Eiser is eigenaar van een scheepswerf waar een oude damwand werd vervangen door een L-krib. Na deze werkzaamheden ontstonden schade door onderspoeling van de bedrijfshal en verzanding van de haven. Eiser vroeg nadeelcompensatie bij de minister, die dit afwees op advies van een commissie.
De commissie concludeerde dat er geen voldoende causaal verband was tussen de onderspoeling en de aanleg van de L-krib, en dat de verzanding binnen het normale ondernemersrisico viel. Eiser stelde dat de oude beleidsregel uit 2014 van toepassing was en dat de minister ten onrechte het causale verband ontkende.
De rechtbank oordeelde dat de aanvraag pas in 2019 was ingediend en dat de beleidsregel uit 2019 terecht werd toegepast. Het causale verband voor de onderspoeling was onvoldoende aangetoond en de verzanding viel binnen het normale ondernemersrisico. De weigering van nadeelcompensatie werd daarom bevestigd.
De rechtbank wees ook de vordering tot vergoeding van juridische kosten af en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.