ECLI:NL:RBGEL:2025:11766

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/05/459173 / KG ZA 25-403
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WmgArt. 36 WmgArt. 6 AVGArt. 4.1.1 PIFIArt. 5.2.1 PIFI
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot verwijdering van zorgfraudegerelateerde registraties van Zorg Saam

Zorg Saam B.V. en haar bestuurder vorderen in kort geding dat VGZ wordt veroordeeld tot verwijdering van hun persoonsgegevens uit het Extern Verwijzingsregister (EVR), Incidentenregister (IR) en Gebeurtenissenadministratie (GA), vanwege een fraudeonderzoek dat VGZ heeft uitgevoerd.

VGZ stelde op basis van een fraudeonderzoek dat Zorg Saam zorg heeft gedeclareerd die niet of niet aantoonbaar is geleverd, dat zorgmedewerkers niet over de vereiste diploma's beschikken en dat er sprake is van valsheid in geschrifte en frauduleuze bedrijfsvoering. Zorg Saam betwistte deze conclusies, stelde dat VGZ onvoldoende hoor en wederhoor toepaste en dat de registratie disproportioneel en onrechtmatig is.

De rechtbank oordeelt dat VGZ voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Zorg Saam niet aan haar administratieverplichtingen voldoet, dat zorg is gedeclareerd die niet is geleverd, en dat zorgmedewerkers niet de vereiste kwalificaties bezitten. De registratie in de registers is rechtmatig en proportioneel, mede gelet op de ernst van de gedragingen en de belangen van VGZ en haar verzekerden. De vorderingen van Zorg Saam worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot verwijdering van gegevens uit frauderegisters wordt afgewezen en Zorg Saam wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/459173 / KG ZA 25-403
Vonnis in kort geding van 17 december 2025
in de zaak van

1.ZORG SAAM B.V. ,

statutair gevestigd te Nijmegen ,
hierna afzonderlijk te noemen: Zorg Saam ,
2.
[eiseres 2],
wonende te [woonplaats] ,
hierna afzonderlijk te noemen: [eiseres 2] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: Zorg Saam c.s. ,
advocaat: mr. P.A. Bonaparte,
tegen
de coöperatie
VGZ U.A.,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te Arnhem,
gedaagde partij,
hierna te noemen: VGZ,
advocaat: mr. C.E. van Staveren.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 33,
- producties 1 tot en met 18 van VGZ,
- de mondelinge behandeling van 3 december 2025,
- de pleitnota van Zorg Saam c.s. ,
- de pleitnota van VGZ.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

Zorg Saam verleent wijk- en thuiszorg en [eiseres 2] is haar bestuurder en enig aandeelhouder. Naar aanleiding van een fraudeonderzoek heeft zorgverzekeraar VGZ de persoons- en bedrijfsgegevens van Zorg Saam c.s. opgenomen in het Extern Verwijzingsregister (EVR), het Incidentenregister (IR) en de Gebeurtenissenadministratie (GA). In dit kort geding vordert Zorg Saam c.s. dat VGZ wordt veroordeeld tot verwijdering van haar gegevens uit de registers, op straffe van verbeurte van een dwangsom en veroordeling van VGZ in de volledige proceskosten. De vorderingen van Zorg Saam c.s. zullen worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom. Eerst wordt een overzicht gegeven van de feiten.

3.De feiten

3.1.
Zorg Saam verleent niet-gecontracteerde zorg aan verzekerden van VGZ. De zorg wordt verleend op basis van zorgovereenkomsten tussen Zorg Saam en de verzekerden. Tussen Zorg Saam en VGZ zijn geen (zorgaanbieders)overeenkomsten gesloten.
3.2.
In 2021 heeft VGZ een controle (hierna: de materiële controle) uitgevoerd naar de rechtmatigheid en doelmatigheid van de declaraties van Zorg Saam . Op 20 juli 2021 is dit onderzoek afgerond. VGZ heeft Zorg Saam c.s. bij brief van 20 juli 2021 meegedeeld dat is gebleken dat zorgplannen, dagrapportages en diploma’s van zorgmedewerkers ontbreken en dat zij een vorderingsbedrag van € 89.897,00 heeft vastgesteld.
3.3.
Bij brief van 14 juni 2023 heeft VGZ Zorg Saam c.s. bericht dat het dossier is overgedragen aan de afdeling veiligheidszaken van VGZ en dat een onderzoek in de zin van artikel 7.10 van de Regeling Zorgverzekering (Rzv) zal worden gestart naar de declaraties voor verpleging en verzorging over de jaren 2019 tot en met 30 september 2023. Ten behoeve van dit onderzoek heeft VGZ Zorg Saam c.s. bij brief van 31 oktober 2023 om documenten en informatie verzocht van in totaal 11 cliënten die bij haar zijn verzekerd en zorg – verleend door Zorg Saam – hebben gedeclareerd. De opgevraagde documenten betroffen urenregistraties, diploma’s, dagrapporten en werkroosters.
3.4.
Bij brief van 22 oktober 2024 heeft VGZ Zorg Saam c.s. geïnformeerd over haar voorlopige bevindingen van het fraudeonderzoek en Zorg Saam c.s. tot uiterlijk 5 november 2024 de tijd gegeven om daarop te reageren.
3.5.
Op 10 november 2024 heeft Zorg Saam c.s. een uitgebreide reactie gegeven op de voorlopige bevindingen van VGZ. Zij heeft daarin vermeld dat het onderzoek door de Inspectie Gezondheid en Jeugd (IGJ) naar een gemelde calamiteit naar behoren is afgerond, uit een opgenomen telefoongesprek volgt dat beschuldigingen en meldingen aan VGZ en de IGJ uit wraakgevoelens door een voormalig werkneemster van Zorg Saam zijn gedaan en dat medewerkster [naam 1] wel degelijk over een diploma beschikt en dit door VGZ bij Uitzendbureau Randstad kan worden opgevraagd.
3.6.
In reactie daarop heeft VGZ bij brief van 3 december 2024 aan Zorg Saam c.s. verzocht om aanvullende informatie te verstrekken, te weten i) de opname van het telefoongesprek met de voormalig werkneemster [naam 2] van 10 maart 2023 ii) via welke vestiging van Randstad Uitzendbureaus [naam 1] bij Zorg Saam c.s. werkzaam was en bewijsstukken waaruit volgt dat de IGJ het onderzoek naar de melding van een calamiteit over Zorg Saam c.s. door [naam 2] naar behoren heeft afgerond. Ook heeft VGZ aan deze brief een enquête gehecht. Deze enquête vermeldt dat vijf van de tien ondervraagde cliënten van Zorg Saam c.s. hebben ingevuld dat Zorg Saam namens hen zorg bij VGZ declareert en twee van de tien ‘ Zorg Saam ?’ hebben ingevuld.
3.7.
Bij de stukken bevindt zich een e-mail van 15 december 2024 van Zorg Saam c.s. aan VGZ. Deze e-mail luidt, voor zover thans van belang, als volgt:
Vanwege drukte is het mij helaas niet gelukt om voor 11 december 2024 te reageren
op uw verzoek. Bij deze wil ik alsnog de gevraagde informatie aanleveren.
1. De opname van het gesprek met [naam 2] van 10 maart 2023 deze
opname stuur ik hierbij.
2. Uitzendbureau Werkwijze de vestiging is gevestigd in Nijmegen Kerkenbos 10-21
de contactpersoon was [naam 3] ze zijn te bereiken op [telefoonnummer]
3. Onderzoek IGJ hierbij stuur ik u het bewijsstuk dat het onderzoek door de IGJ naar
de melding van [naam 2] naar behoren is afgerond.
3.8.
Bij brief van 6 maart 2025 heeft VGZ haar eindconclusie van het fraudeonderzoek en de maatregelen die zij naar aanleiding daarvan heeft genomen met Zorg Saam c.s. gedeeld. Deze brief luidt verder, voor zover thans van belang, als volgt:
Aanleiding onderzoek
Op 17 mei 2023 ontving de afdeling Veiligheidszaken via het Verzamelpunt Zorgfraude een
anonieme melding over Zorg Saam met hierin een aantal misstanden die bij Zorg Saam aan de
orde zouden zijn:
• Meer uren zorg declareren dan leveren;
• Ongekwalificeerd personeel;
• Verouderde zorgplannen;
• Personeel handelingen laten uitvoeren die hiertoe niet bevoegd of bekwaam zijn;
• Ondeskundige wondzorg met een niet steriele schaar;
• Cliënten met COPD 2 en 3 kregen geen zorg geleverd in verband met Covid-19.
Naast de anonieme melding ontving de afdeling Veiligheidszaken van de afdeling Controles van
VGZ het signaal dat Zorg Saam niet volledig meewerkte aan een materiële controle waardoor een
volwaardige audit trail niet mogelijk was. Naar aanleiding van de anonieme melding en het
signaal van de afdeling Controles heeft de afdeling Veiligheidszaken een onderzoek uitgevoerd.
Administratief onderzoek
(…)
In het kort sommen wij hierna de voorlopige bevindingen op:
• Op 31 oktober 2023 vroeg de afdeling Veiligheidszaken met toestemming van
betrokkenen u om documenten toe te sturen. Pas na meerdere contactmomenten
ontving de afdeling Veiligheidszaken op 24 januari 2024 een deel van de opgevraagde
documenten. Dit komt overeen met de bevindingen van de afdeling Controles dat er geen
volledige medewerking wordt geboden vanuit Zorg Saam .
• Inzet van uw medewerker [naam 4] : volgens de ontvangen urenregistraties is
[naam 4] het gehele jaar 2022 onafgebroken ingezet. Van de 365 dagen die zij
heeft gewerkt, heeft zij 200 dagen zelfs ochtend-, middag- en avondzorg geleverd. In het
telefoongesprek dat de afdeling Veiligheidszaken op 21 augustus 2023 met mevrouw
[naam 4] heeft gehad, heeft ze verklaard vrije dagen en vakantie te hebben genomen in
2022. Ze werkte volgens haar verklaring in de ochtend, heeft een lange middagpauze en
legt de avondroute af.
• Inzet onbevoegd personeel: slechts 3 van de 20 zorgverleners hebben een diploma dat
voldoet aan de gestelde eisen zoals vastgelegd in artikel 14 van Pro de
Verzekeringsvoorwaarden VGZ, namelijk minimaal verzorgende niveau 3 of verzorgende
IG. Merendeels betreffen het diploma helpende niveau 2. Een aantal medewerkers zijn
een stagiair en ingezet vanuit beroepspraktijkvorming.
• [naam 2] : U verklaarde dat de aantijging van [naam 2] bij de IGJ rancune betrof
omdat haar contract niet door Zorg Saam werd verlengd. [naam 2] heeft volgens uw
verklaring op 10 maart 2023 telefonisch contact opgenomen met Zorg Saam en in dit
gesprek heeft zij toegegeven dat zij een valse melding bij de IGJ heeft gedaan. Ook zou ze
volgens uw verklaring weer bij Zorg Saam willen werken. In het telefoongesprek dat de
afdeling Veiligheidszaken op 4 september 2024 met [naam 2] had, heeft [naam 2] verklaard
dat zij nooit meer contact heeft opgenomen/gehad met Zorg Saam na haar melding bij de
IGJ. Zij heeft de aantijging niet ingetrokken. Uit navraag bij de IGJ blijkt dat de melding
inderdaad niet door de melder is ingetrokken
• Meer zorg declareren dan feitelijk geleverd: in de anonieme melding is vermeld dat Zorg
Saam meer zorg declareert dan feitelijk wordt geleverd. Dit wordt bevestigd in het
telefoongesprek door [naam 2] en blijkt ook uit de enquête die is gevuld door uw
client [naam 5] en uit de analyse van de documenten van [naam 5] die in bezit
zijn van de afdeling Veiligheidszaken. Zowel het aantal uren als het aantal dagen dat zorg
zou zijn geleverd aan [naam 5] en door Zorg Saam in rekening is gebracht, wijken af
(aanzienlijk meer) van hetgeen [naam 5] op diens enquête heeft ingevuld. De
zorgvraag van [naam 5] is aanzienlijk minder dan de zorg die voorheen door Zorg
Saam in rekening werd gebracht sinds hij is overgestapt naar een andere zorgaanbieder.
(…)
Uw reactie op de voorlopige bevindingen
In uw brief die de afdeling Veiligheidszaken ontving op 14 november 2024 heeft u gereageerd op
de voorlopige bevindingen. Wij zullen puntsgewijs ingaan op de verklaringen/standpunten in uw brief.
(…)
Definitief Standpunt
Op 22 oktober 2024 hebben wij onze voorlopige bevindingen voortkomend uit ons onderzoek met
u gedeeld. Wij zien in de argumenten die u heeft aangedragen in de brief die wij op 14 november
2024 hebben ontvangen geen reden om deze bevindingen te herzien. De voorlopige bevindingen
uit de brief van 22 oktober 2024 die niet zijn besproken, beschouwen wij als herhaald en ingelast.
Dit alles brengt ons tot het volgende definitieve standpunt.
Er is zorg in rekening gebracht die niet is geleverd door Zorg Saam .
Er is zorg ingezet door personeel zonder een geldend diploma verzorgende niveau 3,3 VIG of
verpleegkundige niveau 4 of 5. In deze gevallen is sprake van zorginzet door onbevoegd
personeel.
Er is zorg ingezet door stagiaires en helpenden. Dit kan leiden tot tekortkomingen in de kwaliteit
van de geleverde zorg en kan ernstige gevolgen hebben voor de gezondheid/veiligheid van
cliënten.
Zorg Saam heeft geen deugdelijke administratie gevoerd waaruit blijkt welke prestaties, wanneer,
door wie en aan welke verzekerden zijn geleverd. Een audit trail is niet mogelijk.
Conclusie
Wij stellen ons op het standpunt dat de door Zorg Saam gedeclareerde zorg niet of niet
aantoonbaar voldoet aan de daarvoor geldende wet- en regelgeving en onrechtmatig is. Uw
verklaringen komen niet overeen met of zijn tegenstrijdig aan de documenten of
informatie/verklaringen die de afdeling Veiligheidszaken heeft ontvangen en er is gebruik
gemaakt van documenten die niet naar waarheid zijn opgemaakt. Dit alles is gedaan met als doel
VGZ te misleiden. Wij constateren dat er sprake is van zorgfraude en frauduleuze bedrijfsvoering.
Zorg Saam heeft gehandeld in strijd met artikel 35 van Pro de Wet marktordening gezondheidszorg
(Wmg), waaruit volgt dat een zorgaanbieder geen prestaties in rekening mag brengen die feitelijk
niet zijn geleverd en/of waarop geen recht bestaat.
Zorg Saam , heeft in strijd gehandeld met artikel 36 Wmg Pro. Op grond van dit artikel dient een
zorgaanbieder een deugdelijke administratie te voeren waaruit blijkt welke prestaties, wanneer, aan
welke verzekerden zijn verleend.
(…)
U als bestuurder van Zorg Saam B.V. met KvK 70127247 (een professionele zorgonderneming),
wist of behoorde te weten dat niet aan de eisen werd voldaan om in aanmerking te komen voor
een vergoeding van de gestelde geleverde zorg. Er is namelijk niet voldaan aan de eisen die aan
een dergelijke vergoeding worden gesteld en U wordt geacht om van deze eisen op de hoogte te
zijn (geweest), vanuit uw verantwoordelijkheid voor het leveren van verantwoorde en goede zorg.
VGZ heeft hierdoor schade geleden.
Verder heeft VGZ medegedeeld dat is besloten het onderzoek te beperken tot declaratiejaar 2022 en om de declaraties van Zorg Saam c.s. ingediend na 1 maart 2025 niet meer te vergoeden. Ook heeft VGZ bericht dat zij de (persoons)gegevens van Zorg Saam en [eiseres 2] heeft opgenomen in het IR en EVR tot 23 januari 2031 omdat zij betrokken zijn bij zorgfraude. Ten aanzien van deze registraties vermeldt de brief verder:
Wij begrijpen dat de registratie gevolgen voor u kan hebben als u bijvoorbeeld een andere
verzekering of financieel product aanvraagt of solliciteert bij een financiële instelling. Daarom hebben wij een zorgvuldige afweging gemaakt tussen uw belangen en de belangen van de financiële instellingen. De schending van ons vertrouwen in u is zo ernstig dat wij het belangrijk vinden om uw gegevens in het waarschuwingssysteem op te nemen.
3.9.
Bij brief van 11 maart 2025 heeft Zorg Saam c.s. VGZ verzocht om haar beslissing tot het stopzetten van de betaling van declaraties onmiddellijk te herroepen en de bedrijfs- en persoonsgegevens van Zorg Saam c.s. te verwijderen uit het IR en EVR.
3.10.
Bij brief van 4 april 2025 heeft VGZ de verzoeken van Zorg Saam c.s. afgewezen. In deze brief heeft VGZ laten weten dat zij Zorg Saam c.s. meerdere keren de gelegenheid heeft gegeven om bewijsstukken te overleggen maar zij daarvan geen gebruik heeft gemaakt.
3.11.
Op 8 april 2025 heeft Zorg Saam c.s. opnieuw verzocht om herziening van de besluiten zoals opgenomen in de brief van 6 maart 2025. VGZ heeft dit verzoek op 2 mei 2025 afgewezen.
3.12.
Bij e-mail van 16 september 2025 heeft de advocaat van Zorg Saam c.s. VGZ verzocht om alle registraties te verwijderen. VGZ heeft dit verzoek afgewezen bij e-mail van 23 september 2025. Hierin staat dat bij de vaststelling van de duur van de registraties uitvoering is gegeven aan de maatregelenrichtlijn van Zorgverzekeraars Nederland en rekening is gehouden met de hoogte van het financieel belang, het feit dat het een onderzoek naar een zorgaanbieder betreft en de mate van medewerking aan het onderzoek. Bij e-mail van 2 oktober 2025 heeft VGZ haar bevindingen nader toegelicht.
3.13.
Bij e-mail van 20 november 2025 heeft VGZ laten weten dat de ingangsdatum van de registraties is gecorrigeerd naar 31 oktober 2023 en de einddatum naar 31 oktober 2029. In deze e-mail staat dat de registraties dienen in te gaan op het moment dat Veiligheidszaken Zorg Saam c.s. schriftelijk heeft geïnformeerd over het onderzoek.

4.De beoordeling

4.1.
De spoedeisendheid van de vorderingen vloeit voldoende uit de stellingen van Zorg Saam c.s. voort.
Toetsingskader
4.2.
Bij de opname van de gegevens van Zorg Saam c.s. in het IR en in het EVR moet VGZ zich houden aan het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen 2021 (PIFI).
4.3.
De opname in die registers is een verwerking van persoonsgegevens, zodat voldaan moet worden aan de eisen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Dat betekent dat de verwerking gebaseerd moet zijn op één van de grondslagen van artikel 6 AVG Pro. Die grondslag is volgens het PIFI artikel 6 lid 1 onder Pro f AVG: de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of een derde. Voor een rechtmatige verwerking op basis van deze grondslag is vereist dat sprake is van de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of een derde, dat de verwerking hiervoor noodzakelijk is en dat de belangen, fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene niet prevaleren.
4.4.
In het Incidentenregister worden persoonsgegevens vastgelegd ten behoeve van het in artikel 4.1.1 PIFI genoemde doel naar aanleiding van of betrekking hebbend op een incident.
4.5.
Een incident wordt in de Begripsbepalingen van het PIFI omschreven als
“een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing of opzettelijke misleiding.”
4.6.
Het in artikel 4.1.1 PIFI omschreven doel houdt in:

'Het geheel aan Verwerkingen ten aanzien van het Incidentenregister heeft tot doel
het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en
de integriteit van de financiële sector, daaronder mede begrepen (het geheel van)
activiteiten die gericht zijn:
• op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen
die kunnen leiden tot benadeling van de branche waar de Financiële Instelling
deel van uitmaakt, van de economische eenheid (groep) waartoe de Financiële
Instelling behoort, van de Financiële Instelling zelf, alsmede van haar cliënten en
medewerkers;
• op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van oneigenlijk
gebruik van producten, diensten en voorzieningen en/of (pogingen) tot strafbare
of laakbare gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften, gericht
tegen de branche waar de Financiële Instelling deel van uitmaakt, de economische eenheid (groep) waartoe de Financiële Instelling behoort, de Financiële
Instelling zelf, alsmede haar cliënten en medewerkers;
• op het gebruik van en de deelname aan waarschuwingssystemen.”
4.7.
Bij de vastlegging in het Incidentenregister moeten het proportionaliteitsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel in acht worden genomen (artikel 4.1.2 PIFI).
4.8.
Het EVR is een aan het Incidentenregister gekoppeld verwijzingssysteem waardoor de door een deelnemer in het Incidentenregister vastgelegde gegevens via een “hit-no hit” systeem opvraagbaar worden voor (de veiligheidsfunctionaris van) een andere aangesloten instelling.
4.9.
Voor vastlegging van gegevens in het EVR is vereist (artikel 5.2.1 PIFI):

a De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een
bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of
medewerkers van een Financiële Instelling, alsmede de (Organisatie van de)
Financiële Instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de
financiële sector.
b In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij
de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare
feiten in principe aangifte of klachte wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.
c Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen.”
4.10.
Over de toetsing aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit vermeldt de toelichting op het PIFI (p. 42):

Het beginsel van proportionaliteit noopt tot een zorgvuldige afweging tussen de diverse belangen. Het subsidiariteitsbeginsel betekent dat de Persoonsgegevens in redelijkheid niet op een andere, voor de bij de Verwerking van Persoonsgegevens Betrokkene minder inbreukmakende wijze kunnen worden verwerkt. Relevante belangen voor het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel in deze (kunnen) onder andere zijn: de instandhouding en werking van (de doelstellingen) van het Waarschuwingssysteem; de aard van het gewraakte gedrag in het licht van de doelstellingen van het Protocol (Arrest HR Santander); de (potentiële) impact van het gewraakte gedrag; en de persoon van de Betrokkene. Ook ten aanzien van de duur moet worden getoetst of het belang van opname prevaleert boven de mogelijke nadelige gevolgen voor de Betrokkene als gevolg van opname van zijn Persoonsgegevens. De aard van de Incidenten rechtvaardigt in beginsel een opnameduur van 8 jaar in het EVR. Van deze termijn kan worden afgeweken in bijzondere omstandigheden, die door de Deelnemer worden beoordeeld.
4.11.
In een arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2009 [1] gaat het over de verwerking van strafrechtelijke gegevens. In dat arrest overweegt de Hoge Raad in r.o. 4.4.:

Voorts heeft het hof terecht onder 'strafrechtelijke persoonsgegevens' verstaan ‘zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring - in de zin van art. 350 Sv Pro. - kunnen dragen’ en in dat verband - evenzeer terecht - als maatstaf genomen of de vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld opleveren, in die zin dat de te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate moeten vaststaan.
Standpunten van partijen
4.12.
Zorg Saam c.s. legt aan haar vorderingen tot verwijdering van haar bedrijfs- en persoonsgegevens uit de registers het volgende ten grondslag. Allereerst is niet voldaan aan de vereisten van artikel 5.2.1. onder a en b PIFI en de maatstaf van de Hoge Raad omdat niet is gebleken dat Zorg Saam c.s. fraude heeft gepleegd dan wel betrokken is geweest bij een incident. Zorg Saam c.s. betwist de conclusies uit het fraudeonderzoek. VGZ baseert deze conclusies louter op verklaringen van een voormalig werknemer van Zorg Saam , [naam 2] , die uit wraak zijn gedaan omdat haar contract niet werd verlengd. Uit verklaringen van voormalige cliënten van Zorg Saam c.s. volgt juist dat zij tevreden waren over de dienstverlening van Zorg Saam c.s. Bovendien moeten – voor de beoordeling of de gedeclareerde zorg daadwerkelijk is geleverd – de zorgplannen, dag- en urenrapportages en specificaties van declaraties worden beoordeeld. Die documenten zijn echter niet door VGZ betrokken in het fraudeonderzoek terwijl Zorg Saam c.s. deze reeds heeft verstrekt. De uitkomsten van het fraudeonderzoek zijn bovendien niet te rijmen met het gegeven dat VGZ over de periode van 2019 tot en met 25 februari 2025 alle declaraties van Zorg Saam c.s. heeft uitbetaald. Uit de betalingen vloeit de rechtmatigheid van de declaraties voort. Ook is VGZ gestopt met het incasseren van het vorderingsbedrag dat voortvloeide uit de materiële controle in 2021. Hieruit volgt dat er wel degelijk een audit trail mogelijk was op basis van de ten behoeve van die controle door Zorg Saam c.s. verstrekte documenten. Verder heeft de IGJ bij het afronden van het toezichttraject in 2023 niet vastgesteld dat sprake was van fraudeleuze activiteiten bij Zorg Saam c.s. en heeft VGZ gedurende de materiële controle in 2021 en het fraudeonderzoek geen hoor- en wederhoor toegepast. Daar komt bij dat gelet op de zwaarwegende belangen van Zorg Saam c.s. niet is voldaan aan het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel. Bovendien heeft VGZ dit ook niet onderbouwd in haar brief van 6 maart 2025. Tot slot heeft VGZ in strijd gehandeld met artikel 5 AVG Pro door niet toe te lichten waarom ook de persoonsgegevens van [eiseres 2] in de registers zijn opgenomen, aldus Zorg Saam c.s.
4.13.
VGZ voert als verweer aan dat – kort samengevat – uit het fraudeonderzoek is gebleken dat de door Zorg Saam c.s. gedeclareerde zorg niet of niet aantoonbaar voldoet aan de daarvoor geldende wet- en regelgeving en zij in strijd heeft gehandeld met artikel 35 en Pro artikel 36 van Pro de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg). VGZ stelt verder dat sprake is van valsheid in geschrifte en fraude aan de zijde van Zorg Saam c.s. en dat het gedrag van Zorg Saam c.s. een bedreiging vormt voor de belangen en de integriteit van VGZ en andere verzekeraars en financiële instellingen. Ook is gebleken dat het merendeel van de zorg is verleend door medewerkers van Zorg Saam c.s. die niet over het vereiste diploma beschikken. Op grond van de polisvoorwaarden komt de zorg dan niet voor vergoeding in aanmerking en bovendien levert dit een gevaar op voor de gezondheid van verzekerden van VGZ en hun financiële belangen en voor de kwaliteit van de zorg. Dit heeft in de praktijk ook geleid tot een incident dat is gemeld bij de IGJ. VGZ heeft Zorg Saam c.s. tevergeefs meermaals gevraagd naar de afhandeling van deze melding. Aan de criteria voor het rechtmatig registreren van de gegevens in de in- en externe verwijzingsregisters is dan ook voldaan, aldus VGZ.
Voldoende aannemelijk is dat sprake is van zorgfraude
4.14.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Voldoende duidelijk is dat de materiële controle in 2021 in combinatie met een fraudemelding voor VGZ aanleiding zijn geweest voor het instellen van het fraudeonderzoek. Niet is gesteld dat naast de uitkomsten van het fraudeonderzoek ook de uitkomsten van de materiële controle in 2021 ten grondslag liggen aan de registraties waarvan in dit kort geding verwijdering wordt gevorderd. Wat partijen over de materiële controle naar voren hebben gebracht zal daarom verder buiten beschouwing worden gelaten. Daar komt bij dat het betoog van Zorg Saam c.s. dat uit eerdere betalingen de rechtmatigheid van de declaraties volgt, niet slaagt. In de rede ligt immers, zoals VGZ op de zitting heeft uitgelegd, dat controles naar de rechtmatigheid van declaraties in dit geval niet voorafgaand aan de uitbetaling hiervan aan de verzekerden maar achteraf op basis van nacontroles plaatsvinden.
4.15.
In de wet staat dat de zorgaanbieder verplicht is zijn medewerking te verlenen aan fraudeonderzoek. Onder een fraudeonderzoek wordt verstaan: “een onderzoek waarbij de zorgverzekeraar nagaat of de verzekerde of de zorgaanbieder valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering pleegt of tracht te plegen ten nadele van bij de totstandkoming of uitvoering van een overeenkomst van zorgverzekering betrokken personen en organisaties met het doel een prestatie, vergoeding, betaling of ander voordeel te krijgen waarop de verzekerde dan wel de zorgaanbieder geen recht heeft of recht kan hebben.” [2]
4.16.
Voor het verrichten van onderzoek zijn zorgverzekeraars afhankelijk van het verstrekken van een deugdelijke administratie door de zorgaanbieder. Artikel 36 Wmg Pro regelt dat zorgaanbieders een administratie moeten voeren waaruit in ieder geval de overeengekomen en geleverde prestaties blijken, alsmede wanneer die prestaties zijn geleverd, aan welke patiënt onderscheidenlijk aan welke verzekerde die prestaties door een zorgaanbieder zijn geleverd, de daarvoor in rekening gebrachte tarieven en de in verband daarmee ontvangen of verrichte betalingen of vergoedingen aan derden. Artikel 4 lid 2 van Pro de Regeling verpleging en verzorging bepaalt dat de administratieve organisatie zodanig ingericht dient te zijn dat een audit trail mogelijk is. De NZa en de zorgverzekeraar moeten, zo vermeldt dit artikellid, te allen tijde de mogelijkheid hebben om de administratie met betrekking tot de geleverde zorg te controleren.
4.17.
Ten eerste heeft VGZ voldoende aannemelijk gemaakt dat Zorg Saam c.s. niet aan haar administratieverplichting heeft voldaan en het verrichten van een audit trail niet mogelijk was. Ter onderbouwing van deze stelling heeft zij, bij productie 9, een overzicht van opgevraagde versus ontvangen documenten in het geding gebracht. Hieruit volgt dat dagrapporten ten aanzien van twee cliënten grotendeels ontbreken. Ten aanzien van één cliënt kan het document niet worden geopend. Ten aanzien van acht cliënten ontbreken zorgdagen (van [naam 4] ) in de dagrapporten. Door VGZ zijn dagrapporten naast declaraties gelegd en daaruit is bijvoorbeeld gebleken dat van de zeven dagen in een week dat zorg is gedeclareerd er van drie dagen een dagrapport ontbreekt. Zorg Saam c.s. heeft niet weersproken dat de dagrapporten ontbreken maar voert aan dat de zorgplannen daarvoor in de plaats beoordeeld kunnen worden en VGZ deze tot haar beschikking heeft. Deze stelling kan Zorg Saam c.s. niet baten nu zorgplannen volgens VGZ worden opgevraagd bij een zorginhoudelijke beoordeling (op doelmatigheid) en dit tijdens een fraudeonderzoek niet wordt getoetst. Van belang is dat Zorg Saam c.s. niet heeft toegelicht waarom zij de ontbrekende dagrapporten met zorgdagen niet heeft kunnen verstrekken.
4.18.
In de tweede plaats is volgens VGZ zorg gedeclareerd die niet door Zorg Saam c.s. is verleend. Op basis van de enquête die is ingevuld door cliënten van Zorg Saam c.s. is voldoende aannemelijk gemaakt dat Zorg Saam c.s. in voorkomend geval rechtstreeks namens haar cliënten declareerde bij VGZ waardoor cliënten mogelijk geen zicht en controle op de declaraties hadden. In dat verband wordt verder overwogen dat de door Zorg Saam c.s. verstrekte urenregistraties met betrekking tot [naam 5] niet in lijn zijn met de verklaringen die deze cliënt heeft ingevuld in een enquête. In plaats van de door Zorg Saam c.s. geregistreerde 126 uur over de maanden januari 2022 tot en met juni 2022 heeft [naam 5] verklaard over die periode slechts 60 uur aan zorg te hebben gekregen. De declaraties zijn evenmin in lijn met deze verklaring van [naam 5] noch met het gerapporteerde aantal uren, nu Zorg Saam tot en met juni 2022 143,5 uur heeft gedeclareerd. Het voorgaande heeft Zorg Saam c.s. onvoldoende weersproken. Bij deze stand van zaken wordt voorshands aangenomen dat Zorg Saam c.s. in strijd heeft gehandeld met artikel 35 en Pro 36 Wmg. Dit is een strafbaar feit. [3]
4.19.
Verder heeft VGZ naar voren gebracht dat uit de documenten die Zorg Saam c.s. ten behoeve van het fraudeonderzoek wel heeft verstrekt, waaronder de urenregistraties, volgt dat [naam 4] , een stagiaire van Zorg Saam c.s. , het volledige kalenderjaar 2022 onafgebroken en dus 365 dagen heeft gewerkt. Volgens Zorg Saam c.s. heeft zij zelfs over 200 dagen in 2022 de ochtend-, middag- en avondzorg verleend. Dit is aanleiding geweest voor VGZ om contact op te nemen met [naam 4] . [naam 4] heeft richting VGZ verklaard dat zij in 2022 ook vakanties en vrije dagen heeft genoten en ongeveer 32 uur per week, verdeeld over vier dagen, voor Zorg Saam c.s. heeft gewerkt. Dit strookt dan ook niet met de door Zorg Saam c.s. verstrekte gegevens. Ook is niet weersproken dat ten aanzien van verleende zorg door [naam 4] dagrapporten ontbreken (zie hiervoor in 4.17). Zorg Saam c.s. heeft aangevoerd dat het voorgaande niet betekent dat ten aanzien van [naam 4] meer zorg is gedeclareerd dan geleverd omdat de gedeclareerde uren niet naast de urenregistraties van [naam 4] zijn gelegd. Dat standpunt is op zich juist, maar het voorgaande wekt wel, zoals VGZ terecht stelt, ten minste de schijn van valsheid in geschrift. Zorg Saam c.s. kan overigens niet worden gevolgd in haar standpunt dat dit een nieuwe grondslag is van de registraties. VGZ heeft dit punt immers ook in haar brief van 6 maart 2025 genoemd.
4.20.
In de derde plaats wordt Zorg Saam c.s. door VGZ verweten dat haar zorgmedewerkers niet over het vereiste diploma beschikken, zoals geregeld in artikel 14 van Pro de polisvoorwaarden. Op grond van dit artikel komt verpleging en verzorging alleen voor vergoeding in aanmerking als deze zorg wordt verleend door een verpleegkundige, verpleegkundig specialist, verzorgende niveau 3 of verzorgende in de individuele gezondheidszorg. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft VGZ productie 13 in het geding gebracht, waaruit volgens VGZ blijkt dat slechts 3 van de 21 zorgverleners over het vereiste diploma beschikken. Dit alles wordt niet door Zorg Saam c.s. betwist. Maar zij stelt niet gebonden te zijn aan de polisvoorwaarden nu een zorgovereenkomst tussen haar en VGZ ontbreekt. Dit betoog faalt, nu dit niet in de weg staat aan het voldoen aan de criteria van artikelen 4.1.1 PIFI en 5.2.1 PIFI. Door zorg te laten verlenen door medewerkers die niet voldoen aan de kwalificaties die worden genoemd in de polisvoorwaarden van VGZ roept Zorg Saam immers het risico in het leven dat verleende zorg niet wordt vergoed door VGZ aan cliënten. Hiermee schaadt zij, mede gelet op de hiervoor vermelde wijze van declareren, (al dan niet potentieel) de financiële belangen van VGZ en haar verzekerden.
4.21.
Wat op basis van het vorenstaande in elk geval kan worden aangenomen, is dat sprake is van schijn van valsheid in geschrifte, zorgmedewerkers van Zorg Saam c.s. niet over de vereiste diploma’s beschikken zoals geregeld in de polisvoorwaarden van VGZ en Zorg Saam c.s. in strijd heeft gehandeld met de artikelen 35 en 36 Wmg. Voorshands oordelend heeft het fraudeonderzoek van VGZ zodanig ernstige verdenkingen van frauduleus handelen opgeleverd dat daarvan in dit kort geding moet worden uitgegaan. Bij die stand van zaken behoeft geen beoordeling of op 15 december 2024 ontbrekende stukken, zie hiervoor in 3.7, aan VGZ zijn verstrekt, zoals Zorg Saam c.s. stelt en VGZ betwist.
4.22.
Aan het voorgaande doet niet af dat volgens Zorg Saam c.s. onvoldoende hoor- en wederhoor heeft plaatsgevonden. Van belang is dat VGZ Zorg Saam c.s. de mogelijkheid heeft gegeven om te reageren op haar voorlopige bevindingen en dat zij is ingegaan op de reactie van Zorg Saam c.s. in haar brief van 6 maart 2025. Ook daarna heeft VGZ nog tweemaal gereageerd op verzoeken tot herziening van haar besluiten. Hieruit blijkt afdoende dat sprake is geweest van hoor- en wederhoor. Het standpunt van Zorg Saam c.s. komt er in feite op neer dat VGZ haar bezwaren ten onrechte naast zich neer heeft gelegd maar dit leidt op zichzelf niet tot de conclusie dat onvoldoende hoor- en wederhoor heeft plaatsgevonden.
Subsidiariteit en proportionaliteit
4.23.
Ten aanzien van de proportionaliteit en subsidiariteit heeft VGZ een beroep gedaan op de Maatregelenrichtlijn van Zorgverzekeraars Nederland waarin een puntentellingssysteem wordt gehanteerd. VGZ heeft aangevoerd dat zij op basis van deze richtlijn is uitgekomen op een registratietermijn van acht jaar maar dit heeft bijgesteld naar een termijn van zes jaar omdat het onderzoek beperkt is tot het jaar 2022 en ook de duur van het onderzoek op de termijn in mindering wordt gebracht. Daarnaast heeft VGZ toegelicht dat de proportionaliteit door drie medewerkers van VGZ wordt beoordeeld om tunnelvisie te voorkomen. Zorg Saam c.s. heeft het een en ander niet betwist en heeft erkend dat het gebruik van een puntentellingsysteem gebruikelijk is bij dit soort registraties. Gelet op de aard van de hiervoor omschreven gedragingen van Zorg Saam c.s. , haar hoedanigheid en de (potentiële) financiële implicaties van deze gedragingen voor VGZ én haar verzekerden, moet de conclusie zijn dat is voldaan aan het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel. Een termijn van zes jaar vanaf 31 oktober 2023 staat in een redelijke verhouding tot het doel van de registraties. Tevens heeft VGZ ter zitting verklaard aangifte te hebben gedaan van valsheid in geschrifte en heeft zij in haar brief van 6 maart 2025 toegelicht waarom ook de gegevens van [eiseres 2] in de registers zijn opgenomen.
Slotsom
4.24.
Dit alles leidt ertoe dat voorshands moet worden aangenomen dat aan de vereisten van artikel 4.1.1 en artikel 5.2.1 van het PIFI en de maatstaf van de Hoge Raad is voldaan en de registratie in het IR en EVR niet ten onrechte en niet voor een te lange duur heeft plaatsgevonden. Zorg Saam c.s. heeft ter zitting verklaard dat voor zover wordt geoordeeld dat sprake is van een terechte registratie in het EVR en IR ook sprake is van een terechte registratie in de GA. Ter zitting is verder komen vast te staan dat er geen registratie in het IVR heeft plaatsgevonden, omdat VGZ daarover niet beschikt. De vorderingen van Zorg Saam c.s. zullen worden afgewezen.
4.25.
Zorg Saam c.s. krijgt ongelijk. Zij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VGZ worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.999,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van Zorg Saam c.s. af,
5.2.
veroordeelt Zorg Saam c.s. in de proceskosten van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Zorg Saam c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.
1780

Voetnoten

1.HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720.
2.Zie artikel 87 en Pro 88 van de Zorgverzekeringswet en artikel 1 lid Pro 1, onder v, 7.3 en 7.4 lid 4 van de Regeling zorgverzekering.
3.Zie artikel 1, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten.