ECLI:NL:RBGEL:2025:11902

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
C/05/450292 / HZ ZA 25-100
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:904 BWArt. 3:51 BWArt. 6:248 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vernietiging bindend advies over brandopstalschade

Eiser en Univé sloten een verzekeringsovereenkomst met een schaderegelingsclausule die bindend advies door een derde expert mogelijk maakt bij verschil van mening over schadevaststelling.

Na een brand op 10 februari 2023 ontstond discussie over de omvang van de schade. Beide partijen benoemden experts die uiteenlopende schadebedragen vaststelden. Een derde expert, benoemd conform de polisvoorwaarden, stelde de schade bindend vast binnen de grenzen van de taxaties.

Eiser vorderde vernietiging van dit bindend advies wegens onvoldoende motivering en schending van redelijkheid en billijkheid. De rechtbank oordeelde dat de toetsing marginaal is en dat het advies voldoende gemotiveerd en binnen de beoordelingsruimte van de derde expert viel.

De rechtbank concludeerde dat het bindend advies niet onaanvaardbaar is en wees de vordering van eiser af. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten en tot betaling van wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot vernietiging van het bindend advies af en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/450292 / HZ ZA 25-100
Vonnis van 24 december 2025
in de zaak van
[naam eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.J.G. Gipmans,
tegen
UNIVÉ STAD EN LAND BRANDVERZEKERAAR N.V.,
te Apeldoorn,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Univé,
advocaat: mr. W.C.T. Weterings.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 2 juli 2025
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 november 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] en Univé hebben een verzekeringsovereenkomst gesloten met betrekking tot de woonboerderij van [eiser] .
2.2.
In de verzekeringsovereenkomst is een schaderegelingsclausule opgenomen. In artikel 11.2 van de Voorwaarden Woonverzekering is bepaald:
11.2
Vaststellen schadebedrag
a. U en wij bepalen samen het bedrag van de schade. Eventueel kunnen we een expert laten bepalen hoeveel schade u heeft.
b. Als u twijfelt aan het schadebedrag, kunt u zelf ook een expert inschakelen (contra-expert). Dit meldt u dan vooraf aan ons. De beide experts schakelen dan ook nog een derde expert in. We noemen deze derde expert de arbiter. Zijn onze en uw expert het niet met elkaar eens? Dan bepaalt de derde expert het bedrag van de schade. Dit bedrag ligt tussen het bedrag dat onze expert noemt en het bedrag dat uw expert noemt. Het bedrag dat de derde expert vaststelt, is bindend. Dat gebruiken we om de vergoeding te berekenen.
U en wij mogen vragen om het bedrag van de schade opnieuw te bepalen. Dit recht bestaat als er een tel- of rekenfout in het rapport staat.
2.3.
Op 10 februari 2023 is in het verzekerde pand brand ontstaan. Partijen verschillen van mening over de omvang van de opstalschade die is veroorzaakt door de brand.
2.4.
[eiser] en Univé hebben op grond van artikel 11.2 van de verzekeringsvoorwaarden ieder een schade-expert benoemd. [eiser] heeft eerst calculatiebureau Doschcalc ingeschakeld. Vervolgens heeft De Raad Expertise
(hierna: “De Raad”) het dossier van Doschcalc overgenomen. Univé heeft Lengkeek B.V.
(hierna: “Lengkeek”) ingeschakeld.
2.5.
De Raad heeft zich geconformeerd aan de door Doschcalc begrote schade ten bedrage van € 1.284.106,60, waarvan € 993.881,13 ziet op de schade aan de woonboerderij en € 97.937,48 ziet op schade aan de overige opstallen. Lengkeek heeft de schade begroot op € 896.769,50, waarvan € 711.631,18 ziet op schade aan de woonboerderij en € 61.859,03 ziet op schade aan de overige opstallen.
2.6.
Omdat De Raad en Lengkeek niet tot overeenstemming konden komen, hebben zij conform de toepasselijke polisvoorwaarden op 4 april 2024 een akte van disakkoord getekend waarin zij de heer [medewerker Sedgwick] (hierna: [medewerker Sedgwick] ) van het bedrijf Sedgwick hebben verzocht de schade binnen de grenzen van hun taxaties bindend vast te stellen. [medewerker Sedgwick] heeft zijn benoeming aanvaard.
2.7.
Op 18 juli 2024 heeft [medewerker Sedgwick] een conceptrapport verstuurd naar De Raad en Lengkeek. De Raad en Lengkeek hebben het conceptrapport van opmerkingen voorzien. [medewerker Sedgwick] heeft in zijn uitspraak derde expert van 13 augustus 2024 de opstalschade begroot op
€ 1.042.631,99.
2.8.
Op 21 maart 2025 heeft [eiser] Univé gesommeerd tot betaling van het verschil tussen de begroting van [medewerker Sedgwick] en De Raad. Univé heeft geen gehoor gegeven aan deze sommatie.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – vernietiging van het bindend advies van [medewerker Sedgwick] , met veroordeling van Univé in de proceskosten.
3.2.
Univé voert verweer. Univé concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel afwijzing van de vordering van [eiser] . Univé vordert daarnaast veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eiser] vordert vernietiging van het bindend advies van [medewerker Sedgwick] . [eiser] beroept zich primair op artikel 7:904 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) in combinatie met artikel 3:51 lid 1 BW Pro. Subsidiair beroept [eiser] zich op artikel 6:248 lid 2 BW Pro.
Vernietiging van een bindend advies.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de uitspraak van [medewerker Sedgwick] een beslissing is als bedoeld in artikel 7:904 lid 1 BW Pro. Uit dit artikel volgt dat een dergelijke beslissing alleen kan worden vernietigd als gebondenheid daaraan in verband met de inhoud van dat advies of de wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het uitgangspunt is dus dat partijen gebonden zijn aan het bindend advies en dat er alleen in uitzonderlijke gevallen ruimte kan zijn voor vernietiging. Dit brengt mee dat de rechter slechts marginaal toetst (ECLI:NL:HR:2003:AJ0513).
4.3.
Ten aanzien van de inhoud van de uitspraak geldt, mede als uitvloeisel van de marginale aard van de toetsing, dat alleen ernstige inhoudelijke gebreken in de uitspraak tot vernietigbaarheid kunnen leiden (ECLI:NL:HR:1997:ZC2427). De beslissing is alleen aantastbaar als de grenzen waarbinnen redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen, zijn overschreden (ECLI:NL:HR:1993:ZC1001). Voor wat betreft de wijze van totstandkoming van de uitspraak geldt dat tijdens de procedure die heeft geleid tot de bestreden uitspraak, de fundamentele eisen van een goede procesorde in acht moeten zijn genomen. Deze komen er – samengevat – op neer dat partijen over dezelfde dossierstukken moeten beschikken als de derde-expert, dat partijen over en weer in de gelegenheid moeten zijn gesteld hun visie op de zaak te geven (het beginsel van hoor en wederhoor), dat de derde expert zijn werkzaamheden onafhankelijk en onpartijdig moet uitvoeren, dat de uitspraak op een deugdelijke behandeling en beoordeling van de zaak gebaseerd moet zijn en dat de uitspraak voldoende gemotiveerd dient te worden. Bij de beantwoording van de vraag of een partij haar wederpartij aan de uitspraak mag houden als bij de totstandkoming daarvan procedurele fouten zijn gemaakt, is mede van belang of, en zo ja in welke mate, door de procedurefout nadeel aan de wederpartij is toegebracht. Er moet een oorzakelijk verband bestaan tussen de procedurele tekortkoming en de inhoud van de uitspraak (ECLI:NL:HR:2006:AV1706).
[medewerker Sedgwick] heeft zijn uitspraak voldoende gemotiveerd
4.4.
[eiser] stelt dat sprake is van schending van het motiveringsbeginsel. Ook de bezwaren van [eiser] ten aanzien van de inhoud van de uitspraak van [medewerker Sedgwick] zien grotendeels op de motivering van de uitspraak. [eiser] doet in dat kader een beroep op de Richtlijn bij optreden derde expert (hierna: “Richtlijn”) van het Nederlands Instituut van Register Experts (hierna: NIVRE). Uit de Richtlijn volgt volgens [eiser] dat er een motiveringsplicht geldt voor de derde-expert. De relevante bepaling uit de Richtlijn luidt als volgt:

Alleen als de motivatie duidelijk en begrijpelijk is zal de uitkomst door eenieder makkelijker worden geaccepteerd. Belanghebbenden bij de uitspraak van de derde expert hebben recht op een begrijpelijke, heldere uitspraak.
4.5.
[eiser] stelt dat het advies van [medewerker Sedgwick] niet begrijpelijk is omdat vrijwel alle motivering bij de afgewezen schadeposten ontbreekt. [eiser] verwijst in dat kader naar de gedragsregels van het NIVRE, waarin is bepaald:
[de expert]

g. zorgt ervoor dat de rapportage:
1. een gedegen en gemotiveerde vaststelling van de oorzaak, toedracht en eventueel de hoogte van de schade bevat;
2. op heldere wijze is geformuleerd en op een taalniveau waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de verzekerde dit begrijpt;
3. Een opsomming bevat van hetgeen de verzekerde wil claimen.
Van [medewerker Sedgwick] had volgens [eiser] een duidelijke opsomming van de verschillende schadeposten verlangd mogen worden, inclusief waar mogelijk het aantal eenheden tegen een bepaalde prijs. [medewerker Sedgwick] heeft ten onrechte volstaan met het benoemen van één schadebedrag voor de opstal, aldus [eiser] .
4.6.
De rechtbank merkt vooraf op dat tussen partijen discussie is over de vraag of de uitspraak van [medewerker Sedgwick] kwalificeert als een zuiver bindend advies of als een gemengd zuiver en onzuiver bindend advies. Dit kan in midden blijven. Zelfs als sprake is van een gemengd zuiver en onzuiver advies waarvoor hogere motiveringseisen gelden, dan nog wordt [eiser] niet gevolgd in zijn stelling dat het rapport van [medewerker Sedgwick] onvoldoende gemotiveerd is. Het volgende is daartoe redengevend.
4.7.
De opdracht van [medewerker Sedgwick] is vastgelegd in de akte van disakkoord. Op grond van de akte van disakkoord diende [medewerker Sedgwick] de schade bindend vast te stellen binnen de grenzen van de taxaties van De Raad en Lengkeek. De grenzen van de taxaties van De Raad en Lengkeek – en daarmee de opdracht van [medewerker Sedgwick] – waren € 1.284.106,60 respectievelijk
€ 896.769,50. [medewerker Sedgwick] heeft de totale schade vastgesteld op € 1.042.631,99. [medewerker Sedgwick] heeft zijn opdracht uit de akte van disakkoord dus uitgevoerd.
4.8.
Op grond van vaste rechtspraak komt een bindend adviseur de nodige beoordelingsruimte toe bij de wijze van invulling en uitvoering van de opdracht. Van een bindend adviseur kan niet worden verlangd dat hij zonder meer voldoet aan wensen en nadere aanwijzingen van zijn opdrachtgever (ECLI:NL:HR:2012:BW0727). De door [eiser] aangehaalde Richtlijn en gedragsregels van het NIVRE bevatten geen motiveringsplicht voor de derde deskundige in de zin dat een eventuele schending daarvan meebrengt dat sprake is van een ernstig gebrek in de motivering van het bindend advies als bedoeld in artikel 7:904 BW Pro. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet van [medewerker Sedgwick] hoefde worden verwacht dat hij een opsomming van de diverse schadeposten met toelichting daarop had opgenomen in zijn uitspraak. De akte van disakkoord bevat ook geen verplichting daartoe.
4.9.
Ten aanzien van de motivering van een bindend advies geldt dat de rechtbank dit slechts marginaal toetst. De uitspraak van [medewerker Sedgwick] bevat een opsomming van alle stukken die door hem zijn geraadpleegd. De opsomming omvat alle facturen met specificaties en alle offertes die door zowel De Raad als Lengkeek per afzonderlijke schadepost zijn toegevoegd. Tussen partijen is niet in geschil dat de stukken waarop [medewerker Sedgwick] zijn uitspraak op heeft gebaseerd alle beschikbare stukken zijn. Daarmee staat vast dat [medewerker Sedgwick] over dezelfde dossierstukken beschikte als [eiser] en Univé.
4.10.
Verder volgt uit de uitspraak van [medewerker Sedgwick] dat hij op 13 mei 2024 een overleg heeft gehad met de experts van De Raad en Lengkeek. Tijdens dit overleg heeft [medewerker Sedgwick] vragen gesteld aan beide experts en hen in de gelegenheid gesteld hun visie op de omvang van de schade nader toe te lichten. Vervolgens is [medewerker Sedgwick] op 17 juni 2024 ter plaatse geweest op het adres van [eiser] . Daar hebben [eiser] en zijn vrouw antwoord gegeven op de vragen die [medewerker Sedgwick] aan hen had. Ook heeft [medewerker Sedgwick] hen in de gelegenheid gesteld om een toelichting te geven op alles wat zij van belang achtten. [medewerker Sedgwick] heeft zijn conceptrapport met toelichting en onderbouwing aan de experts van De Raad en Lengkeek voorgelegd en hen in de gelegenheid gesteld om te reageren op het conceptrapport. De experts hebben uitgebreid gereageerd op de conceptuitspraak van [medewerker Sedgwick] . [medewerker Sedgwick] heeft hun commentaar opgenomen in de definitieve uitspraak, voorzien van zijn reacties waarin hij gemotiveerd zijn keuzes uitlegt en toelicht hoe hij op het definitief vastgestelde schadebedrag is gekomen. [medewerker Sedgwick] heeft daarbij op een begrijpelijke wijze toegelicht waarom hij niet per begrotingsregel van De Raad/Doschcalc en Lengkeek heeft uitgelegd waarom hij daarvan afwijkt. [medewerker Sedgwick] is namelijk benoemd om tot een (eigen) eindoordeel te komen ten aanzien van de schade, binnen de grenzen van de taxaties van De Raad en Lengkeek. [medewerker Sedgwick] heeft in zijn uitspraak verklaard dat nadere specificaties van de schadebedragen aanleiding kunnen zijn voor nieuwe discussie, hetgeen niet de bedoelding is van zijn benoeming als derde deskundige. [medewerker Sedgwick] heeft aldus inzicht gegeven in de wijze waarop hij tot zijn conclusie is gekomen. Die conclusie is naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de beoordelingsruimte van de bindend adviseur, met de aangedragen motivering inzichtelijk en naar behoren onderbouwd. Als al sprake is van een gebrek in de motivering van [medewerker Sedgwick] , is in ieder geval niet sprake van een dusdanig ernstig gebrek dat vernietiging van het advies rechtvaardigt, zoals Univé terecht aanvoert.
4.11.
De door [eiser] gestelde inhoudelijke gebreken zijn daarnaast toegelicht door
[medewerker Sedgwick] in zijn uitspraak. [medewerker Sedgwick] heeft de argumenten van [eiser] gewogen, maar hij heeft de door [eiser] naar voren gebrachte feiten niet overtuigend geacht. Dat [eiser] het niet eens is met het oordeel van [medewerker Sedgwick] op de door hem uitgelichte onderdelen maakt niet dat sprake is van een ernstig gebrek in het advies van [medewerker Sedgwick] . Door het terughoudende karakter van de maatstaf van artikel 7:904 lid 1 BW Pro kunnen partijen namelijk niet elke eventuele onjuistheid in de beslissing inroepen om de bindende kracht daarvan te bestrijden (ECLI:NL:HR:1993:ZC1001).
4.12.
Subsidiair stelt [eiser] dat het bindend advies van [medewerker Sedgwick] dusdanig tegen de redelijkheid en billijkheid in de zin van artikel 6:248 lid 2 BW Pro indruist dat het onaanvaardbaar is dat [eiser] aan de uitspraak van [medewerker Sedgwick] wordt gehouden. Ten aanzien van een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW Pro dient de rechter eveneens terughoudend te zijn bij het aannemen van onaanvaardbaarheid van gebondenheid aan het bindend advies. Nu [eiser] aan zijn beroep op artikel 6:248 lid 2 BW Pro hetzelfde feitencomplex ten grondslag heeft gelegd als aan zijn beroep op artikel 7:904 lid 1 BW Pro, slaagt ook dit beroep niet.
Conclusie
4.13.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het bindend advies van [medewerker Sedgwick] zowel ten aanzien van de wijze van totstandkoming als de inhoud ervan niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De uitspraak van
[medewerker Sedgwick] is daarom niet vernietigbaar op grond van artikel 7:904 lid 1 BW Pro dan wel artikel 6:248 lid 2 BW Pro. De rechtbank zal de vordering van [eiser] afwijzen.
Proceskosten
4.14.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Univé worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.120,00
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.120,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen
uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.
JV/KH