De officier van justitie vorderde dat de rechtbank het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt en veroordeelde tot betaling aan de Staat. De vordering werd gebaseerd op een berekening van het voordeel van €24.150, verminderd met bedragen die niet ten goede kwamen aan verdachte, resulterend in een bedrag van €15.020.
De verdediging verzocht primair om afsplitsing van de ontnemingszaak van de hoofdzaak vanwege onduidelijkheden en afwijkingen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Subsidiair werd de afwijzing van de vordering gevraagd wegens vrijspraak in de hoofdzaak. De rechtbank wees het verzoek tot afsplitsing af en nam het rapport als uitgangspunt.
De rechtbank constateerde dat verdachte in de hoofdzaak op 9 mei 2025 is vrijgesproken. Gelet hierop verklaarde de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming, omdat het ontbreken van een veroordeling aan de ontvankelijkheid van de ontnemingsvordering in de weg staat.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland te Arnhem op 9 mei 2025.