ECLI:NL:RBGEL:2025:11150

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
ARN 24/2092
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43a WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag WAO-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak

Eiseres, die sinds 2001 een WAO-uitkering ontving wegens volledige arbeidsongeschiktheid, vroeg herbeoordeling aan wegens vermeende toename van beperkingen per 19 november 2021 en 9 juni 2022. Het UWV wees deze aanvragen af op basis van medisch onderzoek, waarbij werd geconcludeerd dat de nieuwe klachten niet voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak als de eerdere WAO-uitkering.

De rechtbank beoordeelde het bestreden besluit en stelde vast dat de fysieke klachten aan knieën, ellebogen, armen en rug niet gerelateerd zijn aan de ziekte van Crohn, die stabiel was volgens medisch onderzoek. Psychische klachten waren ook niet toegenomen ten opzichte van eerdere beoordelingen. De verzekeringsartsen motiveerden dit uitgebreid en de rechtbank vond deze motivering inzichtelijk en navolgbaar.

Eiseres kon geen medische stukken overleggen die haar standpunt ondersteunden dat sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit van het UWV. Eiseres kreeg geen recht op terugbetaling van griffierecht en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/2092

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. M.I. Bal),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: R.V. Gerritsen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiseres ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft bij het UWV een beoordeling toegenomen arbeidsongeschiktheid (Amber-beoordeling) aangevraagd met ingang van 19 november 2021 en 9 juni 2022. Het UWV heeft deze aanvragen met het besluit van 21 september 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 februari 2024 heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. Eiseres heeft gedurende gemiddeld 32 uur per week gewerkt als medewerker broodkamer in een verpleeghuis. Op 28 oktober 2000 is zij uitgevallen voor dit werk wegens psychische klachten. Het UWV heeft aan eiseres met ingang van 26 oktober 2001 een WAO-uitkering toegekend, omdat zij volledig arbeidsongeschikt wordt geacht. Eiseres is in de jaren 2002 tot en met 2005 een aantal keren medisch onderzocht door verzekeringsartsen van het UWV. De WAO-uitkering is telkens ongewijzigd voortgezet, omdat eiseres onveranderd arbeidsongeschikt wordt geacht.
3.1.
Het UWV heeft in 2020 besloten om de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres opnieuw te beoordelen. Het UWV heeft bij besluit van 18 februari 2020 vastgesteld dat eiseres met ingang van 19 april 2020 geen recht meer heeft op een WAO-uitkering, omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 23 september 2020 op het bezwaar van eiseres is dit standpunt gehandhaafd. Bij uitspraak van 28 april 2022 is het beroep door deze rechtbank gegrond verklaard, maar zijn de rechtsgevolgen in stand gelaten. [1] Bij uitspraak van 21 december 2023 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de uitspraak van de rechtbank bevestigd. [2]
3.2.
Eiseres heeft op 19 november 2021 en 25 juli 2022 een herbeoordeling aangevraagd wegens een toename van de arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak met ingang van respectievelijk 19 november 2021 en 9 juni 2022.
Totstandkoming van het (bestreden) besluit
4. Met het besluit van 21 september 2023 is de aanvraag van eiseres om een WAO-uitkering afgewezen. Aan het besluit ligt een medisch onderzoek van een verzekeringsarts ten grondslag. De verzekeringsarts concludeert naar aanleiding van het onderzoek in zijn rapport van 19 september 2023 dat geen sprake is van toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. De door eiseres overgelegde medische stukken geven geen onderbouwing voor toegenomen beperkingen. Uit de brief van 9 juni 2022 van de huisarts blijkt geen ander beeld dan uit de brief van de huisarts van 15 november 2019, welke is betrokken in de vorige procedure. Hoewel de huisarts in de brief van 9 juni 2022 spreekt over een wankel evenwicht, past dit binnen de eerdere beoordelingen. Uit de brieven van 1 mei 2019 en 21 juni 2021 van de MDL-arts [3] , volgt dat de ziekte van Crohn stabiel is. De brief van 2 juni 2021 van de GZ-psycholoog spreekt van een angststoornis, maar die was ook al bekend bij de eerdere beoordeling. Uit de brief van de GZ-psycholoog blijkt geen toename van psychische beperkingen sinds de vorige beoordeling in 2020. De primaire verzekeringsarts schrijft verder in zijn rapport dat eiseres tijdens het spreekuur geen evidente verslechtering kon aangeven van de aandoeningen waarvoor beperkingen waren aangenomen ten tijde van de beëindiging van de WAO-uitkering. De procedure rond de beëindiging van de WAO-uitkering, die op dit moment in hoger beroep aanhangig is, levert begrijpelijkerwijs veel stress en spanningen op. De claim van eiseres dat zij niet alleen naar buiten durft te gaan, resulteert niet in een dusdanige lijdensdruk dat zij behandeling hiervoor als prioriteit ziet. Eiseres heeft namelijk bij haar behandelend psycholoog aangegeven dat de somatische problemen in haar beleving op de voorgrond staan en eerst nog meer geadresseerd moeten worden, voordat er voldoende motivatie is om de vermijding te doorbreken. Eiseres benoemt tijdens het spreekuur dat zij pijn heeft in haar knieën, ellebogen, armen en rug, waarvoor zij Tramadol gebruikt. Hoewel dit nieuwe klachten zijn, komen die volgens de verzekeringsarts voort uit een andere ziekteoorzaak dan waarvoor zij eerder een WAO-uitkering heeft gehad. Resumerend kan volgens de verzekeringsarts niet worden geconcludeerd dat er ten aanzien van eiseres sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak per 9 juni 2022.
4.1.
Met het besluit van 22 februari 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Aan het besluit ligt een medisch onderzoek ten grondslag van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b). De verzekeringsarts b&b onderschrijft de overweging van de primaire verzekeringsarts dat er geen aanleiding is om toegenomen beperkingen aan te nemen op basis van de reeds bekende ziekteoorzaken.
Is sprake van een toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak?
Wat is het geschil?
5. Tijdens de zitting heeft eiseres bevestigd dat, hoewel er ook een Amber-melding is gedaan per 19 november 2021, enkel in geschil is de vraag of sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak per 9 juni 2022.
Wat vindt eiseres?
6. Eiseres betoogt dat er per 9 juni 2022 sprake is van (toegenomen) arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak. Eiseres ervaart nieuwe klachten: wisselend last van de knieën, ellebogen/armen en rug. Het is niet uit te sluiten dat deze klachten het gevolg zijn van de ziekte van Crohn. Eiseres weet niet wat anders de oorzaak zou moeten zijn. Het valt niet uit te sluiten dat de ziekte van Crohn de oorzaak is van haar lichamelijk klachten. Eiseres voert verder aan dat er is vastgesteld dat zij klachten zoals gespannenheid, veel stress, vergeetachtigheid, in- en doorslaapstoornissen, vermoeidheid en soms duizeligheid ervaart. Dergelijke klachten gaan niet gepaard met werkzaamheden onder gevaarlijke omstandigheden. Het is evident dat sprake is van toename in klachten. Er hadden meer beperkingen moeten worden aangenomen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren en dynamisch handelen.
Wat vindt het UWV?
7. Het UWV heeft verwezen naar de rapportages van de verzekeringsartsen en de overwegingen in het bestreden besluit.
Wat vindt de rechtbank?
8. In deze zaak is artikel 43a, eerste lid, van de WAO van toepassing. Dit artikel gaat over het toekennen van een WAO-uitkering aan iemand van wie eerder een WAO-uitkering vanwege afneming van arbeidsongeschiktheid is ingetrokken. In dit artikel staan de voorwaarden waar dan aan voldaan moet worden. De betrokkene moet 1) arbeidsongeschikt zijn en 2) die arbeidsongeschiktheid moet voortkomen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid waar eerder een WAO-uitkering voor is ontvangen. Verder 3) moet de arbeidsongeschiktheid zich hebben voorgedaan binnen vijf jaar na de intrekking en 4) de arbeidsongeschiktheid moet onafgebroken vier weken hebben geduurd. Dit zijn cumulatieve voorwaarden. Dat betekent dat aan al deze voorwaarden moet worden voldaan voordat er recht is op een WAO-uitkering.
8.1.1.
De eerste voorwaarde waar dus aan moet worden voldaan, is dat er sprake moet zijn van arbeidsongeschiktheid. Voor die beoordeling moet gekeken worden of sprake is van een toename van medische beperkingen. [4] Voor de vraag of er sprake is van een toename van de medische beperkingen van een betrokkene moet een vergelijking worden gemaakt van de medische beperkingen die golden ten tijde van de intrekking van de WAO-uitkering (in dit geval de situatie in februari 2020) en de medische beperkingen die zijn vastgesteld naar aanleiding van het verzoek om toekenning van uitkering in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid (de huidige procedure). [5]
8.1.2.
Uit de wet en de rechtspraak volgt verder dat de vraag of sprake is van toegenomen beperkingen voorafgaat aan de vraag waardoor deze worden veroorzaakt. Met andere woorden: eerst als de vraag of sprake is van toegenomen beperkingen positief is beantwoord, komt de vraag aan de orde of deze voortvloeien uit een andere of dezelfde ziekteoorzaak. [6]
8.2.
Naar aanleiding van het rapport van de primaire verzekeringsarts [7] en de toelichting van het UWV tijdens de zitting begrijpt de rechtbank het standpunt van (de verzekeringsartsen van) het UWV zo, dat weliswaar sprake is van toegenomen (fysieke) klachten aan de knieën, ellebogen, armen en rug, die mogelijk kunnen leiden tot extra beperkingen, maar dat deze klachten niet voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak. De rechtbank is van oordeel dat het UVW deze conclusie voldoende inhoudelijk heeft gemotiveerd. De verzekeringsarts b&b schrijft dat eiseres wisselend last heeft aan de knieën, ellebogen, armen en rug. Zij heeft daarvoor Tramadol van de huisarts gekregen. Wanneer en op basis van welk omschreven beeld weet zij niet. Dat deze klachten een gevolg zijn van de reeds bekende ziekte van Crohn, lijkt de verzekeringsarts b&b zeer onwaarschijnlijk; daar is geen enkele aanwijzing voor. Crohn is primair een darmziekte. Weliswaar kunnen daar secundair (tijdelijk) gewrichtsklachten bij optreden, maar daar is bij eiseres nooit sprake van geweest. In de situatie dat een relatie met Crohn verondersteld zou zijn, had het in de rede gelegen te interveniëren op het primaire ziektebeeld en niet te behandelen met een pijnstiller, die als bijwerking ook darmklachten kan geven. De stukken van de behandelende sector toeziend op Crohn geven geen enkele aanwijzing voor een toename van klachten of een opflakkering van het ziektebeeld; het tegendeel is veeleer het geval. Uit het meest recente stuk van de MDL-arts blijkt dat de ziekte klinisch, biologisch en endoscopisch in remissie is. De rechtbank acht deze motivering inzichtelijk en navolgbaar. Ook de huisarts schrijft in zijn brief van 9 juni 2022 (de datum in geding) dat wat betreft de ziekte van Crohn het beeld het afgelopen jaar stabiel is gebleven. Eiseres heeft geen medische stukken overgelegd die haar standpunt onderbouwen, dat de genoemde klachten voortvloeien uit de ziekte van Crohn en dus sprake is van dezelfde ziekteoorzaak. Wat de oorzaak van deze fysieke klachten dan wel is, valt, zoals de verzekeringsarts b&b terecht heeft opgemerkt, buiten de reikwijdte van deze Amber-beoordeling.
8.3.
Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat haar psychische klachten zijn toegenomen en daarom meer beperkingen aangewezen zijn, volgt de rechtbank eiseres daarin niet. De rechtbank acht allereerst van belang dat de psychische situatie van eiseres is betrokken in de procedure met betrekking tot de intrekking van de WAO-uitkering. De rechtbank heeft in de uitspraak van 28 april 2022 betrokken dat eiseres kwetsbaar is, stressgevoelig is en minder goed slaapt. Vanwege de verminderde stressbestendigheid zijn destijds beperkingen aangenomen in het persoonlijk en sociaal functioneren. De primaire verzekeringsarts schrijft in zijn rapport van 19 september 2023 dat de toegenomen spanningsklachten die eiseres ervaart begrijpelijk zijn, gezien de procedures waarin ze zit, maar dat niet geconcludeerd kan worden tot toegenomen beperkingen. De verzekeringsarts b&b beschrijft in zijn rapport van 21 februari 2024 dat de (huidige) psychisch getinte symptomatologie in essentie uitwisselbaar is met die welke ook op het spreekuur van 4 november 2019 is besproken. Dit komt naar het oordeel van de rechtbank overeen met de informatie van de huisarts, die in zijn brief van 9 juni 2022 schrijft dat in de periode van 2021 tot heden het klachtenbeeld op ongeveer hetzelfde niveau zit. De GZ-psycholoog schrijft in zijn brief van 2 juni 2021 dat eiseres minimaal vooruit is gegaan, zodat ook uit die informatie niet blijkt van toegenomen beperkingen. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsartsen op inhoudelijke overtuigende wijze hebben gemotiveerd dat er geen reden is voor het aannemen van extra beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. Er is daarom geen sprake van een toename van beperkingen uit dezelfde (psychische) ziekteoorzaak per datum in geding. Eiseres heeft geen medische stukken overgelegd die leiden tot een andersluidend oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep slaagt niet. Eiseres krijgt geen gelijk. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Ook bestaat er geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ARN 20/5296 (niet gepubliceerd).
3.MDL = Maag-Darm-Lever
4.CRvB 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4998.
5.CRvB 31 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1683.
6.CRvB 21 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8976.
7.Rapport van 19 september 2023, p. 10, bovenste alinea.