ECLI:NL:RBGEL:2025:4210
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Pensioenfonds niet aan te merken als gemeenschappelijk beleggingsfonds voor omzetbelasting
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vraag centraal of een pensioenfonds kan worden aangemerkt als een gemeenschappelijk beleggingsfonds in de zin van de omzetbelastingwetgeving. De rechtbank Gelderland beoordeelde dit naar aanleiding van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat op 5 september 2024 een arrest heeft gewezen.
De kern van het geschil is of de deelnemers aan het pensioenfonds beleggingsrisico lopen, wat een vereiste is om het fonds als gemeenschappelijk beleggingsfonds aan te merken en daarmee in aanmerking te komen voor vrijstelling van omzetbelasting. De rechtbank concludeert dat het bedrag van de pensioenrechten en uitkeringen niet in de eerste plaats afhankelijk is van de beleggingsresultaten, maar vooral van het arbeidsinkomen, dienstjaren en toeslagen gebaseerd op CBS-indexcijfers. De actuariële berekeningen tonen wel dat beleggingsresultaten nodig zijn voor financiering, maar dit betekent niet dat deelnemers het beleggingsrisico dragen.
Daarnaast is beoordeeld of het pensioenfonds vergelijkbaar is met andere pensioenfondsen die wel als gemeenschappelijk beleggingsfonds worden aangemerkt. De rechtbank stelt dat belanghebbende onvoldoende feiten heeft gesteld om deze vergelijkbaarheid aannemelijk te maken. Omdat het pensioenfonds geen gemeenschappelijk beleggingsfonds is, is de omzetbelastingvrijstelling niet van toepassing en is het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep afgewezen en het bedrag van € 181.398 aan omzetbelasting over het vierde kwartaal 2017 is terecht voldaan. Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het pensioenfonds wordt niet aangemerkt als gemeenschappelijk beleggingsfonds en het beroep wordt ongegrond verklaard.