In deze kortgedingprocedure vordert de werknemer betaling van achterstallig loon over juli en augustus 2025, vakantiegeld over de periode juni tot en met augustus 2025, wettelijke verhoging, rente en buitengerechtelijke incassokosten. De werkgever DVRS betwist de vordering en voert onder meer verrekening aan wegens vermeend teveel genoten vakantie-uren, min-uren en studie-uren.
De kantonrechter oordeelt dat het loon over juli en augustus 2025 niet tijdig is betaald en dat verrekening slechts aan het einde van het dienstverband is toegestaan, waardoor het beroep op verrekening wordt verworpen. De vordering tot betaling van overuren wordt afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van een deugdelijke administratie.
De wettelijke verhoging wordt gematigd tot 20% wegens de discussie over uren en de financiële situatie van DVRS. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 1 september 2025. Tevens wordt DVRS veroordeeld tot het overleggen van bruto/netto specificaties en tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.