ECLI:NL:RBGEL:2025:11452

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
C/05/441461 / HA ZA 24-485
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging van betalingen aan gelieerde onderneming in faillissement

In deze zaak heeft de rechtbank Gelderland op 17 december 2025 uitspraak gedaan in een faillissementskwestie waarbij de curator, mr. Steven Robin Effting, vorderingen heeft ingesteld tegen Royal Enterprise Transport B.V. (RET). De curator vorderde de vernietiging van betalingen die de gefailleerde, [naam 1], tussen 9 juni 2023 en 9 september 2023 aan RET had gedaan, ter waarde van € 201.304,09. De curator stelde dat deze betalingen paulianeus waren, omdat ze de schuldeisers van de gefailleerde benadeelden. De rechtbank oordeelde dat zowel aan de vereisten van artikel 42 als artikel 47 van de Faillissementswet was voldaan, wat betekent dat de betalingen konden worden vernietigd. De rechtbank concludeerde dat de gefailleerde en RET wisten of behoorden te weten dat de betalingen de schuldeisers benadeelden, en dat de curator recht had op terugbetaling van het bedrag. RET werd veroordeeld tot terugbetaling van het ontvangen bedrag en moest ook de proceskosten vergoeden. De rechtbank benadrukte dat de wettelijke rangorde tussen de schuldeisers niet in acht was genomen door de betalingen aan RET, wat leidde tot een doorbreking van de paritas creditorum.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/441461 / HA ZA 24-485
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
mr. STEVEN ROBIN EFFTING,
in hoedanigheid van curator in het faillissement van
[naam 1], voorheen handelend onder de naam
[bedrijf 1]en
[bedrijf 2],
kantoorhoudende te Arnhem,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. T.S.V. Bron,
tegen
ROYAL ENTERPRISE TRANSPORT B.V.,
statutair gevestigd te Nijmegen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: RET,
advocaat: mr. H.E. ter Horst.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 15 januari 2025
- het bericht van 29 januari 2025 van de curator met een nieuwe versie van productie 7 bij dagvaarding
- het (verkort) proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 18 juni 2025, waarbij door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Na sluiting van de mondelinge behandeling is bepaald dat vonnis wordt gewezen.

2.De feiten

2.1.
[naam 1] (hierna eerst: [naam 1] , daarna: gefailleerde) exploiteerde vanaf april 2016 twee eenmanszaken, te weten [bedrijf 1] en [bedrijf 2] .
2.2.
[bedrijf 2] was een transportonderneming gericht op het verzamelen en bezorgen van (voornamelijk) pakketpost. Voor het uitvoeren van deze werkzaamheden maakte [bedrijf 2] gebruik van vervoerders (ZZP-ers). [bedrijf 2] was gevestigd aan de [adres en plaats] , waar zij een pakketpunt voor onder andere DHL en PostNL verzorgde. Opdrachtgevers van [bedrijf 2] waren onder andere DHL en Packs Special Care B.V. (hierna: Packs).
2.3.
Op 24 september 2021 heeft [naam 1] een groep van vennootschappen opgericht. Allereerst werd [naam 1] op die datum enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 3] (hierna: de Holding). De Holding werd op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 4] en [bedrijf 4] hield vanaf diezelfde datum alle aandelen in de eveneens op of omstreeks voormelde datum opgerichte [bedrijf 1] en RET.
2.4.
RET is een transportbedrijf en houdt zich bezig met goederenvervoer over de weg (geen verhuizingen). RET is vanaf 1 oktober 2023 gevestigd op hetzelfde adres als [bedrijf 2] voorheen, te weten de [adres en plaats] .
2.5.
Op 24 januari 2023 heeft de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de Weg (hierna: het pensioenfonds) bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend tot faillietverklaring van [naam 1] . Het pensioenfonds had op dat moment een vordering op [naam 1] van € 57.823,61.
2.6.
Op 17 april 2023 heeft [naam 1] bij de rechtbank een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen (hierna: WSNP).
2.7.
Hangende de behandeling van dat verzoek heeft [naam 1] op 3 mei 2023 zijn aandelen in de Holding voor € 5.000,00 overgedragen aan zijn moeder, [naam 2] . Met ingang van die datum is de moeder van [naam 1] enig aandeelhouder en direct bestuurder geworden van de Holding en daarmee ook (indirect) aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 4] [bedrijf 1] en RET.
2.8.
Vanaf mei 2023 zijn de activiteiten in [bedrijf 2] gestaakt en is RET de vervoerswerkzaamheden gaan verrichten.
2.9.
Op 28 augustus 2023 is [naam 1] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om tot de WSNP te worden toegelaten.
2.10.
De eenmanszaak [bedrijf 2] is op 18 september 2023 bij de Kamer van Koophandel uitgeschreven.
2.11.
Op 26 september 2023 is op het (op dat moment nog steeds aanhangige) verzoek van het pensioenfonds het faillissement van [naam 1] uitgesproken, met benoeming van mr. Effting tot curator.
2.12.
In de periode van 9 juni 2023 tot en met 9 september 2023 heeft gefailleerde van DHL en Packs diverse betalingen ontvangen met een totaalbedrag van € 293.052,78. In diezelfde periode is vanaf de bankrekening van gefailleerde een totaalbedrag van € 201.304,09 overgeschreven naar de bankrekening van RET.
2.13.
Bij brief van 8 mei 2024 aan RET heeft de curator de vernietiging van de hierboven besproken overschrijvingen van gefailleerde naar RET ingeroepen vanwege paulianeus handelen. De advocaat van RET heeft de stelling dat de betalingen paulianeus waren van de hand gewezen bij brief van 16 juli 2024. Volgens de advocaat van RET betreffen de overschrijvingen betalingen wegens het uitvoeren van transportactiviteiten door haar voor gefailleerde om gefailleerde in staat te stellen contracten met derden na te komen.
2.14.
De curator heeft bij e-mailbericht van 17 juli 2024 zijn vorderingen gehandhaafd. Tot zekerheid van verhaal van zijn vordering namens de boedel op RET heeft de curator, na verkregen verlof van de rechtbank op 22 juli 2024, conservatoir derdenbeslag laten leggen onder ABN Amro en [bedrijf 4]
2.15.
Op 3 september 2024 heeft een partijbespreking bij de rechter-commissaris plaatsgevonden waarbij de curator, gefailleerde en zijn moeder aanwezig waren. Gefailleerde heeft daarop nog nadere administratie aangeleverd.
2.16.
De schuld van gefailleerde aan het pensioenfonds is opgelopen tot ruim € 63.000,00 en daarnaast heeft gefailleerde een belastingschuld van meer dan € 700.000,00. De totale preferente en concurrente schuldenlast in het faillissement bedraagt ruim € 1.073.000,00.

3.Het geschil

3.1.
De curator vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
a. voor recht verklaart dat de betaling van de tussen 9 juni 2023 en 9 september 2023 verrichte overschrijvingen van € 201.304,09 door de curator buitengerechtelijk is vernietigd;
b. RET veroordeelt tot betaling van dit bedrag aan de curator;
subsidiair
a. het samenstel van rechtshandelingen die betrekking hebben op de betaling van de overschrijvingen van € 201.304,09, vernietigt;
b. RET veroordeelt tot betaling van dit bedrag aan de curator;
meer subsidiair
a. voor recht verklaart dat het totaalbedrag van € 201.304,09 onverschuldigd is betaald;
b. RET veroordeelt tot betaling van dit bedrag aan de curator;
primair, subsidiair en meer subsidiair
c. RET veroordeelt in de proceskosten, waaronder de beslagkosten, te vermeerderen met wettelijke rente en in de nakosten en de eventuele verdere executiekosten.
3.2.
De curator legt aan de vordering ten grondslag dat gefailleerde van zijn opdrachtgevers ontvangen gelden heeft overgeboekt naar de bankrekening van RET zonder dat daarvoor een grondslag bestond. De curator heeft de vernietiging ingeroepen van deze overschrijvingen voor een totaalbedrag van € 201.304,09, zowel op grond van artikel 42 Fw als op grond van artikel 47 Fw (actio pauliana) en vordert terugbetaling. Het is volgens de curator onduidelijk hoe het overhevelen van de onderneming van gefailleerde naar RET juridisch moet worden geduid. Als door gefailleerde en RET afspraken zijn gemaakt over de uitvoering van de met derden-opdrachtgevers overeengekomen vervoersdiensten door RET, en voor zover die afspraken inhielden dat betalingen die werden gedaan door de opdrachtgevers van gefailleerde naar de bankrekening van RET moesten worden overgeboekt, hetgeen wordt betwist, geldt dat dergelijke afspraken eveneens als paulianeus kwalificeren, aldus de curator. Deze afspraken moeten in dat geval ook worden vernietigd zodat de betalingen ook dan als onverplichte rechtshandelingen kwalificeren. Van langlopende duurovereenkomsten met zijn opdrachtgevers waar gefailleerde uitvoering aan zou hebben moeten blijven geven en bij gebreke waarvan hij schade zou veroorzaken, is volgens de curator niet gebleken. De schuldeisers van gefailleerde zijn door de betalingen aan RET benadeeld omdat de daarmee aan het vermogen van gefailleerde onttrokken bedragen niet aan hen ten goede komen. Bovendien is de wettelijke rangorde tussen de schuldeisers daardoor niet in acht genomen. Omdat de betalingen zijn gedaan tussen 9 juni 2023 en 9 september 2023 terwijl al in januari 2023 het faillissement van gefailleerde was aangevraagd, op 17 april 2023 een verzoek tot toetreding WSNP is gedaan en het faillissement op 26 september 2023 is uitgesproken, wordt vermoed dat gefailleerde wist dat hij zijn schuldeisers met de overboekingen naar RET heeft benadeeld. Voor het geval de rechtbank zou oordelen dat de overboekingen verplicht zijn gedaan, stelt de curator dat RET als ontvanger van de betalingen, wist dat het faillissement van de schuldenaar was aangevraagd dan wel dat sprake is van samenspanning. Op het moment van het faillissementsverzoek (24 januari 2023) was gefailleerde nog bestuurder van RET. Ook kan gefailleerde als feitelijk beleidsbepaler van RET worden aangemerkt nu hij directeur is en in de relevante periode de leiding had over de onderneming van RET. RET wist dus dat schuldeisers van gefailleerde door de overboekingen aan RET benadeeld zouden worden.
3.3.
RET betwist dat zij paulianeus heeft gehandeld. Zij voert aan dat zij eind april 2023 (mondeling) met gefailleerde is overeengekomen dat zij vanaf 1 mei 2023 het vervoer zal verzorgen voor twee opdrachtgevers van gefailleerde, te weten DHL en Packs. Dit, omdat gefailleerde gelet op zijn WNSP-verzoek alles op een correcte wijze met zijn klanten wilde afwikkelen en gefailleerde in de regel eerst vijf weken na het verrichten van de werkzaamheden de betaling ontving. In de periode van 1 mei 2023 tot 6 augustus 2023 heeft RET de werkzaamheden dan ook in opdracht van gefailleerde uitgevoerd. Daarvoor heeft RET in de periode van 9 juni 2023 tot en met 9 september 2023 facturen gestuurd voor een totaalbedrag van € 201.304,09. Gefailleerde heeft dit bedrag aan RET voldaan vanuit de gelden die hij van zijn opdrachtgevers DHL en Packs had ontvangen, in totaal € 293.052,78. Daarmee betwist RET dat door het uitvoeren van de opdracht en het betalen van haar facturen schuldeisers van gefailleerde zijn benadeeld omdat een bedrag van € 91.748,69 (€ 293.052,78 -/- € 201.304,09) voor de schuldeisers van gefailleerde beschikbaar is gekomen. Voor terugbetaling bestaat geen enkele reden en RET daartoe verplichten zou bovendien onredelijk zijn nu RET op haar beurt vervoerders (ZZP-ers) heeft ingeschakeld om de opdracht van gefailleerde te kunnen uitvoeren. RET heeft deze vervoerders voor voormelde werkzaamheden in totaal € 154.964,39 betaald. RET concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de curator, dan wel tot ontzegging van de vorderingen, met veroordeling van de curator in de kosten van het geding, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De curator vraagt primair om voor recht te verklaren dat de betalingen van gefailleerde aan RET buitengerechtelijk zijn vernietigd en subsidiair om het samenstel van rechtshandelingen die betrekking hebben op die betalingen, te vernietigen (
actio pauliana). [1] De curator baseert beide vorderingen op zowel artikel 42 Fw (onverplichte rechtshandeling anders dan om niet) als artikel 47 Fw (verplichte rechtshandeling). Partijen twisten over het antwoord op de vraag of het om verplichte dan wel onverplichte rechtshandelingen gaat. Als echter blijkt dat is voldaan aan de vereisten van zowel artikel 42 Fw als artikel 47 Fw, is beantwoording van die vraag niet relevant. Immers, als een rechtshandeling niet verplicht is, valt die onder het regime van de onverplichte rechtshandelingen. Bovendien is het door de curator ingeroepen rechtsgevolg in beide gevallen dezelfde, te weten (terug)betaling van het totaalbedrag van € 201.304,09 (artikel 51 lid 1 Fw). De rechtbank zal hierna dan ook beoordelen of de curator zowel aan de vereisten van artikel 42 Fw als aan de vereisten van artikel 47 Fw heeft voldaan.
Vereisten artikel 42 Fw
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat gefailleerde vóór zijn faillissement (26 september 2023) door middel van diverse overschrijvingen tussen 9 juni 2023 en 9 september 2023 een totaalbedrag van € 201.304,09 aan RET heeft betaald. Aangenomen dat de betalingen door gefailleerde onverplicht zijn verricht als bedoeld in artikel 42 Fw, is voor vernietiging daarvan vereist dat de curator aantoont dat de schuldeisers van gefailleerde zijn benadeeld en dat zowel de schuldenaar (gefailleerde) als de begunstigde (RET) wist of behoorde te weten dat deze benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn.
-
Benadeling van schuldeisers
4.3.
De vraag of de schuldeisers door de rechtshandeling zijn benadeeld, moet worden beantwoord door de hypothetische situatie waarin de schuldeisers zouden hebben verkeerd zonder de gewraakte rechtshandeling, te vergelijken met de situatie waarin zij feitelijk verkeren als die handeling onaangetast blijft. [2] De rechtshandeling waarop de door de curator ingeroepen vernietiging zich richt, zijn (primair) de betalingen van bedragen door gefailleerde aan RET in de periode tussen 9 juni 2023 en 9 september 2023 en (subsidiair) het samenstel van rechtshandelingen die betrekking hebben op die betalingen, te weten de door RET gestelde overeenkomst met gefailleerde en de betalingen zelf.
4.4.
Artikel 42 Fw neemt de enkelvoudige rechtshandeling tot uitgangspunt. [3] De betaling van een geldbedrag moet voor de toepassing van een
actio paulianaals een (eenzijdig gerichte) rechtshandeling worden aangemerkt. Zonder de betalingen aan RET zouden de gezamenlijke schuldeisers van gefailleerde, waaronder de belastingdienst als preferente schuldeiser, zich hebben kunnen verhalen op het door gefailleerde van zijn opdrachtgevers DHL en Packs ontvangen totaalbedrag van € 293.052,78. Als ervan wordt uitgegaan dat de gewraakte betalingen aan RET niet onverschuldigd waren, zou RET voor een bedrag van € 201.304,09 één van die (concurrente) schuldeisers van gefailleerde zijn. Nu gefailleerde RET als (concurrente) schuldeiser met voorrang op de andere schuldeisers heeft voldaan, kunnen de gezamenlijke (preferente en concurrente) schuldeisers zich feitelijk niet meer op dit bedrag verhalen. Hierdoor is de onderlinge rangorde tussen de gezamenlijke schuldeisers verstoord (doorbreking
paritas creditorum) en staat vast dat de (preferente) schuldeisers zijn benadeeld.
4.5.
RET, die niet wil dat de betalingen aan haar worden vernietigd, betoogt dat de schuldeisers van gefailleerde niet zijn benadeeld maar juist hebben geprofiteerd van de door RET in opdracht van gefailleerde verrichte vervoerswerkzaamheden, die zij niet zou hebben verricht als gefailleerde niet bereid was geweest daarvoor te betalen. Hiermee beroept RET zich op gunstige gevolgen van haar gedraging. De rechtbank oordeelt daarover als volgt.
4.6.
Het is vaste jurisprudentie dat wanneer het verrichten van een handeling door de schuldenaar een noodzakelijke voorwaarde is voor een gedraging van degene met wie of te wiens behoeve de handeling werd verricht, de voor andere schuldeisers gunstige gevolgen van die gedraging van de wederpartij van de schuldenaar niet buiten beschouwing mogen worden gelaten bij de beantwoording van de vraag of zij door de handeling van de schuldenaar benadeeld zijn. [4] Als de rechtshandeling dus een positief gevolg heeft gehad, moet dit positieve effect in de vergelijking van de hypothetische en feitelijke situatie betrokken worden.
4.7.
RET stelt dat gefailleerde feitelijk gelden heeft gegenereerd door de noodzakelijke vervoerswerkzaamheden door RET te laten uitvoeren, wat voor gefailleerde een bedrag van € 91.748,69 heeft opgeleverd dat beschikbaar is gekomen voor zijn gezamenlijke schuldeisers. In de hypothetische situatie dat RET de vervoerswerkzaamheden ten behoeve van gefailleerde na 1 mei 2023 niet had verricht, hadden de gezamenlijke schuldeisers zich volgens RET niet op dit bedrag of het totaalbedrag van € 293.052,78 kunnen verhalen want dan zouden de opdrachtgevers van gefailleerde in het geheel niet aan gefailleerde hebben betaald en wellicht zelfs een schadevergoeding van gefailleerde hebben gevorderd. Ter onderbouwing van die stelling voert RET aan dat gefailleerde dreigde tekort te schieten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van zijn vervoersovereenkomsten met (onder andere) DHL en Packs. Als gefailleerde de werkzaamheden voor DHL en Packs niet zou uitvoeren, zouden zij hogere kosten voor het inschakelen van andere vervoerders en boetebepalingen bij gefailleerde hebben verhaald, en verrekend hebben met nog aan gefailleerde te verrichten betalingen voor eerder verrichtte vervoerswerkzaamheden. [5] Om gefailleerde te helpen, heeft RET eind april 2023 een mondelinge overeenkomst met gefailleerde gesloten op basis waarvan zij vanaf 1 mei 2023 vervoersactiviteiten voor gefailleerde is gaan verrichten, aldus RET. RET beroept zich dus in feite op het bestaan van (duur)overeenkomsten tussen gefailleerde en zijn opdrachtgevers, met een bepaalde inhoud. [6] De curator wijst er echter op dat dergelijke (duur)overeenkomsten tussen gefailleerde en haar opdrachtgevers (DHL en Packs) niet in de boekhouding van gefailleerde zijn aangetroffen. Omdat RET tijdens de mondelinge behandeling zelf heeft verklaard dat ‘een en ander in de vervoersbranche wel vaker ‘houtje-touwtje’ is geregeld’ en verder niet is gesteld of gebleken dat gefailleerde door zijn opdrachtgevers DHL en/of Packs op de door RET gestelde mogelijke sancties is aangeschreven, kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer worden aangenomen dat voor gefailleerde sancties dreigden als hij vanaf 1 mei 2023 geen opdrachten meer voor DHL en Packs zou uitvoeren.
4.8.
Bovendien is onduidelijk waarom gefailleerde de werkzaamheden vanaf 1 mei 2023 niet zelf had kunnen uitvoeren. Pas tijdens de mondelinge behandeling heeft RET gesteld dat de door gefailleerde ingeschakelde vervoerders (ZZP-ers) vanaf 1 mei 2023 niet langer voor gefailleerde wilde rijden toen zij (eind april 2023) vernamen dat gefailleerde ermee wilde stoppen en een WSNP-aanvraag zou indienen. Deze stelling staat echter haaks op het betoog van RET in haar conclusie van antwoord dat gefailleerde zonder de vervoersopdracht aan RET vanaf 1 mei 2023 gebruik kunnen blijven maken van zijn vervoerders. [7] Ook heeft de curator tijdens de mondelinge behandeling onweersproken verklaard dat RET nooit eerder iets heeft gezegd over het niet meer kunnen beschikken over de diensten van de
ZZP-ers door gefailleerde, bijvoorbeeld tijdens de bijeenkomst bij de rechter-commissaris. Daarmee heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de vervoerders vanaf 1 mei 2023 niet langer voor gefailleerde wilden rijden.
4.9.
Daarbij komt dat de door RET gestelde afspraken met gefailleerde tot betaling uit hoofde van een tussen hen gesloten vervoersovereenkomst niet zijn te rijmen met de feitelijke gang van zaken. Feitelijk werkte RET volgens haar eigen stellingen als onderaannemer van gefailleerde en kreeg zij daarvoor door gefailleerde betaald. In dat geval zou er een relatie moeten zijn tussen het volume en de aard van de werkzaamheden van RET tegenover de betalingen van gefailleerde aan RET. Daarvan is niet gebleken. RET heeft tijdens de mondelinge behandeling (nader) verklaard dat met gefailleerde zou zijn afgesproken dat gefailleerde van de door DHL en Packs betaalde vergoeding een marge van 25% zou houden (zodat voor de schuldeisers € 91.748,69 extra is binnengekomen. De betalingen van gefailleerde aan RET vallen echter niet te rijmen met deze gestelde afspraak: de verhoudingen tussen de door gefailleerde van haar opdrachtgevers ontvangen bedragen en de door hem aan RET betaalde bedragen zijn niet te relateren aan deze gestelde marge. De “marges” verschillen per weeknummer tussen ongeveer 5% en ongeveer 87% en komen gemiddeld uit op ruim 31%. [8] Daarmee is RET, zo betoogt de curator tijdens de mondelinge behandeling, hooguit een dure en overbodige tussenschakel tussen de opdrachtgevers en de vervoerders terwijl het er bovendien op lijkt dat de € 91.748,69 die bij gefailleerde zou zijn achtergebleven is opgemaakt door privé-opnamen, overboekingen naar gelieerde ondernemingen en betaling van salarissen. Hierop is een nadere toelichting van RET uitgebleven.
4.10.
Omdat niet komt vast te staan dat het noodzakelijk was dat RET de vervoerswerkzaamheden van gefailleerde vanaf 1 mei 2023 overnam, heeft de rechtbank te weinig aanknopingspunten om aan te nemen dat doorbreking van de
paritas creditorumnoodzakelijk was en dat met de feitelijke situatie per saldo een positief resultaat is behaald dat er in de hypothetische situatie niet zou zijn geweest. Hiermee staat de benadeling van de gezamenlijke schuldeisers van gefailleerde vast.
4.11.
Vervolgens is de vraag of gefailleerde en RET wisten dan wel behoorden te weten dat de schuldeisers door de betalingen van gefailleerde aan RET werden benadeeld.
-
Wetenschap van benadeling
4.12.
Van wetenschap van benadeling is sprake als ten tijde van de rechtshandeling het faillissement en een tekort daarin, met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien voor zowel de schuldenaar als degene met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte. [9] Vast staat dat de rechtshandelingen, de betalingen tussen 9 juni 2023 en 9 september 2023, zijn verricht binnen één jaar vóór de faillietverklaring van 26 september 2023. Ook staat vast dat deze rechtshandelingen zijn verricht door gefailleerde als natuurlijk persoon jegens een rechtspersoon (RET) waarvan op dat moment zijn moeder (bloedverwant in de eerste graad) bestuurder was. In dat geval wordt de wetenschap van benadeling, behoudens tegenbewijs, aan beide kanten vermoed aanwezig te zijn (artikel 43 lid 1 sub 3 onder b Fw). Het is dus aan RET om dit bewijsvermoeden te ontzenuwen.
4.13.
RET betwist dat zij bekend was met een aanhangig faillissementsverzoek. Gefailleerde zou RET alleen hebben voorgehouden dat hij een WSNP-verzoek had ingediend. [10] Tijdens de mondelinge behandeling is namens RET nader toegelicht dat de moeder van gefailleerde, sinds 3 mei 2023 indirect aandeelhouder en bestuurder van RET, door haar zoon (gefailleerde) slechts was meegedeeld dat hij een WSNP-verzoek had ingediend, niet dat er ook een faillissementsverzoek aanhangig was. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het echter niet om de wetenschap van de moeder van gefailleerde maar om wetenschap van de vennootschap (RET). Volgens de eigen stellingen van RET [11] is de mondelinge overeenkomst tot het verrichten van vervoerswerkzaamheden (waar de betalingen volgens haar een uitvloeisel van zijn) eind april 2023 met gefailleerde gesloten. Op dat moment was gefailleerde óók de bestuurder van RET. Hij wist op dat moment dat dat zijn persoonlijk faillissement al in januari 2023 was aangevraagd. Wetenschap van een bestuurder is gelijk te stellen met wetenschap van de rechtspersoon waarvan hij bestuurder is, behoudens in bijzondere omstandigheden. [12] Van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de wetenschap van de faillissementsaanvraag bij gefailleerde niet kan worden toegerekend aan RET is in dit geval niet gebleken. In tegendeel; uit de gedingstukken komt het beeld naar voren dat gefailleerde niet alleen bestuurder was van RET maar daar ook feitelijk aan het roer stond. Ook RET wist dus ten tijde van het aangaan van de gestelde overeenkomst dat het faillissement van gefailleerde was aangevraagd. Die wetenschap bij een rechtspersoon verdwijnt niet als de aandelen van die rechtspersoon worden overgedragen, en al helemaal niet gelet op de omstandigheden van dit geval (de familierelatie tussen de vervreemder en de verkrijger van de aandelen van RET). De behandeling van de faillissementsaanvraag is door het daarna ingediende WSNP-verzoek enkel geschorst totdat bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak zou zijn beslist op het WSNP-verzoek (artikel 3a lid 2 Fw). Dit betekent dat de faillissementsaanvraag aanhangig blijft en herleeft als het WSNP-verzoek wordt afgewezen. Ook op het moment van de aandelenoverdracht was er dus sprake van een aanhangige faillissementsaanvraag.
4.14.
Onder deze omstandigheden waren ten tijde van de betalingen het faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid te voorzien voor zowel gefailleerde als RET.
4.15.
Nu de curator heeft aangetoond dat de schuldeisers van gefailleerde door de betalingen aan RET zijn benadeeld en dat zowel de schuldenaar (gefailleerde) als de begunstigde (RET) wist of behoorde te weten dat benadeling van de schuldeisers het gevolg van die betalingen zou zijn, is aan de vereisten van artikel 42 Fw voldaan. In de situatie dat dus aangenomen wordt dat de betalingen aan RET onverplichte rechtshandelingen waren, mocht de curator deze rechtshandelingen dus buitengerechtelijk vernietigen.
4.16.
Vervolgens is de vraag of de curator ook aan de vereisten van artikel 47 Fw heeft voldaan.
Vereisten artikel 47 Fw
4.17.
Ook voor vernietiging op grond van artikel 47 Fw is vereist dat de schuldeisers zijn benadeeld. Dat dit het geval is, is hiervoor reeds overwogen (rov. 4.3. - 4.10.). Aangenomen dat gefailleerde met de betalingen een opeisbare schuld van RET heeft voldaan (verplichte rechtshandeling), is voor vernietiging daarvan op grond van artikel 47 Fw verder vereist dat de curator aantoont dat RET als ontvanger van de betalingen wist dat het faillissement van de schuldenaar reeds was aangevraagd. Zoals hiervoor is overwogen (rov. 4.13.) wist RET van de faillissementsaanvraag. Daarmee is dan ook aan de vereisten van artikel 47 Fw voldaan. Ook in het geval dat zou worden aangenomen dat de betalingen van gefailleerde aan RET verplichte rechtshandelingen waren, mocht de curator deze betalingen dus vernietigen.
4.18.
Omdat zowel aan de vereisten van artikel 42 Fw als aan de vereisten van artikel 47 Fw is voldaan, is beantwoording van de vraag of de rechtshandelingen verplicht of onverplicht waren, niet relevant. In beide gevallen mocht de curator de betalingen van gefailleerde aan RET vernietigen. De door de curator gevorderde verklaring voor recht zal dus worden toegewezen als hierna bepaald. RET moet het door haar ontvangen totaalbedrag van € 201.304,09 aan de curator als onverschuldigd betaald teruggeven (artikel 51 lid 1 Fw en artikel 6:203 BW).
4.19.
RET meent dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid als zij voormeld bedrag moet terugbetalen. Zij heeft immers de vervoerders die de vervoersdiensten voor gefailleerde hebben verricht, ingehuurd en betaald. Voor zover RET zich heeft willen beroepen op artikel 51 lid 3 Fw overweegt de rechtbank dat dit beroep niet slaagt. Zoals hiervoor is overwogen (rov. 4.10.) is de noodzaak tot het verrichten van de werkzaamheden door RET niet aannemelijk is geworden. Daarmee komt niet vast te staan dat RET als schuldeisers van gefailleerde mag voorgaan op de andere (preferente) schuldeisers. Na vernietiging van de betalingen verkeert RET (indien zou komen vast te staan dat zij inderdaad een schuldeiser is van gefailleerde uit hoofde van enige vervoersovereenkomst) in dezelfde concurrente positie als waarin zij verkeerd zou hebben als gefailleerde niet aan haar had betaald. Dat, gelet op de hoogte van de vordering van de preferente schuldeiser van gefailleerde, de kans klein is dat RET voor de door haar verrichte werkzaamheden betaald krijgt, doet daar niet aan af. Door de vernietiging van de betalingen, keert het bedrag waarmee de boedel is benadeeld, terug en is de benadeling van de boedel voor datzelfde bedrag opgeheven. RET heeft niet (onderbouwd) gesteld dat hierdoor het actief van gefailleerde daarnaast vermeerdert. Een andere grondslag heeft RET niet gegeven zodat het beroep op de redelijkheid en billijkheid niet slaagt.
Beslagkosten
4.20.
Naast de terugbetaling van € 201.304,09, vordert de curator om RET te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. De curator heeft de beslagstukken echter niet volledig in het geding gebracht (zo ontbreken de exploten van overbetekening van de dagvaarding aan de derdenbeslagenen). De vordering wordt daarom als onvoldoende onderbouwd afgewezen.
Proceskosten
4.21.
RET is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
115,12
- griffierecht
2.306,00
- salaris advocaat
5.428,00
(2 punten × € 2.714,00 tarief VI)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.027,12
4.22.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat de door gefailleerde tussen 9 juni 2023 en 9 september 2023
verrichte betalingen ten bedrage van totaal € 201.304,09 buitengerechtelijk door de curator
zijn vernietigd,
5.2.
veroordeelt RET om aan de curator te betalen een bedrag van € 201.304,09,
5.3.
veroordeelt RET in de proceskosten van € 8.027,12, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als RET niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt RET tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Boerwinkel en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.
871

Voetnoten

1.Dagvaarding 34 en het petitum onder ‘subsidiair’
2.HR 23 december 1949, ECLI:NL:HR:1949:21 (Boendermaker c.s./Schopman) en HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3654 (Diepstraten/Gilhuis q.q.)
3.HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:975, rov. 3.3
4.HR 10 december 1976, ECLI:NL:PHR:1976:AD3286 (Eneca/BACM)
5.Conclusie van antwoord 30 onder 2.
6.Conclusie van antwoord 6
7.Conclusie van antwoord 30 onder 1.
8.Dit blijkt uit het als productie 2 bij conclusie van antwoord overgelegde overzicht van door gefailleerde ontvangen en verrichte betalingen.
9.HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:975, rov. 3.2 en 3.3
10.Conclusie van antwoord 19
11.Conclusie van antwoord 6
12.HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1413, rov. 3.2.2