Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen de rechter die de kortgedingzaak behandelde, stellende dat de rechter niet onafhankelijk zou zijn en valselijk had geoordeeld. Zij voerden aan dat zij geen rechtsbescherming kregen en dat de rechter op de zitting had gegniffeld. De wrakingskamer onderzocht deze klachten en concludeerde dat er geen bewijs was voor partijdigheid of onpartijdigheidsschending.
Tijdens de mondelinge behandeling waren verzoekers niet aanwezig, ondanks afmelding. De rechter ontkende het gniffelen en benadrukte zijn onpartijdigheid. De wrakingskamer stelde vast dat eerdere negatieve uitspraken van de rechter tegen verzoekers geen reden zijn voor wraking, tenzij sprake is van duidelijke vooringenomenheid, wat niet is aangetoond.
De wrakingskamer overwoog tevens dat het wrakingsverzoek alleen betrekking kan hebben op de rechter die de zaak behandelt, en niet op het gehele rechtssysteem. Het verzoek werd daarom ongegrond verklaard en afgewezen. De beslissing werd op 6 mei 2025 in het openbaar uitgesproken.