ECLI:NL:RBGEL:2025:6104

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 juli 2025
Publicatiedatum
25 juli 2025
Zaaknummer
C/05/431338 / ES RK 24-36
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling van beperkte wettelijke gemeenschap en investeringen in onroerend goed in Bulgarije

In deze zaak heeft de Rechtbank Gelderland op 29 juli 2025 uitspraak gedaan over de vermogensrechtelijke afwikkeling van een echtscheiding tussen een vrouw en een man, die in beperkte wettelijke gemeenschap van goederen waren gehuwd. De vrouw, vertegenwoordigd door advocaat mr. H.P. Scheer, en de man, vertegenwoordigd door advocaat mr. N.J. Hos, hebben beiden investeringen gedaan in een woning in Bulgarije. De vrouw stelt dat zij in totaal € 82.550 heeft geïnvesteerd, terwijl de man claimt dat hij € 15.836,46 heeft bijgedragen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vrouw een bedrag van € 463,31 meer heeft geïnvesteerd dan de man. De rechtbank heeft de partijen opgedragen mee te werken aan de verkoop van de woning en heeft bepaald dat de vrouw bij vooruitneming uit de verkoopopbrengst een bedrag mag nemen, dat wordt berekend op basis van de verhouding van haar investering tot de totale waarde van de woning. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze moet worden nageleefd, ook als een van de partijen in hoger beroep gaat. De rechtbank heeft ook beslissingen genomen over inboedelgoederen en de toedeling daarvan.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/441696 / FA RK 24-3179
Datum uitspraak: 29 juli 2025
beschikking over vermogensrechtelijke afwikkeling
in de zaak van
[naam verzoekster](nader te noemen: de vrouw),
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. H.P. Scheer in Utrecht,
tegen
[naam verweerder](nader te noemen: de man),
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. N.J. Hos in Amersfoort.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank gaat uit van de volgende stukken:
  • de beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen van 6 maart 2025;
  • het F9-formulier namens de vrouw, met producties 34 tot en met 38, ingekomen op 16 april 2025;
  • het F9-formulier namens de man, met producties 10 tot en met 16, ingekomen op 16 april 2025;
  • het F9-formulier namens de vrouw, met productie 40, ingekomen op 19 mei 2025;
  • het F9-formulier namens de vrouw, met reactie van de vrouw, ingekomen op 9 juni 2025.

2.Wat vooraf ging

2.1.
De rechtbank verwijst voor de feiten en de verzoeken mede naar de beschikking van 6 maart 2025.
2.2.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd in de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen. Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde op de peildatum (31 januari 2024) in ieder geval het huis aan het adres [adres] , Bulgarije.
2.3.
Beide partijen hadden voorhuwelijks vermogen. Zij stellen allebei dat zij vanuit dat privévermogen in de woning hebben geïnvesteerd. Dat er in die woning is geïnvesteerd is niet in geschil. Waar partijen met name over van mening verschillen, is de vraag waar het geld van de investeringen vandaan kwam. Dit komt voor een groot deel doordat veel betalingen contant zijn gedaan.
2.4.
In de beschikking van 6 maart 2025, rechtsoverweging 3.29, heeft de rechtbank overwogen dat het op grond van de op dat moment voorhanden informatie onvoldoende duidelijk was hoe de geldstromen zijn gelopen. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om nadere stukken in het geding te brengen. Partijen hebben dat gedaan.

3.De standpunten van partijen

Het nadere standpunt van de vrouw
3.1.
De vrouw stelt het volgende. Zij heeft tussen 29 mei 2017 en 28 juli 2022 in totaal € 60.250 in contanten opgenomen van haar bankrekening bij de ING Bank. Hiervan is een bedrag van € 2.850 vóór het huwelijk opgenomen. Verder heeft haar moeder in 2022 een bedrag van in totaal € 2.400 naar haar Bulgaarse rekening overgemaakt. [1]
Het verschil van de saldi op haar betaalrekening tussen de huwelijksdatum en de peildatum is € 974,30. [2] Het verschil op haar spaarrekening is € 3.882,60 negatief. [3]
Eerder heeft zij al stukken overgelegd waaruit volgt dat er tijdens het huwelijk € 19.900 vanaf haar Nederlandse rekening is overgemaakt naar de Bulgaarse rekening. Volgens de vrouw is ook dit geïnvesteerd in de woning.
3.2.
De vrouw trekt uit het voorgaande de conclusie dat de man haar minimaal de helft van het door haar met privégeld geïnvesteerde bedrag aan haar dient te vergoeden. Dat is € 4.079,15. [4] Daarnaast vindt de vrouw dat de man gehouden is om ook de helft van de overige door haar gedane investeringen te betalen en zij handhaaft dan ook haar verzoek zoals eerder gedaan tot vergoeding van een bedrag van € 41.428. Dit is de helft van de door haar gestelde uitgaven.
Het nadere standpunt van de man
3.3.
De man stelt dat hij voorafgaand aan en tijdens het huwelijk over circa € 35.000 privévermogen beschikte. Dit vermogen bestond uit:
  • de overwaarde van zijn woning in [plaatsnaam] , die hij heeft aangekocht voor het huwelijk en die tijdens het huwelijk is verkocht met een netto verkoopopbrengst van € 14.111,93;
  • de saldi van twee bankrekeningen bij de Rabobank, die aan het begin van het huwelijk € 10.542,92 en € 322,01 bedroegen, dus in totaal € 10.864,93, en op de peildatum respectievelijk € 3.560,68 en € 4.588,81 dus in totaal € 9.140,40).
Verder heeft de man tijdens het huwelijk een oude Volkswagen Kever en een Sparta brommer verkocht voor ongeveer € 10.000 in totaal.
Deze bedragen heeft de man geïnvesteerd in de woning in Bulgarije. Daarnaast heeft hij ook veel werkzaamheden zelf gedaan en op die manier in natura geïnvesteerd in de woning. Ook zijn vader heeft veel tijd en energie gestoken in de verbouwing. De man persisteert bij zijn verzoek om, na verrekening van hetgeen de man bij de aankoop van de woning méér heeft betaald dan de vrouw, de resterende overwaarde bij helfte te verdelen.
3.4.
Eerder in de procedure heeft de man het standpunt ingenomen dat hij een transitievergoeding van € 29.367,56 heeft ontvangen en ook daaruit in de woning heeft geïnvesteerd, maar die stelling is niet nader met stukken onderbouwd.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw voldoende heeft onderbouwd dat zij een bedrag van in totaal € 82.550 in de woning heeft geïnvesteerd, bestaande uit € 60.250 aan contante opnames, € 19.900 aan overboekingen naar de Bulgaarse rekening en het bedrag van € 2.400 dat zij van haar moeder heeft ontvangen, mede in het licht van het eerder [6] door de vrouw overgelegde (verder niet onderbouwde) overzicht van de investeringen die zouden zijn gedaan aan de woning. Dit overzicht sluit op € 83.648. De rechtbank concludeert uit de stukken verder dat het bedrag van € 2.850 is begrepen in het bedrag van € 60.250 en dat dit dus niet tweemaal moet worden geteld. Hoewel de vrouw niet heeft aangetoond dat zij het bedrag van € 62.650 heeft geïnvesteerd in de woning in Bulgarije, wil de rechtbank dit wel aannemen. Tussen partijen is immers niet in geschil dat de betalingen ten behoeve van de woning in Bulgarije voornamelijk met contant geld werden verricht. Echter, hiermee staat nog niet vast dat al dit geld van oorsprong privégeld van de vrouw was. Zij beschikte bij het aangaan van het huwelijk immers slechts over € 11.049,77 aan banktegoeden. De rechtbank is bereid aan te nemen dat dit hele bedrag in de woning is geïnvesteerd. Ook de betalingen van in totaal € 2.400 van de moeder van de vrouw zijn aan alleen de vrouw gedaan. De rechtbank neemt aan - omdat geen andere grondslag is gesteld of gebleken - dat dit schenkingen aan de vrouw zijn geweest. Deze vallen op grond van de wet [7] buiten de gemeenschap. Verder heeft de vrouw € 2.850 voorafgaand aan het huwelijk geïnvesteerd, dat per definitie privé was. De herkomst van de overige bedragen is niet toegelicht. Voor zover dit bijvoorbeeld afkomstig is uit inkomsten uit arbeid tijdens het huwelijk, is het geen privévermogen, gelet op de bestaande gemeenschap van goederen. De vrouw heeft daarmee tot een bedrag van € 16.299,77 aannemelijk gemaakt dat sprake is van privé-investeringen.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de man voldoende heeft onderbouwd dat hij een bedrag van in totaal € 15.836,46 aan privévermogen in de woning heeft geïnvesteerd. Hierbij neemt de rechtbank de verkoopopbrengst van zijn huis in [plaatsnaam] van € 14.111,93 mee, vermeerderd met de afname van de saldi op zijn rekeningen tussen de huwelijksdatum en de peildatum, zijnde € 1.724,53 [8] . Evenals de vrouw heeft ook de man niet aangetoond dat hij deze bedragen daadwerkelijk in de woning in Bulgarije heeft geïnvesteerd, maar ook dit wil de rechtbank, net als bij de vrouw, wel aannemen.
4.3.
De rechtbank laat de door de man gestelde verkoopopbrengsten van de Volkswagen Kever en de Sparta buiten beschouwing. De vrouw heeft er terecht op gewezen dat de verzekeringspolis van de Sparta op naam van de vader van de man stond. De man heeft niet gesteld [9] , laat staan aangetoond dat de Volkswagen Kever en de Sparta zijn eigendom waren. Hij heeft bovendien de door hem gestelde verkoopopbrengst niet onderbouwd. Daarnaast acht de rechtbank het opmerkelijk dat de man tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij een Tomos bezat (en niet een Sparta). Over de besteding van de transitievergoeding heeft de man zich niet verder uitgelaten, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat. Omdat deze al voor het huwelijk is uitbetaald, is het overigens aannemelijk dat die vergoeding (of wat daar nog van over was) is verdisconteerd in de banksaldi bij aanvang van het huwelijk.
4.4.
De rechtbank passeert verder de stelling van de man dat hetgeen hij bij de aankoop méér heeft betaald dan de vrouw moet worden verrekend. In overweging 3.28 van de beschikking van 6 maart 2025 heeft de rechtbank immers benoemd dat partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard dat zij zich erin kunnen vinden om het verschil in investering bij de aankoop van de woning te laten voor wat het is. Hier waren zij het dus over eens. De man kan niet terugkomen op deze afspraak.
4.5.
De conclusie is dat de vrouw een bedrag van € 463,31 méér uit privévermogen heeft geïnvesteerd in de woning in Bulgarije dan de man. Op deze investering is de zogenoemde beleggingsleer van toepassing. [10] Dat betekent dat de vrouw bij vooruitneming uit de verkoopopbrengst van de woning van de woning in Bulgarije het bedrag mag nemen, dat wordt berekend als volgt: € 463,31 : aanschafwaarde woning x verkoopwaarde woning. De meeropbrengst komt beide partijen voor de helft toe. De rechtbank zal dit bepalen.
Overige beslispunten
4.6.
In de beschikking van 6 maart 2025 heeft de rechtbank overwegingen gegeven over een aantal inboedelgoederen die de man wenst te ontvangen. Overeenkomstig die overwegingen zal de rechtbank hierover nu een beslissing geven.
4.7.
De rechtbank zal de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissingen moeten worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt. De beslissing van de rechtbank geldt totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
bepaalt dat partijen dienen mee te werken aan verkoop van de woning aan het adres [adres] , Bulgarije;
5.2.
bepaalt dat de vrouw bij vooruitneming uit de verkoopopbrengst van deze woning een bedrag mag nemen, dat wordt berekend op € 463,31 : aanschafwaarde woning x verkoopwaarde woning en dat de netto-opbrengst voor het overige tussen partijen bij helfte wordt gedeeld;
5.3.
bepaalt dat als partijen het alsnog eens worden over toedeling van de woning aan de vrouw, zij aan de man een bedrag dient te vergoeden gelijk aan de helft van de netto waarde verminderd met de helft van € 463,31 : aanschafwaarde woning x overnameprijs van de woning;
5.4.
stelt vast dat het doosje met bon van het horloge (en het bandje) van de man (Tag Heuer) en de spullen van zijn overleden oma uit Suriname aan hem toebehoren;
5.5.
draagt de vrouw op de digitale foto’s waarop de man met [naam] staat aan hem toe te sturen;
5.6.
bepaalt dat deze beslissing uitvoerbaar is bij voorraad;
5.7.
wijst af wat meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C. van Schelven als griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2025.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Voetnoten

1.Productie 39 van de vrouw.
2.€ 2.741,35 op de peildatum, € 1.767,05 op de huwelijksdatum.
3.€ 5.500,12 op de peildatum, € 9.282,72 op de huwelijksdatum.
4.De helft van € 2.850 (investeringen vóór het huwelijk) + € 2.908,30 (afname saldi tijdens het huwelijk) + € 2.400 (ontvangen van haar moeder).
5.De man had ook een beleggingsrekening bij Evi van Lanschot, maar daarop stond al sinds 2014 geen saldo meer.
6.Productie 13 bij aanvullend verzoekschrift.
7.Artikel 1:94 lid 2, aanhef en onder a, Burgerlijk Wetboek (BW).
8.€ 10.864,93 - € 9.140,40.
9.Hij stelt alleen dat hij ze heeft verkocht.
10.Artikel 1:87 BW.