Eiser trad op 1 augustus 2023 in dienst bij gedaagde als HAS-monteur met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en een bruto uurloon van €16,29. Gedaagde informeerde werknemers op 17 december 2024 over betalingsproblemen door het uitblijven van betalingen van de grootste klant, maar vroeg hen werkzaamheden voort te zetten.
Op 20 december 2024 ontving eiser een e-mail waarin gedaagde vertraging in salarisbetalingen meldde. Ondanks sommatie op 3 januari 2025 heeft gedaagde het loon over december 2024 niet betaald. Eiser vordert betaling van het achterstallig salaris, wettelijke verhoging, wettelijke rente, een dwangsom, eigen bijdrage en proceskosten.
De kantonrechter verleent verstek tegen gedaagde en wijst de loonvordering inclusief wettelijke verhoging en rente toe. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen omdat deze niet is toegestaan bij betaling van een geldsom. De eigen bijdrage wordt ook afgewezen omdat deze onderdeel is van de proceskosten. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van €768. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.