Eiseres stelde beroep in omdat de Dienst Toeslagen niet tijdig had beslist op haar bezwaar tegen een besluit van 25 september 2023, genomen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen. De rechtbank constateerde dat de ingebrekestelling van 12 september 2024 na het verstrijken van de beslistermijn was ingediend en dat het beroepschrift pas meer dan twee weken daarna werd ontvangen.
De rechtbank volgde de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 maart 2025, waarin de beslistermijn voor het bestuursorgaan werd vastgesteld op 60 weken na het verstrijken van de wettelijke termijn. Dit leidde tot een uiterste beslistermijn van 5 mei 2025 voor de Dienst Toeslagen.
Omdat de Dienst Toeslagen nog geen besluit had genomen, werd een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd voor iedere dag dat de termijn wordt overschreden. Daarnaast werd de Dienst veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres.
De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk en gegrond is, vernietigde het niet tijdig genomen besluit en bepaalde dat de Dienst uiterlijk op 5 mei 2025 een besluit moet nemen. De Dienst werd tevens veroordeeld tot betaling van een dwangsom en kostenvergoeding.
De uitspraak werd gedaan door rechter Derksen, die tevens de griffier aanwees. Partijen werden geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van de uitspraak.