Volgens [verweerder] is het verzoek niet toewijsbaar. Zij heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd. Er is sprake van meerdere gewichtige redenen die zich verzetten tegen de bewijsverrichting. De ruiming (in 2001) is naar de omstandigheden en toepasselijke regels van destijds en op goede gronden door de overheid uitgevoerd. De ruiming is niet aan [verweerder] toe te rekenen. [verweerder] heeft (in 2003) gedaan wat van een behoorlijk handelend deskundige mocht worden verwacht, door destijds acceptabele analysemethoden toe te passen. Ten aanzien van het ene monster heeft [verweerder] niet volstaan met eiwitonderzoek, maar hij heeft ook uit een blaar in de kop van het betreffende kalf afkomstig DNA-materiaal onderzocht. Op basis daarvan is verwantschap vastgesteld. [verweerder] heeft geen beroepsfout gemaakt, en als dat wel zo zou zijn dan staat het causaal verband tussen de vermeende fout en de uitkomst van de beroepsprocedures niet vast. Bovendien was [verzoeker] in de beroepsprocedures niet eens partij.
Ook als ervan zou worden uitgegaan dat [verzoeker] (mede) appellant was in de beroepszaken bij het CBb die leidden tot de uitspraken van 22 januari 2009 en 18 januari 2022, kan hij als gevolg van de gestelde beroepsfout slechts schade hebben geleden indien de voor de appelanten nadelige uitkomst van die procedures is te wijten aan het rapport van [verweerder] . Dat is echter niet het geval. Anders dan [verzoeker] stelt, is de negatieve uitkomst van de beroepsprocedures niet het gevolg van het rapport van [verweerder] . Vaststaat dat sprake was van een MKZ-besmetting, wat aanleiding was voor de ruimingen. De uitkomst van de beroepsprocedures was onvermijdelijk. Het NFI-rapport, waarop Van den Brinkzijn stelling baseert dat het onderzoek door [verweerder] ondeugdelijk was, heeft in de beroepsprocedures bij het CBb ten volle meegespeeld en mede op basis van die informatie heeft het CBb in het nadeel van [verzoeker] beslist. Het is dan ook niet aannemelijk dat, als [verweerder] gerapporteerd had overeenkomstig het latere standpunt van het NFI, de uitkomst van de beroepsprocedures wel gunstig(er) voor [verzoeker] zou zijn. Weliswaar volgde het NFI [verweerder] niet in haar tussenconclusie, maar wél in haar eindconclusie, en daarop was de uitkomst van de beroepsprocedures gebaseerd. Als [verzoeker] meent dat ten onrechte MKZ is vastgesteld, dan moet hij zijn pijlen op de Staat richten in plaats van op [verweerder] .
In de gegeven omstandigheden is zodanig evident dat het uiteindelijk door [verzoeker] nagestreefde doel - het verkrijgen van schadevergoeding van [verweerder] - geheel buiten bereik ligt, dat er redelijkerwijs geen belang kan bestaan bij het gevraagde deskundigenbericht. Het is evident dat het perspectief op toewijzing van de door [verzoeker] beoogde schadevergoeding volstrekt illusoir is.
[verweerder] heeft in 2003 ervoor gekozen om het monster waarin geen DNA meer aanwezig was toch van enige waarde in het onderzoek te laten zijn, door de op dat moment nog relevante eiwitmethode te gebruiken. Dat is juist prijzenswaardig. Die methode laat zien dat de eiwitpatronen van alle monsters van het kalf identiek zijn en dat de eiwitpatronen van kalf en koe wijzen op een moeder-dochterrelatie. Dat de eiwitmethode volgens [naam 4] van het NFI verouderd was doet er niet aan af dat [verweerder] zijn conclusie met betrekking tot de zekerheid van 99,6% over de verwantschap van koe en kalf mede heeft gebaseerd op de monsters met DNA en dat [naam 4] alleen al op basis van de monsters met DNA die conclusie deelde. De DNA-analyses laten zien dat de geteste monsters van hetzelfde dier afkomstig zijn en dat kalf en koe op het bedrijf een moeder-dochterrelatie hebben. Zowel klinisch als diagnostisch is bewezen dat het onderzochte kalf besmet was en ook is bewezen dat het kalf geboren is uit de moederkoe van [verzoeker] . Deze conclusies zijn onderschreven door het NFI. De bloedeiwitanalyses onderschrijven deze conclusies, maar zijn voor de conclusie niet noodzakelijk. Het verder ter discussie stellen c.q. verder door een deskundige laten beoordelen van de waarde van de eiwitanalyses heeft geen enkele toegevoegde waarde in de waarheidsvinding ten aanzien van de MKZ-crisis.
In ieders belang moet een dergelijke kostbare en tijdrovende exercitie (‘onmogelijke missie’) voorkomen worden.
In het algemeen geldt dat een mogelijke vordering op een gerechtelijk deskundige een behoorlijke substantie zal moeten hebben, wil het gerechtvaardigd zijn om hem/haar te belasten met een gerechtelijk onderzoek naar die vordering. Het onderhavige verzoek heeft een dergelijke substantie niet. Toewijzing van een verzoek als het onderhavige kan een afschrikwekkende werking hebben voor toekomstige deskundigen, wat een probleem voor een goede rechtsbedeling kan worden; het is onwenselijk dat gerechtelijk deskundigen te lichtvaardig belast kunnen worden met tegen hen gerichte maatregelen door personen voor wie hun bevindingen onwelgevallig zijn. [verzoeker] heeft bij zijn verzoek geen belang, althans weegt zijn belang niet op tegen de bij afwijzing van het verzoek gestelde belangen.
[verzoeker] maakt misbruik van bevoegdheid, omdat de kans dat een voorlopig deskundigenbericht in relevante mate zal bijdragen aan enige door [verzoeker] tegen [verweerder] op te tuigen rechtszaak zodanig gering is ten opzichte van de last die dit vormt voor [verweerder] , dat [verzoeker] in redelijkheid niet tot een zodanige bevoegdheidsuitoefening kan komen. Hierbij komt dat [verweerder] zich, gelet op het feiten- en tijdsverloop tussen het rapport uit 2003 en de aansprakelijkstelling in 2021, in een eventuele bodemprocedure met succes op verjaring zal kunnen beroepen.
Naast het voorgaande is ook het niet verschaffen van voldoende duidelijkheid (ex artikel 21 Rv) door [verzoeker] over al dan niet (mede) door hem gevoerde beroepsprocedures, relevant in het kader van de wettelijke afwijzingsgronden, waaronder strijd met de goede procesorde.
Als wel een deskundige wordt benoemd, dan moeten de door [verzoeker] voorgestelde (onjuiste, niet relevante dan wel juridische) onderzoeksvragen worden aangepast en moet niet een van de door [verzoeker] voorgestelde (niet-onafhankelijke) deskundigen worden benoemd. Voor het geval een deskundige wordt benoemd, heeft [verweerder] een aantal deskundigen voorgedragen. Niet valt in te zien waarom [verweerder] , in afwijking van het (wettelijk) uitgangspunt, de helft van het voorschot op de deskundigenkosten zou moeten voldoen. [verweerder] verzoekt [verzoeker] in de proceskosten te veroordelen.