder is geoordeeld dat Foodhallen deze kosten moet corrigeren, voor het deel dat de managers andere taken hebben dan het aansturen van het servicepersoneel.
2.11.
Foodhallen heeft in haar antwoordakte van 12 maart 2025 gemotiveerd toegelicht dat het serviceteam eigen managers heeft namelijk de ‘(floor)managers service’ zoals opgenomen op de door Foodhallen overgelegde roosters en in de floorplans. Van een overlap in taken met de managers van de bar is – anders dan in rov. 4.5.10 van het tussenvonnis – dan ook geen sprake. Er is een duidelijke splitsing. Ter onderbouwing verwijst Foodhallen naar de personeelsroosters waarin in ieder geval vanaf december 2022 een uitdrukkelijk onderscheid wordt gemaakt in de functie van Bar Floormanager (niet in de servicekosten) en ‘Floormanager Service’ (wel in de servicekosten). Een correctie op het salaris van de ‘(floor)managers service’, behoudens de kosten van de managers na 23.00 uur die Foodhallen reeds heeft gecorrigeerd, is dan ook niet aan de orde, aldus Foodhallen.
2.12.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagden in conv] dit onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Dat de managers
structureelzijn ingezet voor werkzaamheden die buiten de serviceplanning vallen blijkt niet uit de door Foodhallen overgelegde roosters en floorplans en ook niet uit de door [gedaagden in conv] als productie 39 overgelegde foto’s die overigens niet zijn voorzien van een concrete toelichting. Bovendien is in het tussenvonnis al geoordeeld dat het logisch en begrijpelijk is dat voor het omvangrijke serviceteam een manager is aangesteld.
2.13.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat Foodhallen voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze de ‘(floor)managers service’ worden ingezet. Deze kosten, anders dan de kosten voor de (floor)managers van de bar, kunnen worden doorberekend in de servicekosten op basis van de (in rov. 4.7.5 van het tussenvonnis als redelijk beoordeelde) verdeelsleutel. Naast de correctie voor de personeelskosten voor de managers na 23.00 uur, die reeds door Foodhallen is doorgevoerd, is een nadere correctie dan ook niet aan de orde.
(ii)
Overige servicepersoneel
2.14.
Ook ten aanzien van het overige servicepersoneel is de kantonrechter van oordeel dat Foodhallen voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze dit personeel wordt ingezet en dat deze kosten in de servicekosten kunnen worden doorberekend aan [gedaagden in conv] op basis van de (in rov. 4.7.5 van het tussenvonnis als redelijk beoordeelde) verdeelsleutel. Daarvoor is het volgende redengevend.
2.15.
Uit de door Foodhallen overgelegde roosters volgt dat vanaf 2020 onderscheid wordt gemaakt in barkeepers, bedrijfsleiders, afwassers en overig servicepersoneel. Vanaf 2022 zijn ook de floormanagers service en foodrunners als afzonderlijke functie opgenomen in de roosters. Verder heeft Foodhallen verwezen naar floorplans die vanaf medio 2021 worden gebruikt op vrijdag en zaterdag en bijzondere feestdagen. Op de floorplans wordt gespecificeerd wie welke functie met bijbehorend takenpakket die dag zal vervullen. De floorplans in combinatie met de roosters geven naar het oordeel van de kantonrechter een goed beeld van de taakverdeling binnen het serviceteam. Zo wordt onderscheid gemaakt tussen het personeel dat voor de foodstands werkt (foodrunners) en welk deel er voor de bar werkt (drankrunners). Foodhallen heeft bovendien steekproefsgewijs inzichtelijk gemaakt hoe de verdeling van de drankrunners binnen het serviceteam de afgelopen jaren is geweest. [gedaagden in conv] wordt dan ook niet gevolgd in haar verweer dat Foodhallen heeft betoogd dat de door haar ingezette servicemedewerkers uitsluitend werkzaamheden verrichten ten behoeve van de foodstands.
2.16.
[gedaagden in conv] wordt ook niet gevolgd in haar verweer dat Foodhallen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de loonverschillen tussen de functiegroepen. [gedaagden in conv] betrekt daar zelf ten onrechte het salaris van het barpersoneel bij, terwijl dit barpersoneel geen onderdeel uitmaakt van het serviceteam en dus ook geen onderdeel uitmaakt van de servicekosten. Bovendien geldt dat Foodhallen de volledige personeelskosten van het servicekostenteam na 23.00 uur heeft gecorrigeerd in de (eind)afrekeningen. Het verweer van [gedaagden in conv] dat Foodhallen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de openingstijden van de bar en keukens van de foodstands, wordt dan ook gepasseerd. Bovendien is het vanzelfsprekend dat na het sluiten van de keukens de werkzaamheden van het servicepersoneel niet direct eindigen. Immers, na de laatste serving moeten tafels nog worden afgeruimd en diverse schoonmaakwerkzaamheden worden verricht. Tot slot geldt dat de inzet van extra personeel een logisch gevolg is van stijgende omzetaantallen van de foodstands als gevolg van het succes van Foodhallen. Ook geldt dat de stijgende loonkosten vanaf 2021 (mede) worden verklaard door de aanzienlijke loonstijgingen in de Horeca CAO.
2.17.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat naast de correctie voor de personeelskosten voor de werkzaamheden na 23.00 uur, die reeds door Foodhallen is doorgevoerd en waarbij ook rekening is gehouden met het vakantiegeld, een nadere correctie niet aan de orde is.
(iii)
[bedrijf 11] (payroll)
2.18.
In rov 4.5.14 van het tussenvonnis is geoordeeld dat geen correctie aan de orde is ten aanzien van de kosten voor ingeleend servicepersoneel over de jaren 2019 en 2020 ( [bedrijf 11] payroll). In hetgeen door [gedaagden in conv] is aangevoerd in haar akte van 7 mei 2025 ziet de kantonrechter geen aanleiding om terug te komen op dit oordeel. Concreet betekent dit dat de kosten voor [bedrijf 11] payroll overeenkomstig de doorbelasting door Foodhallen gerechtvaardigd is.
Kosten klusjesman
2.19.
In rov. 4.5.15 van het tussenvonnis is geoordeeld dat Foodhallen de kosten van de klusjesman niet volledig aan [gedaagden in conv] mag doorberekenen. Naar aanleiding van dit oordeel heeft Foodhallen in haar (eind)afrekening de kosten van de klusjesman met 50% verminderd. [gedaagden in conv] heeft deze correctie niet weersproken zodat wordt uitgegaan van de juistheid daarvan.
Kosten [bedrijf 12]
2.20.
In rov. 4.5.17 van het tussenvonnis is geoordeeld dat de kosten voor de bestelapp [bedrijf 12] niet konden worden doorbelast aan [gedaagden in conv] . Foodhallen heeft haar (eind)afrekening met de kosten van [bedrijf 12] verminderd. [gedaagden in conv] heeft deze correctie niet weersproken zodat wordt uitgegaan van de juistheid daarvan.
Kosten [soort cadeaukaarten]
2.21.
Foodhallen heeft haar (eind)afrekening ook verminderd met de kosten voor de [soort cadeaukaarten] (rov. 4.5.19 van het tussenvonnis). [gedaagden in conv] heeft deze correctie niet weersproken zodat wordt uitgegaan van de juistheid daarvan.
Kosten spoelstraat (Hobart)
2.22.
In haar akte van 7 mei 2025 heeft [gedaagden in conv] de kantonrechter verzocht zijn oordeel ten aanzien van de kosten van de spoelstraat te herzien. De kantonrechter zal dit niet doen. [gedaagden in conv] houdt een onjuiste lezing aan van hetgeen in rov. 4.5.20 van het tussenvonnis is geoordeeld. Niet is geoordeeld dat de kosten van de spoelstraat via de servicekosten mogen worden doorbelast indien deze daadwerkelijk toerekenbaar zijn aan collectief gebruik en onderdeel uitmaken van het overeengekomen dienstenpakket. De kosten van de spoelstraat kunnen immers geheel worden doorbelast via de servicekosten. Artikel 5.1 van de huurovereenkomst geeft immers uitdrukkelijk een grondslag om de kosten die betrekking hebben op een centrale spoelstraat (beschikbaarstelling, onderhoud en vervangen) via de servicekosten door te belasten aan de huurders. In hetgeen [gedaagden in conv] heeft aangevoerd ziet de kantonrechter geen aanleiding om terug te komen op het oordeel in het tussenvonnis. De wijze van doorbelasting door Foodhallen van de kosten van de spoelstraat is, mede gezien haar aanvullende toelichting, in overeenstemming met de huurovereenkomst en in lijn met de oordelen uit het tussenvonnis.
Kosten [bedrijf 13]
2.23.
Naar aanleiding van het oordeel in rov. 4.5.21 van het tussenvonnis heeft Foodhallen de dubbele facturen van [bedrijf 13] in haar (eind)afrekening gecorrigeerd. [gedaagden in conv] heeft deze correctie niet weersproken zodat wordt uitgegaan van de juistheid daarvan.
Kosten afvalverwerking glas
2.24.
[gedaagden in conv] heeft de kantonrechter verzocht terug te komen op zijn oordeel in rov. 4.5.22 en 4.5.23 in het tussenvonnis. In hetgeen [gedaagden in conv] daartoe heeft aangevoerd ziet de kantonrechter daartoe echter geen aanleiding. Een correctie van de servicekosten op dit punt is niet aan de orde.
Kosten [bedrijf 14]
2.25.
De kantonrechter overweegt dat in rov. 4.5.24 en 4.5.25 van het tussenvonnis is geoordeeld dat Foodhallen niet gerechtigd is tot het doorbelasten van voedsel ten behoeve van de verzorging van personeelsmaaltijden. Alhoewel buiten de orde van de bewijslevering, is de kantonrechter met [gedaagden in conv] van oordeel dat Foodhallen in haar afrekening ten onrechte nog kosten als voornoemd doorbelast. Een marginale correctie is aan de orde. Deze correctie is voorgerekend door Foodhallen in punt 55 van haar antwoordakte in reconventie (€ 60,97 excl. btw (8% van € 762.14 excl. btw). De kantonrechter volgt Foodhallen niet in haar redenering dat een correctie reeds is doorgevoerd, omdat zij andere [bedrijf 14] -facturen, waar zowel voedsel ten behoeve van personeelsmaaltijden als andere producten op zijn meegenomen, volledig buiten beschouwing heeft gelaten. Dat is een eigen keuze van Foodhallen geweest, die niet afdoet aan het gegeven oordeel dat geen grondslag bestaat voor het doorbelasten van kosten voor personeelsmaaltijden. De kantonrechter overweegt dat een verdere correctie ten aanzien van de facturen van [bedrijf 14] niet aan de orde is. Met Foodhallen is de kantonrechter van oordeel dat andere zaken die door [gedaagden in conv] zijn aangevoerd niet kunnen leiden tot een correctie.
Schoonmaakkosten
2.26.
In rov. 4.5.28 en rov. 4.5.31 van het tussenvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat de schoonmaakkosten op twee punten gecorrigeerd moeten worden. Foodhallen heeft deze correcties doorgevoerd in haar (eind)afrekening. [gedaagden in conv] heeft deze correcties niet weersproken zodat wordt uitgegaan van de juistheid daarvan.
Kosten accountantskantoor
2.27.
In rov. 4.5.32 van het tussenvonnis is geoordeeld dat de kosten van het door Foodhallen ingeschakelde accountantskantoor niet mogen worden doorbelast aan [gedaagden in conv] . Foodhallen heeft haar (eind)afrekening op dit punt gecorrigeerd. [gedaagden in conv] heeft deze correctie niet weersproken zodat wordt uitgegaan van de juistheid daarvan.
Conclusie ten aanzien van de afrekening servicekosten
2.28.
Met inachtneming van hetgeen in het tussenvonnis en hiervoor is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagden in conv] in totaal € 22.765,62 (incl. btw) te weinig aan servicekosten heeft afgedragen. Dit bedrag is iets lager dan door Foodhallen in haar antwoordakte becijferd, omdat op het daarin genoemde bedrag nog in mindering strekt het bedrag van € 66,46 incl. btw in verband met de verrekening van de kosten van [bedrijf 14] (zie rov. 2.25). Dit betekent dat de kantonrechter de vordering in conventie onder I. zal toewijzen, in die zin dat de vof en [gedaagden in conv sub 2 en sub 3] hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot betaling van € 22.765,62.
2.29.
Foodhallen vordert in conventie onder II. betaling van € 4.341,49. Het betreft de eindafrekening gas, water en elektra over de jaren 2019/2020. Zoals volgt uit rov. 4.5.7 van het tussenvonnis, is [gedaagden in conv] gehouden deze eindafrekening te voldoen. De kantonrechter zal de vof en [gedaagden in conv sub 2 en sub 3] daarom hoofdelijk veroordelen tot betaling van € 4.341,49. De kantonrechter begrijpt dat Foodhallen [gedaagden in conv] aanvullend tegemoet is gekomen door met terugwerkende kracht over de jaren 2019 en 2020 een correctie door te voeren ten aanzien van de servicekostenafrekening. Deze correctie heeft betrekking op de doorbelasting van verschillende kostenposten die vallen onder de definitie ‘promotiekosten’. Ondanks dat binnen deze procedure niet de vraag voorligt of ten aanzien van de servicekosten over 2019 en 2020 een correctie moet worden toegepast, heeft Foodhallen zo’n correctie doorgevoerd in de totaalberekening van haar vordering in conventie onder I.
2.30.
Foodhallen heeft primair nog gevorderd dat de vof en [gedaagden in conv sub 2 en sub 3] worden veroordeeld tot betaling van de contractuele boete wegens te late betaling van de verschuldigde bedragen. Aangezien die primaire vordering toewijsbaar is (zie hierna), behoeven haar subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen tot betaling van de wettelijke (handels)rente geen bespreking meer.
Handelwijze ten aanzien van vaststelling voorschot
2.31.
In haar akte van 7 mei 2025 heeft [gedaagden in conv] de kantonrechter verzocht om in het eindvonnis duidelijke richtlijnen en verplichtingen op te nemen met betrekking tot de vaststelling van toekomstige voorschotten, het plegen van overleg met de huurders en de instelling van een onafhankelijke servicekostencommissie. De kantonrechter ziet hiervoor geen aanleiding. In de huurovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde algemene bepalingen is hiertoe reeds een regeling getroffen. Op basis van deze regeling heeft de kantonrechter in het tussenvonnis verschillende inleidende opmerkingen en vaststellingen gedaan. Het gaat de taak van de kantonrechter te buiten om verdergaande richtlijnen of verplichtingen op te leggen. Daar komt bij dat zodanige richtlijnen en verplichtingen zich lastig laten verhouden met het leerstuk van de ondeelbare rechtsverhouding. Het kan niet zo zijn dat ten opzichte van [gedaagden in conv] andere of aanvullende regels zouden gelden dan ten aanzien van de overige standhouders.
2.32.
Gezien de oordelen van de kantonrechter met betrekking tot verdere door [gedaagden in conv] voorgestane correcties, is niet gebleken dat de kennelijk door Foodhallen nieuwe voorschotbedragen servicekosten onredelijk zijn. Enig rechterlijk ingrijpen is aldus niet noodzakelijk. Verder geldt, zoals ook door Foodhallen terecht is betoogd, dat sprake is van voorschotten. Als de daadwerkelijke servicekosten die na afloop van een servicekostenjaar ten laste van [gedaagden in conv] gebracht kunnen worden, afwijken van de betaalde voorschotten zal een correctie moeten volgen. Ofwel [gedaagden in conv] moet bijbetalen, dan wel moet Foodhallen een bedrag terugboeken. De feitelijke jaarafrekening kan aanleiding geven tot aanpassing van het voorschotbedrag. Echter, dat is de bevoegdheid van Foodhallen.
Boetes
2.33.
In het tussenvonnis is in rov. 4.9.1 reeds overwogen dat [gedaagden in conv] vanaf 18 augustus 2023 boetes heeft verbeurd voor het niet tijdig voldoen van de servicekostenafrekeningen. Immers, [gedaagden in conv] heeft zich ten onrechte beroepen op opschorting. Verder is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagden in conv] boetes heeft verbeurd ten aanzien van het aan een derde in gebruik geven van het gehuurde zonder recht of titel.
2.34.
Bij haar akte van 12 maart 2025 heeft Foodhallen gespecificeerd dat de vof per 12 maart 2025 een bedrag van € 6.600,00 aan boetes heeft verbeurd vanwege het niet-tijdig betalen/opschorten van de servicekostenfacturen en eindafrekeningen. Verder heeft Foodhallen gespecificeerd dat de vof een bedrag van € 31.284,00 aan boetes heeft verbeurd vanwege het in gebruik geven van het gehuurde zonder recht of titel. Zij becijfert dit op basis van een bedrag van € 22.044,00 tot 14 augustus 2024 en een bedrag van € 9.240,00 (€ 44,00 per dag x 210 aanvullende dagen tot 12 maart 2025). Foodhallen heeft verder toegelicht dat zij de boetes hoofdelijk vordert van de vof en [gedaagden in conv sub 2 en sub 3] in zijn hoedanigheid van hoofdelijk verbonden vennoot van de vof. Zij vordert geen gecumuleerde boetes voor deze gedragingen. Het in gebruik geven van de foodstand aan [gedaagden in conv sub 2 en sub 3] zonder recht of titel (indeplaatsstelling) en de onterechte opschorting zijn twee verschillende, afzonderlijke beboetbare, gedragingen, aldus Foodhallen.
2.35.
[gedaagden in conv] heeft hierop niet meer gereageerd, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van de berekeningen van Foodhallen. De door Foodhallen gevorderde boetes van € 31.284,00 en € 6.600,00 komen in beginsel dan ook voor toewijzing in aanmerking.
2.36.
[gedaagden in conv] heeft een beroep op matiging gedaan. Zij heeft daartoe aangevoerd dat Foodhallen verwijtbaar heeft gehandeld bestaande uit de aanhoudende weigering om inzage te bieden in de verantwoording van de servicekosten en het verzenden van een opzegging van de huurovereenkomst na ontvangst van een verzoek daartoe. Verder voert zij aan dat zij altijd volledig te goeder trouw is geweest.
2.37.
Volgens vaste rechtspraak mag de rechter slechts van zijn bevoegdheid tot matiging (artikel 6:94 BW) gebruik maken indien toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Bij de beoordeling moet niet alleen worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. [2]
2.38.
De kantonrechter ziet geen aanleiding tot matiging van de verbeurde boetes die betrekking hebben op het niet-tijdig betalen/opschorten van de servicekostenfacturen en eindafrekeningen. Aangezien is geoordeeld dat pas een boete verschuldigd is na 18 augustus 2023, is reeds enige matiging toegepast. Een verdere matiging wordt door de billijkheid niet geëist. Daarbij betrekt de kantonrechter de omstandigheid dat vanwege de opstelling van [gedaagden in conv] , Foodhallen een aanzienlijk bedrag aan servicekosten ten onrechte moet voorfinancieren.
2.39.
Matiging is wel aan de orde ten aanzien van de verbeurde boetes wegens het aan een derde in gebruik geven van het gehuurde zonder recht of titel. Hiertoe is het volgende redengevend. De algemene bepalingen waarvan het boetebeding deel uitmaakt zijn op de huurmarkt voor bedrijfsruimte gebruikelijk. Voorts geldt dit boetebeding specifiek voor een concrete overtreding, namelijk de verboden onderverhuur of ingebruikgeving van het gehuurde aan een derde. Binnen het horecaconcept van de Foodhallen is het belangrijk, zo overweegt de kantonrechter, dat Foodhallen directe invloed heeft op de persoon van de huurder en specifiek op de te voeren foodstand. De verschillende foodstands binnen het horecaconcept dienen immers complementair aan elkaar te zijn. In zoverre is het boetebeding gerechtvaardigd. Echter, ook geldt dat partijen niet specifiek hebben onderhandeld over het boetebeding en dat de te verbeuren boete niet gemaximeerd is. Verder overweegt de kantonrechter dat geen van partijen inzicht heeft gegeven in de schade die Foodhallen heeft geleden door de overtreding door de vof. Niet voorstelbaar is dat Foodhallen een bedrag aan schade heeft geleden dat gelijk is aan het verbeurde boetebedrag. Ook geldt dat de lopende huursom (met uitzondering van de servicekosten) is voldaan en de foodstand die [gedaagden in conv sub 2 en sub 3] op dit moment exploiteert gelijk is aan het horecaconcept van de vof. Tot slot geldt dat in verband met de omvang van deze zaak, de doorlooptijd van deze gehele procedure aanzienlijk is geweest. Aangezien per dag een boete is verschuldigd, profiteert Foodhallen hier in enige mate van. Pas bij het tussenvonnis en in ieder geval met dit eindvonnis, is zekerheid gekregen dat in strijd is met de algemene bepalingen is gehandeld.
Gezien al het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat een boete die (i) is gebaseerd op een bedrag van € 44,00 per dag en (ii) vanwege de lange duur van deze kwestie, niet leidt tot een billijk resultaat. De billijkheid eist daarom matiging. De kantonrechter is van oordeel dat een billijkheidscorrectie van 50% is aangewezen. Daarom zal de kantonrechter bepalen dat de contractuele boete dient te worden gebaseerd op een bedrag van € 22,00 per dag. Een bedrag van € 15.642,00 is aldus aan contractuele boetes t/m 12 maart 2025 verbeurd.
2.40.
Aldus zal de kantonrechter de vof en [gedaagden in conv sub 2 en sub 3] hoofdelijk veroordelen tot betaling van € 6.600,00 en € 15.642,00. Overeenkomstig de vordering van Foodhallen, zal de kantonrechter de vof en [gedaagden in conv sub 2 en sub 3] ook hoofdelijk veroordelen tot betaling van een contractuele boete van € 22,00 per dag, gerekend vanaf 12 maart 2025, voor iedere dag dat het gehuurde aan een derde in gebruik is gegeven zonder recht of titel. Deze veroordelingen van [gedaagden in conv sub 2 en sub 3] vinden plaats in zijn hoedanigheid van vennoot van [gedaagden in conv] .
Ontbinding huurovereenkomst
2.41.
Zoals hiervoor is overwogen in rov. 2.2 komt de rechter niet terug op zijn eerder genomen beslissing over de ontbinding van de huurovereenkomst. De kantonrechter zal de huurovereenkomst daarom ontbinden. De termijn van ontruiming zal, zoals reeds overwogen in rov. 4.11.6 van het tussenvonnis, worden gesteld op vier weken na betekening van het eindvonnis
Opheffing beslag
2.42.
Foodhallen heeft beslag gelegd op de rekening van [gedaagden in conv] bij ING. [gedaagden in conv] heeft opheffing van het beslag gevorderd. De kantonrechter ziet daarvoor geen aanleiding. In dit vonnis wordt de vordering van Foodhallen (gedeeltelijk) toegewezen. Daarmee wordt het conservatoire beslag omgezet in een executoriaal beslag (artikel 704 Rv). Daar komt bij dat niet is gesteld of gebleken dat sprake is van andere verhaalsmogelijkheden. Gelet hierop vindt de kantonrechter dat het belang van Foodhallen bij handhaving van het beslag zwaarder weegt dan het belang van [gedaagden in conv] bij opheffing daarvan.
Buitengerechtelijke incassokosten
2.43.
Zoals is beslist in het tussenvonnis (rov. 4.15.3), worden de buitengerechtelijke incassokosten berekend conform het toepasselijke tarief van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het besluit). Gelet op het toe te wijzen gedeelte van de gevorderde hoofdsom van € 49.349,11, komt op grond van het besluit een bedrag van € 1.268,49 aan buitengerechtelijke incassokosten voor toewijzing in aanmerking. Dit bedrag wordt dan ook toegewezen. Dit bedrag is lager, dan door Foodhallen in haar nader gespecificeerde opgave is opgenomen. Dit laat zich enerzijds verklaren door een lagere hoofdsom die door de kantonrechter wordt toegewezen. Anderzijds geldt dat Foodhallen in het door haar gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten de btw heeft inbegrepen. De gevorderde btw is echter niet toewijsbaar, nu Foodhallen niet heeft gesteld geen ondernemer te zijn in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 of als ondernemer een vrijgestelde prestatie verricht te hebben.
2.44.
De gevorderde wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. Artikel 6:119a BW heeft alleen betrekking op de primaire betalingsverplichting uit een handelsovereenkomst. Een verplichting tot vergoeding van schade (zoals de buitengerechtelijke incassokosten) valt daar niet onder. Het artikel biedt dus geen grondslag voor toekenning van wettelijke handelsrente wegens vertraging in de voldoening van buitengerechtelijke incassokosten. Wel is de wettelijke rente van art. 6:119 BW toewijsbaar te berekenen vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening.
Hoofdelijkheid
2.45.
Verschillende veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Vordering reconventie
2.46.
De beslissing in conventie leidt ertoe dat de vorderingen in reconventie die zien op betalingen (van in de kern te veel betaalde servicekosten) worden afgewezen. Datzelfde geldt voor de daarmee samenhangende gevorderde verklaringen voor recht.
2.47.
Zoals in het tussenvonnis reeds is beslist wordt de verklaring voor recht dat de afrekening van de servicekosten dient te geschieden conform het in de huurovereenkomst in artikel 4 en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden in artikel 19 bepaalde systeem met voorschotbetalingen en jaarlijkse eindafrekening, toegewezen.
Proceskosten
2.48.
Omdat partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld worden de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Deze uitkomst is in lijn met rov. 4.16.1 van het tussenvonnis.
Uitvoerbaar bij voorraad verklaring
2.49.
Zoals in het tussenvonnis is overwogen, zal de beslissing tot ontbinding van de huurovereenkomst en de daarmee gepaard gaande ontruiming uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
2.50.
Bij akte van 28 februari 2025 heeft Foodhallen haar belang bij een uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de veroordeling in conventie gemotiveerd. Zij heeft gesteld dat zij een aanzienlijk debiteurenrisico loopt omdat het betalingsgedrag van [gedaagden in conv] nog steeds slecht is, waarbij de achterstand in servicekostendeclaraties verder is opgelopen tot een bedrag van € 52.935,08. Mede gelet op de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de ontbinding van de huurovereenkomst en [gedaagden in conv sub 2 en sub 3] voor zijn inkomen afhankelijk is van de omzet van [gedaagden in conv] , vreest Foodhallen dat hij zijn financiële middelen zal aanwenden voor het opzetten van een andere onderneming dan wel betaling van andere schuldeisers in plaats van de betaling van de vordering van Foodhallen.
2.51.
De kantonrechter is van oordeel dat er geen grond is om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De maatstaf voor het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een vonnis is of het belang van degene die een toewijzend vonnis (met veroordeling van de wederpartij) verkrijgt, zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij die in hoger beroep wil gaan en belang heeft bij behoud van de bestaande toestand op het rechtsmiddel is beslist. Gesteld nog gebleken is dat de belangen van [gedaagden in conv] in dit verband zwaarder wegen dan de belangen van Foodhallen. Daarbij neemt de kantonrechter in ogenschouw dat [gedaagden in conv] de achterstand in servicekostenbetalingen (kennelijk) nog verder heeft laten oplopen, de huurovereenkomst wordt ontbonden en [gedaagden in conv] het door haar gestelde restitutierisico aan de zijde van Foodhallen niet heeft onderbouwd. Mogelijke ingrijpende gevolgen van een eventuele executie, die moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt, staan op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
2.52.
Dit vonnis wordt dan ook uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met uitzondering van de verklaring voor recht, die zich naar haar aard hiervoor niet leent (artikel 233 Rv).

3.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
3.1.
ontbindt de huurovereenkomst met betrekking tot het gedeelte van de bedrijfsruimte gelegen aan [adres] , kadastraal bekend [kadastrale aanduiding] , met veroordeling van [gedaagden in conv] , althans [gedaagden in conv sub 2 en sub 3] in zijn hoedanigheid van vennoot van [gedaagden in conv] om binnen vier weken na de betekening van dit vonnis het gehuurde, met alle personen en zaken die zich daar bevinden te ontruimen en te verlaten en aldus ontruimd en verlaten te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van Foodhallen te stellen,
3.2.
veroordeelt [gedaagden in conv] en [gedaagden in conv sub 2 en sub 3] in zijn hoedanigheid van vennoot van [gedaagden in conv] hoofdelijk om aan Foodhallen te betalen een bedrag van € 22.765,62 incl. btw aan servicekostenfacturen,
3.3.
veroordeelt [gedaagden in conv] en [gedaagden in conv sub 2 en sub 3] in zijn hoedanigheid van vennoot van [gedaagden in conv] hoofdelijk om aan Foodhallen te betalen een bedrag van € 4.341,49 incl. btw ter zake eindafrekeningen 2019/2020,
3.4.
veroordeelt [gedaagden in conv] en [gedaagden in conv sub 2 en sub 3] in zijn hoedanigheid van vennoot van [gedaagden in conv] hoofdelijk om aan Foodhallen te betalen een bedrag van € 6.600,00 aan verbeurde boetes wegens het niet-tijdig betalen / opschorten van de servicekostenfacturen en eindafrekeningen,
3.5.
veroordeelt [gedaagden in conv] en [gedaagden in conv sub 2 en sub 3] in zijn hoedanigheid van vennoot van [gedaagden in conv] hoofdelijk om aan Foodhallen te betalen een bedrag van € 15.642,00 aan verbeurde boetes wegens het in gebruik geven aan een derde van het gehuurde zonder recht of titel, te vermeerderen met een boete van € 22,00 per dag voor iedere dag dat het verzuim voortduurt met ingang van 12 maart 2025, waarbij iedere ingetreden dag als een volle dag geldt,
3.6.
veroordeelt [gedaagden in conv] en [gedaagden in conv sub 2 en sub 3] in zijn hoedanigheid van vennoot van [gedaagden in conv] hoofdelijk om aan Foodhallen te betalen een bedrag van € 1.268,49 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening,
3.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen onder 3.1 tot en met 3.6 uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
3.8.
verklaart voor recht dat de afrekening van de servicekosten dient te geschieden conform het in de huurovereenkomst in artikel 4 en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden in artikel 19 bepaalde systeem met voorschotbetalingen en jaarlijkse eindafrekening,
zowel in conventie als in reconventie
3.9.
compenseert de proceskosten tussen partijen,
3.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.
34124 / 51588

Voetnoten

1.Onder meer: Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649.
2.HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638