ECLI:NL:RBGEL:2025:11358

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 november 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
11917678 \ VV EXPL 25-177
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Mondelinge uitspraak in kort geding over loonvordering en verrekening tussen werknemer en werkgever

Op 3 november 2025 heeft de kantonrechter van de Rechtbank Gelderland in Arnhem een mondelinge uitspraak gedaan in een kort geding tussen een werknemer en zijn werkgever, DVR Solutions BV. De werknemer, bijgestaan door mr. J.C. Bender, vorderde betaling van achterstallig loon over juli en augustus 2025, vakantiegeld en buitengerechtelijke incassokosten. De werkgever, vertegenwoordigd door mr. C.L. Kock, voerde aan dat verrekening van bedragen mogelijk was, maar dit werd door de kantonrechter verworpen. De kantonrechter oordeelde dat de werknemer recht had op betaling van het loon en vakantiegeld, en dat de wettelijke verhoging en rente vanaf 1 september 2025 moesten worden toegewezen. De kantonrechter wees de vordering tot verrekening van de werkgever af, omdat deze niet voldoende onderbouwd was. De uitspraak resulteerde in een veroordeling van de werkgever tot betaling van de gevorderde bedragen, met compensatie van proceskosten, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt. De kantonrechter benadrukte het spoedeisend belang van de werknemer bij de vorderingen, gezien het feit dat het om loon ging dat noodzakelijk is voor het dagelijks levensonderhoud.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11917678 \ VV EXPL 25-177
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 3 november 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.C. Bender,
tegen
DVR SOLUTIONS BV,
gevestigd te Velp,
gedaagde partij,
hierna te noemen: DVRS,
gemachtigde: mr. C.L. Kock.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Arnhem.
De zaak wordt behandeld door mr. E.W. de Groot, kantonrechter, bijgestaan door
mr. J.V.R. van Raaij als griffier.
Aanwezig zijn:
- [eiser] , bijgestaan door mr. Bender van DAS
- [naam 1] namens DVRS, bijgestaan door mr. Kock.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1.De beslissing

De kantonrechter
rechtdoende als voorzieningenrechter,
1.1.
veroordeelt DVRS tot betaling aan [eiser] van:
  • het loon over juli 2025 van € 3.127,00 bruto en het loon over augustus 2025 van € 3.127,00 bruto,
  • het vakantiegeld over de periode 1 juni 2025 tot 1 september 2025 van € 750,48 bruto,
  • de wettelijke verhoging over voormelde bedragen van € 1.400,90 bruto,
alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2025 tot het moment dat volledig is betaald,
1.2.
veroordeelt DVRS om aan [eiser] te overleggen een deugdelijke bruto/netto specificatie van de betalingen waartoe zij in 1.1. wordt veroordeeld,
1.3.
veroordeelt DVRS tot betaling aan [eiser] van een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 962,28,
1.4.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
1.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
1.6.
wijst af wat meer of anders is gevorderd.

2.De beoordeling

2.1.
De kantonrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
Het spoedeisend belang
2.2.
Het spoedeisend belang dat [eiser] heeft bij de vorderingen tot betaling van achterstallig loon over juli en augustus 2025, de vakantiebijslag opgebouwd over de periode 1 juni tot en met 1 september 2025 en de vordering ter zake overuren en vakantiegeld vloeit voort uit de aard van die vorderingen. Het betreft immers loon, bedoeld voor het dagelijkse levensonderhoud. Dat [eiser] aansluitend aan het dienstverband bij DVRS een nieuwe baan heeft gevonden waaruit hij inkomsten verwerft, doet daaraan, anders dan DVRS heeft aangevoerd, niet af.
Hoewel de nevenvorderingen ter zake de wettelijke verhoging, rente en buitengerechtelijke incassokosten op zichzelf niet spoedeisend zijn, worden deze om proceseconomische redenen en vanwege hun verbondenheid aan de wel spoedeisende vorderingen, in de beoordeling meegenomen.
Het loon over juli en augustus 2025 en het vakantiegeld
2.3.
Vast staat dat DVRS het salaris over juli en augustus 2025 niet, laat staan tijdig, heeft voldaan. Verrekening, voor zover DVRS daar een beroep op zou kunnen doen, mag immers, met uitzondering van de vorderingen als genoemd in artikel 7:632 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), alleen plaatsvinden aan het einde van de arbeidsovereenkomst. DVRS had in juli en augustus 2025 het loon op tijd, derhalve op de gebruikelijke betaaldata die voor einde dienstverband lagen, moeten betalen aan [eiser] . Daarnaast heeft [eiser] recht op de vakantiegeld over de periode juni tot en met augustus 2025.
De overuren
2.4.
[eiser] heeft de overuren weliswaar aan de hand van een eigen administratie onderbouwd, maar de juistheid daarvan is door DVRS gemotiveerd bestreden. Daarnaast heeft DVRS een beroep op verrekening gedaan (waarover hierna meer in r.o. 2.5.).
Nu een deugdelijke administratie ter zake overuren lijkt te ontbreken, is naar zich laat aanzien nader bewijs nodig. Dat kan niet in kort geding. Daarom leent dit deel van de vordering zich, gelet op de omvang van de discussie, niet voor beoordeling in kort geding en zal deze om die reden worden afgewezen.
Beroep op verrekening door DVRS
2.5.
Het door DVRS gedane beroep op verrekening wordt afgewezen. DVRS beroept zich er op dat zij een bedrag van € 7.783,70 bruto ter zake teveel genoten vakantie-uren, bestaande min-uren (omdat [eiser] minder uren heeft gewerkt dan overeengekomen) en niet gewerkte maar wel verloonde uren in verband met de door hem, met toestemming van DVRS en door DVSR betaalde, gevolgde studie.
[eiser] heeft deze beweerdelijke (tegen)vorderingen van DVRS gemotiveerd betwist. DVRS heeft in deze procedure geen deugdelijke administratie overgelegd, hoewel dat wel op haar weg ligt als werkgever. Gelet op de tussen partijen ter zake het verlofsaldo, min-uren en studie-uren bestaande discussie geldt ook hiervoor dat nadere bewijslevering noodzakelijk zal zijn. De beweerdelijke tegenvorderingen van DVRS zijn vooralsnog niet voldoende aannemelijk geworden om het verweer op verrekening in kort geding te honoreren. Het beroep van DVRS op verrekening wordt daarom verworpen.
2.6.
Dat betekent dat DVRS wordt veroordeeld tot betaling van het loon over de maanden juli en augustus 2025 van € 3.127,00 bruto per maand en de vakantietoeslag over de periode 1 juni 2025 tot 1 september 2025 van € 750,48 bruto en wordt de vordering ter zake overuren afgewezen.
De wettelijke verhoging
2.7.
De wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW is een sanctie op niet tijdige betaling van het loon en is bedoeld als prikkel voor de werkgever om het loon op tijd te betalen, zodat de werknemer tijdig over het loon kan beschikken. De rechter kan, rekening houdend met de omstandigheden van het geval, de verhoging beperken tot ieder bedrag dat hij billijk vindt en deze zelfs op nihil stellen. In dit geval ziet de kantonrechter, gelet op de discussie tussen partijen over de door [eiser] gemaakte uren en de slechte financiële positie van DVRS, aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 20%. Dit resulteert in een bedrag van € 1.400,90 bruto. DVRS wordt tot betaling daarvan veroordeeld. Voor het meerdere wordt de vordering ten aanzien van de wettelijke verhoging afgewezen.
De wettelijke rente
2.8.
De wettelijke rente is gevorderd vanaf 1 september 2025 en zal daarom vanaf die datum worden toegewezen. Over de hiervoor toegewezen bedragen ter zake loon en vakantiebijslag. Voor matiging van de wettelijke rente zoals door DVRS is verzocht is geen grondslag.
De bruto/netto specificaties
2.9.
Over de uit te betalen bedragen dient DVRS deugdelijke bruto/netto specificaties te overleggen aan [eiser] . De daarop gerichte vordering van [eiser] zal daarom worden toegewezen. De kantonrechter gaat ervan uit dat DVRS zich houdt aan hetgeen waartoe zij in deze uitspraak wordt veroordeeld en zal daarom de gevorderde dwangsom afwijzen.
De buitengerechtelijke incassokosten2.10. Omdat gebleken is dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en deze naar het oordeel van de kantonrechter wel degelijk meer omvatten dan het opstellen van incassobrieven of het voorbereiden van de procedure, zal de kantonrechter de gevorderde incassokosten toewijzen, met dien verstande dat zij deze kosten op basis van de toe te wijzen bedragen van in totaal € 8.405,38 heeft berekend op een bedrag van € 962,28. Voor het matigen van dit bedrag, zoals DVRS heeft betoogd in verband met haar slechte financiële situatie, ziet de kantonrechter geen reden.
De proceskosten2.11. Omdat beide partijen deels in het gelijk, deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gemotiveerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. E.W. de Groot en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.