ECLI:NL:RBGEL:2025:11078

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
AWB 24/4997
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de beëindiging van een fiscale eenheid vennootschapsbelasting en de vaststelling van een verliesbeschikking

In deze uitspraak van de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, wordt het beroep van belanghebbende, een vennootschap, tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had een aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2020 opgelegd met een belastbaar bedrag van nihil en een verliesbeschikking van € -174.530 vastgesteld. Belanghebbende had op 17 augustus 2021 verzocht om beëindiging van de fiscale eenheid met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2020. De rechtbank oordeelt dat het beëindigingstijdstip niet eerder kan liggen dan het moment waarop het verzoek om beëindiging is gedaan. Dit betekent dat de inspecteur terecht heeft aangenomen dat de fiscale eenheid tot stand is gekomen en dat de verliesbeschikking niet te laag is vastgesteld. De rechtbank wijst erop dat de wet niet toestaat dat een fiscale eenheid met terugwerkende kracht wordt beëindigd. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is, wat betekent dat belanghebbende ongelijk krijgt en geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt. De uitspraak is gedaan op 10 december 2025 en is aan partijen bekendgemaakt.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/4997

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van

in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 januari 2024.
De inspecteur heeft een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) 2020 opgelegd naar een belastbaar bedrag van nihil en gelijktijdig een verliesbeschikking genomen van € -174.530 (de verliesbeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de verliesbeschikking ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde en [persoon A] en namens de inspecteur [persoon B], [persoon C] en [persoon D].

Feiten

Op 4 december 2020 is namens belanghebbende en haar moedermaatschappij [naam moedermaatschappij] B.V. een verzoek fiscale eenheid voor de Vpb gedaan met als ingangsdatum 1 oktober 2020. De inspecteur is aan dit verzoek met dagtekening 11 december 2020 bij voor bezwaar vatbare beschikking tegemoet gekomen.
Belanghebbende heeft op 17 augustus 2021 in een e-mailbericht verzocht om de fiscale eenheid met ingang van 1 oktober 2020 ongedaan te maken.
Belanghebbende heeft op 12 mei 2022 aangifte Vpb voor het jaar 2020 gedaan naar een belastbare winst en tevens belastbaar bedrag van € -256.461.
In een e-mail van de inspecteur aan belanghebbende van 17 oktober 2022 staat onder meer:
“Bij het beoordelen van de aangifte vennootschapsbelasting 2020 van [belanghebbende] Bv zie ik dat u het standpunt inneemt dat de periode waarop de aangifte betrekking heeft het gehele jaar 2020 betreft en dat geen sprake is van opname in de fiscale eenheid vennootschapsbelasting van [naam moedermaatschappij] BV.
Zowel ik als mijn collega de heer [persoon E] hebben u vorig jaar laten weten dat het aangaan van een fiscale eenheid vennootschapsbelasting niet ongedaan gemaakt kan worden of kan worden genegeerd. ik ben daarom van plan om bij de aanslagregeling van de aangifte af te wijken. Ik zou u willen vragen het resultaat van [belanghebbende] over 2020 te splitsen in de eerste 9 maanden en de laatste 3 maanden van het jaar, zodat ik de aanslag juist kan vaststellen.”
5. In een e-mail van belanghebbende aan de inspecteur van 21 oktober 2022 staat onder meer:
“Wij stellen ons inderdaad en onveranderd op het standpunt dat geen fiscale eenheid Vpb tot stand is gekomen tussen [naam moedermaatschappij] BV ([naam moedermaatschappij])en [belanghebbende] BV ([belanghebbende]). Samengevat zijn wij van mening dat:
(…)
Op uw verzoek treft u in de bijlage een bij cliënt opgevraagde print aan van de Verlies & Winst rekening aan uit de financiële administratie van [belanghebbende] tot en met september 2020. Het resultaat tot en met september 2020 bedraagt negatief EUR 150.130,06, te vermeerderen met een liquidatieverlies van EUR 29.100 betreffende [belanghebbende] USA en te verminderen met een bedrag van EUR 4.700 wegens beperkt aftrekbare kosten. Totaal negatief (verlies) EUR 174.530,06 over de 1e 9 maanden van het jaar 2020.”
6. Met dagtekening 17 december 2022 is de definitieve aanslag Vpb 2020 met de daarbij behorende verliesbeschikking vastgesteld. Het tegen deze beschikking gerichte bezwaar is op 12 januari 2024 ongegrond verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

7. De rechtbank beoordeelt of de verliesbeschikking te laag is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
8. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de verliesbeschikking niet te laag heeft vastgesteld
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Bezwaar tegen de beschikking fiscale eenheid
9. Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat de inspecteur haar e-mail van 17 augustus 2021 aan had moeten merken als een buiten de bezwaartermijn ingediend bezwaarschrift tegen de afgegeven beschikking fiscale eenheid. Vervolgens had de inspecteur de gelegenheid moeten bieden de aan dat bezwaar klevende vormverzuimen te herstellen.
10. De rechtbank overweegt dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen de verliesbeschikking en dat zij vervolgens tegen de uitspraak op bezwaar die ziet op deze verliesbeschikking beroep heeft ingesteld. Deze zaak ziet daarom op die beschikking. De vraag of de inspecteur de e-mail van 17 augustus 2021 had moeten aanmerken als een (buiten de termijn ingediend) bezwaarschrift tegen de beschikking fiscale eenheid valt dan ook buiten het bereik van deze procedure. Ter zitting heeft de gemachtigde, hiermee geconfronteerd, desgevraagd verklaard dat deze stelling gezien moet worden ter onderbouwing van de overige stellingen van belanghebbende. De rechtbank zal daarom geen oordeel geven of de e-mail van 17 augustus 2021 als een bezwaar tegen de beschikking fiscale eenheid had moeten worden aangemerkt.
Fiscale eenheid
11. Belanghebbende stelt dat de voeging in een fiscale eenheid naar aanleiding van zijn verzoek van 17 augustus 2021 per 1 oktober 2020 ongedaan moet worden gemaakt. De mogelijkheid om op grond van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) een fiscale eenheid te vormen is een wettelijk recht. De beschikking fiscale eenheid beoogt op grond van de wetsgeschiedenis slechts rechtszekerheid te bieden en, onder omstandigheden, een beroep op rechtens door de beschikking gewekt vertrouwen. In die bepaling en de wetsgeschiedenis is niet expliciet geregeld of en wat het uiterste moment is waarop een verzoek om toepassing van artikel 15 van de Wet Vpb kan worden ingetrokken of gewijzigd. Evenmin is expliciet geregeld dat het is uitgesloten om een eenmaal, bij krachtens voor bezwaar vatbare beschikking, gehonoreerd verzoek in te trekken of te herzien, al dan niet na het verstrijken van de bezwaartermijn tegen de afgegeven beschikking fiscale eenheid Vpb. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst zij naar de arresten van de Hoge Raad van 28 april 2006 [1] en 1 december 2023 [2] . Uit het eerstgenoemde arrest volgt volgens belanghebbende dat een herziening van een door belastingplichtigen gemaakte keuze mogelijk is indien dit niet leidt tot een hogere aanslag, of indien een aanslag waarvoor de keuze relevant is nog niet onherroepelijk is geworden. Uit het als tweede genoemde arrest volgt dat een beschikking fiscale eenheid geen verplichting tot opvolging schept, ook wanneer die beschikking onherroepelijk vaststaat, tenzij de aanslag of verliesbeschikking van een of meer betrokkenen onherroepelijk vaststaat of als herziening of intrekking van de beschikking fiscale eenheid zou leiden tot een hogere aanslag. Verder sluit A-G Koopman in zijn conclusie van 28 juni 2024 [3] aan bij de conclusie van A-G Van Kalmthout van 29 augustus 2000. Volgens A-G Van Kalmthout behoren keuze- en wilsrechten niet aan verdergaande beperkingen te worden onderworpen dan waartoe de wet dwingt. In beginsel zou het daarom wel mogelijk (moeten zijn) om het verzoek te herzien of in te trekken. Verder verwijst belanghebbende naar de kennisgroepstandpunten van 12 februari 2021 [4] , 2 juli 2021 [5] en 28 december 2023 [6] .
12. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat met ingang van 1 oktober 2020 een fiscale eenheid tot stand is gekomen. Op grond van artikel 15, tiende lid, onderdeel h, van de Wet Vpb kan op gezamenlijk verzoek van belanghebbende en [naam moedermaatschappij] B.V. worden verzocht om de fiscale eenheid te beëindigen met ingang van een in het verzoek genoemde tijdstip. Het beëindigingstijdstip kan echter niet eerder liggen dan het tijdstip waarop het verzoek om beëindiging van de fiscale eenheid wordt gedaan. Uit het dossier volgt dat op 17 augustus 2021 voor het eerst is verzocht om beëindiging van de fiscale eenheid per 1 oktober 2020. Bij vaststelling van de verliesbeschikking voor het jaar 2020 is de inspecteur dus terecht ervan uitgegaan dat per 1 oktober 2020 belanghebbende was opgenomen in een fiscale eenheid met haar moedermaatschappij en vanaf dat moment de Vpb werd geheven bij de moedermaatschappij.
12. De door belanghebbende aangevoerde standpunten leiden niet tot een ander oordeel. Allereerst is tijdens de parlementaire behandeling van de voorloper van artikel 15, tiende lid, onderdeel h, van de Wet Vpb het volgende opgemerkt:
“De leden van de factie van de PvdA vragen waarom de belastingplichtige niet de mogelijkheid wordt geboden de fiscale eenheid op verzoek te verbreken met terugwerkende kracht tot het begin van het boekjaar. Evenals met betrekking tot een voeging ben ik van mening dat een beslissing over een ontvoeging een keuze voor de toekomst dient te zijn. Indien zou worden toegestaan dat de fiscale eenheid zou kunnen worden beëindigd met terugwerkende kracht tot het begin van het boekjaar, zouden de betrokken maatschappijen deze beslissing kunnen nemen wanneer de reeds gerealiseerde resultaten over het boekjaar daartoe aanleiding geven. Ook dan zou weer sprake zijn van een spel zonder nieten.” [7]
Anders dan de uitleg die belanghebbende voor ogen staat leidt de rechtbank uit de parlementaire geschiedenis af dat het juist niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een verbreking van een fiscale eenheid met terugwerkende kracht toe te staan.
14. De arresten waar belanghebbende naar verwijst zien op andere gevallen dan de onderhavige zaak en kunnen daarom evenmin tot een ander oordeel leiden. Het arrest van de Hoge Raad van 28 april 2006 ziet op het inmiddels vervallen artikel 1.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001. In die bepaling stond dat de gezamenlijke keuze van de belastingplichtige en een ander ongehuwde meerderjarige voor de kwalificatie als partner wordt gemaakt bij verzoek om voorlopige teruggaaf of bij aangifte. De Hoge Raad oordeelde in dat geval dat als uitgangspunt heeft te gelden dat op een gemaakte keuze niet meer kan worden teruggekomen als de aanslag onherroepelijk vaststaat. Deze zaak ziet echter op een andere bepaling uit een andere wet met een ander feitencomplex. In dit geval is op een verzoek van de belastingplichtige bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist, waarbij die beschikking inmiddels onherroepelijk vaststaat. Ook het arrest van 1 december 2023 ziet op een andere situatie. In die casus had de inspecteur positief beslist op een verzoek fiscale eenheid, terwijl niet aan de wettelijke voorwaarden was voldaan om een fiscale eenheid aan te gaan. In dat kader heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een beschikking fiscale eenheid een als toezegging op te vatten expliciete uitlating is die, onder omstandigheden, bij de betrokken belastingplichtigen het in rechte te beschermen vertrouwen wekt dat zij gezamenlijk een fiscale eenheid vormen. De door belanghebbende voorgestelde uitleg van dat arrest volgt de rechtbank daarom niet.
14. Met betrekking tot de conclusies van A-G Koopman en A-G Van Kalmthout herhaalt de rechtbank dat in dit geval artikel 15, tiende lid, van de Wet Vpb expliciet bepaalt dat een verzoek om beëindiging van een fiscale eenheid niet met terugwerkende kracht kan plaatsvinden. De conclusies waarnaar belanghebbende verwijst, die in het kader van andere rechtsvragen en andere bepalingen zijn gewezen, doen daar niet aan af.
14. Ten aanzien van de kennisgroepstandpunten waar belanghebbende naar verwijst overweegt de rechtbank als volgt. Het kennisgroepstandpunt van 12 februari 2021 ziet op de faciliteit van artikel 14a, derde lid, van de Wet Vpb en de kennisgroepstandpunten van 2 juli 2021 en 28 december 2023 hebben betrekking op de verbreking van de fiscale eenheid. In deze zaak gaat het om de bij de aanslag vpb 2020 genomen verliesbeschikking. Alleen al hierom kunnen deze standpunten die zien op de splitsing en fiscale eenheid en niet op een genomen verliesbeschikking in dit geval niet worden toegepast, noch kan daar vertrouwen aan worden ontleend.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende ongelijk krijgt. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, voorzitter, en mr. L.L. van Benthem en mr. W.E. van Asbeck, rechters, in aanwezigheid van mr. R. Zeldenrust, griffier. Uitgesproken op 10 december 2025. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
voorzitter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

4.Versienummer 20-206-0014.
5.Versienummer 20-206-0028.
6.KG:206:2023:10.
7.Kamerstukken II 2000/01, 26 854, nr. 6, p. 15.