ECLI:NL:RBGEL:2025:6130

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 juli 2025
Publicatiedatum
28 juli 2025
Zaaknummer
C/05/453686 FZ RK 25-1598
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding bij termijnoverschrijding in verplichte zorg onder Wvggz

In deze zaak heeft de Rechtbank Gelderland op 29 juli 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 10:12 Wvggz. Verzoekster, die onder een zorgmachtiging valt, heeft schadevergoeding gevorderd van GGNet, de zorgaanbieder, omdat zij meent dat zij onterecht gedwongen is opgenomen zonder geldige titel. De rechtbank heeft vastgesteld dat de zorgverantwoordelijke de wettelijke termijn voor het indienen van een wijzigingsverzoek niet in acht heeft genomen. De rechtbank concludeert dat de zorgverantwoordelijke op 17 juni 2025 een beslissing heeft genomen tot verplichte zorg, maar dat de aanvraag tot wijziging van de zorgmachtiging pas op 23 juni 2025 is ingediend. Hierdoor is de termijn van drie dagen overschreden, wat heeft geleid tot onrechtmatige opname van verzoekster. De rechtbank kent verzoekster een schadevergoeding toe van € 70, omdat zij in onzekerheid heeft verkeerd over de rechtmatigheid van de zorgvormen die zijn toegepast. De rechtbank wijst het meer of anders verzochte af, maar erkent dat er sprake is van termijnoverschrijding en dat verzoekster recht heeft op een schadevergoeding.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats: Zutphen
Zaakgegevens: C/05/453686 / FZ RK 25-1598
Datum: 29 juli 2025
beschikking op grond van artikel 10:12 Wvggz
op het ingediende verzoekschrift van:
[naam verzoekster],
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
advocaat: mr. P.W.E. Hoezen in Winterswijk,
ter verkrijging van een beslissing over een verzoek om schadevergoeding door
GGNet,
gevestigd in Warnsveld,
hierna te noemen: verweerster.

1.Procesverloop

1.1.
Op 27 juni 2025 heeft verzoeker een mondeling verzoek gedaan. Het schriftelijke verzoek is ingekomen ter griffie op 30 juni 2025.
1.2.
Verweerster heeft in een e-mailbericht van 3 juli 2025 verweer gevoerd. Partijen hebben desgevraagd niet te kennen gegeven dat zij een nadere mondelinge behandeling van het verzoek wensen.

2.Feiten

2.1.
Ten aanzien van verzoekster heeft de rechtbank op 3 februari 2025 een zorgmachtiging afgegeven die geldt tot en met 3 februari 2026.
2.2.
Op 24 juni 2025 heeft de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank, met het verzoek de zorgmachtiging te wijzigen en daaraan de vormen van verplichte zorg ‘
het beperken van de bewegingsvrijheid’, ‘
onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrags-beïnvloedende middelen of gevaarlijke voorwerpen’,
‘controleren op de aanwezigheid van gedragsbeïnvloedende middelen’en
‘het opnemen in een accommodatie’toe te voegen. De rechtbank heeft dit verzoek bij beschikking van 27 juni 2025 toegewezen.

3.Verzoek en verweer

3.1.
Verzoekster heeft verzocht om vast te stellen dat zij schade heeft geleden die op grond van artikel 10:12 lid 2 Wvggz voor vergoeding in aanmerking komt en deze schade te bepalen ten laste van GGNet als zorgaanbieder en zorgverantwoordelijke op een bedrag van € 400 althans een bedrag dat de rechtbank redelijk en billijk voorkomt en verweerster te veroordelen tot voldoening van dit bedrag.
3.2.
Verzoekster heeft daartoe aangevoerd dat op 17 juni 2025 jegens haar verplichte zorg is ingezet in de vorm van (onder meer) opnemen in een accommodatie. Op 19 juni is opnieuw besloten om haar op te nemen. Het verzoek tot wijziging van de zorgmachtiging is pas op 24 juni 2025 door de officier van justitie ontvangen en aansluitend bij de rechtbank ingediend. Verzoekster is daardoor verplicht opgenomen geweest zonder dat daaraan een geldige titel ten grondslag lag. Zij heeft hierdoor schade geleden. Daarom vindt verzoekster dat zij het recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens onrechtmatige opname op een gesloten afdeling. Voor de hoogte van het bedrag zoekt zij aansluiting bij de oriëntatiepunten van de Rechtspraak over schadevergoeding in verplichte zorgzaken. Dit komt neer op € 100 per dag.
3.3.
Verweerster heeft aangevoerd dat de zorgverantwoordelijke op 17 juni 2025 een gemotiveerde aanvraag bij de geneesheer-directeur heeft ingediend voor een wijziging van de zorgmachtiging op grond van artikel 8:11 lid 3 Wvggz. Hierbij voorzag de zorgverantwoordelijke dat de noodzakelijke tijdelijke verplichte zorg langer zou duren dan drie dagen. Hij heeft om die reden direct een wijziging van de zorgmachtiging aangevraagd. Verzoekster verbleef zo lang mogelijk op haar beschermde woonplek. Op 19 juni 2025 is zij alsnog tegen haar wil overgebracht naar de Wvggz-accommodatie in Warnsveld. Anders dan de advocaat van verzoekster beweert, vangt de genoemde termijn pas op dat moment aan. Binnen drie dagen moet vervolgens het verzoek tot wijziging van de zorgmachtiging worden ingediend, tenzij die termijn eindigt op een zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag. [1] Dan eindigt de termijn op de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Op grond hiervan mocht in dit geval verplichte zorg, bestaande uit het gedwongen verblijf, worden verleend tot en met maandag 23 juni 2025. De geneesheer-directeur heeft het verzoek tot wijziging van de zorgmachtiging op maandag 23 juni 2025 om 16:50 uur naar het Openbaar Ministerie verzonden. Er is daarmee geen sprake geweest van het ontbreken van een juridische titel voor het gedwongen verblijf in de accommodatie. Dat het verzoek niet eerder kon worden ingediend, heeft ermee te maken dat zowel de rechtbank als het Openbaar Ministerie vereist dat bij het verzoek tot wijziging van een zorgmachtiging een recente medische verklaring wordt toegevoegd. Deze kon in dit geval, bij gebrek aan eerder beschikbare psychiaters, pas op 23 juni worden verkregen.

4.Beoordeling

4.1.
Als de wet niet in acht is genomen door de geneesheer-directeur of de zorgverantwoordelijke, kan de betrokkene op grond van het tweede lid van artikel 10:12 Wvggz de rechter verzoeken tot schadevergoeding door de zorgaanbieder of de zorgverantwoordelijke. De rechter kent een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.
4.2.
Op grond van artikel 8:11 van de Wvggz kan de zorgverantwoordelijke als er sprake is van verzet beslissen tot het verlenen van verplichte zorg waar de zorgmachtiging niet in voorziet, voor zover dit tijdelijk ter afwending van een noodsituatie noodzakelijk is. De duur hiervan is op grond van artikel 8:12 lid 1 van de Wvggz beperkt tot drie dagen.
4.3.
Art. 8:12 lid 3 van de Wvggz houdt in dat een zorgverantwoordelijke die van oordeel is dat de tijdelijke verplichte zorg moet worden voortgezet na de maximumperiode van drie dagen, tot die voortzetting uitsluitend kan beslissen als er een aanvraag tot wijziging van de zorgmachtiging bij de officier van justitie is ingediend. Het ‘verlengen’ van de tijdelijke verplichte zorg aansluitend of binnen de maximumtermijn van drie dagen door middel van een nieuwe beslissing tot tijdelijke verplichte zorg is niet toegestaan.
4.4.
De rechtbank concludeert dat de zorgverantwoordelijke de wet op dit punt niet in acht heeft genomen. De beslissing tot tijdelijke verplichte zorg als bedoeld in artikel 8:11 van de Wvggz is genomen op 17 juni 2025. Verweerster heeft uitdrukkelijk verklaard dat de aanvraag bij de geneesheer-directeur op dat artikel is gebaseerd. Uit de toelichting van verweerster volgt verder dat al op dat moment te voorzien was dat in elk geval de aanvullende zorgvormen bestaande uit het opnemen in een accommodatie en het beperken van de bewegingsvrijheid noodzakelijk waren en langer dan drie dagen nodig zouden zijn. De aanvraag van de geneesheer-directeur tot wijziging van de zorgmachtiging is gedateerd 17 juni 2025, maar is pas op 23 juni 2025 aan de officier van justitie gestuurd. Er is dus maar één beslissing tot inzet van verplichte zorg, die dateert van 17 juni 2025. De stelling van verzoekster dat er op 19 juni 2025 een nieuwe beslissing is genomen, klopt in zoverre niet. Dit betreft hooguit de feitelijke uitvoering van het besluit dat al op 17 juni 2025 is genomen. Bovendien kan, zoals hiervoor is overwogen, een tweede beslissing niet tot langere (rechtmatige) toepassing van tijdelijke verplichte zorg leiden. De zorgverantwoordelijke had voorafgaand aan het verlopen van de maximumperiode van drie dagen, dat wil zeggen uiterlijk 20 juni 2025, een aanvraag tot wijziging van de zorgmachtiging moeten doen bij de officier van justitie. Dit is nagelaten. Daarom mocht vanaf 21 juni 2025 de verplichte zorg waarin de zorgmachtiging voorzag niet worden voortgezet. Dat is wel gebeurd. Die situatie heeft voortgeduurd tot 27 juni 2025, toen de rechtbank op het verzoek tot wijziging van de zorgmachtiging heeft beslist. De rechtbank wijst er daarbij op dat met het (te late) verzoek van de officier van justitie van 24 juni 2025, het gebrek niet is geheeld.
4.5.
Dat feitelijk de gedwongen opname van verzoekster pas op 19 juni 2025 heeft plaatsgevonden, geeft de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Doorslaggevend is het moment waarop is besloten tot inzet van andere vormen van verplichte zorg dan waarin de oorspronkelijke zorgmachtiging voorzag. Dan gaat de termijn van drie dagen lopen. Een ruimere interpretatie zou tot uitholling van de zorgmachtiging leiden en een betrokkene onevenredig lang in onzekerheid kunnen laten.
4.6.
Verweerster heeft nog aangevoerd dat - in afwijking van de wet - de rechtspraak een nieuwe medische verklaring vereist en dat er niet eerder dan 23 juni 2025 een onafhankelijke psychiater beschikbaar was. De rechtbank acht een nieuwe of op zijn minst geactualiseerde medische verklaring inderdaad noodzakelijk. De eerdere afgegeven medische verklaring is namelijk per definitie niet voldoende, omdat op basis daarvan immers de nu verzochte vormen van zorg niet zijn verleend. Bovendien is een medische verklaring uit februari niet meer actueel genoeg voor de onderbouwing van het verzoek tot wijziging van de zorgmachtiging. Dat er niet eerder een onafhankelijke psychiater beschikbaar was, kan niet afdoen aan de rechtsbescherming die de wetgever wenst te bieden aan betrokkenen.
4.7.
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat verzoekster recht heeft op een schadevergoeding ten laste van verweerster. Voor het bedrag van die vergoeding volgt de rechtbank de advocaat van betrokkene niet. De oriëntatiepunten van het LOVF waarnaar zij verwijst maken onderscheid tussen het verlenen van zorg zonder titel en een situatie van termijnoverschrijding. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een termijnoverschrijding, omdat het verzoek te laat is ingediend. Bij aanvang van de opname was immers sprake van een geldige titel en de rechtbank heeft uiteindelijk de aanvullende vormen van verplichte zorg ook toegewezen. Belanghebbende heeft te lang in onzekerheid verkeerd maar is voor het overige niet benadeeld.
4.8.
De rechtbank stelt de tegemoetkoming voor het te laat indienen van het verzoek daarom vast op € 10 per dag vanaf 21 juni 2025. Deze tegemoetkoming loopt door tot en met de datum waarop de zorgmachtiging is gewijzigd, 27 juni 2025. Tot dat moment heeft verzoekster immers in onzekerheid gezeten over de rechtmatigheid van de extra ingezette zorgvormen. De rechtbank stelt het bedrag tot schadevergoeding in deze procedure daarom vast op € 70. Dit bedrag acht zij redelijk en billijk.

5.Beslissing

De rechtbank:
5.1.
veroordeelt GGNet tot betaling van een bedrag van € 70 aan
[naam verzoekster];
5.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van L.L.J. Bergshoeff, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2025.
Tegen deze beslissing staat hoger beroep open op grond van artikel 358 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Voetnoten

1.Artikel 8:12 lid 1 Wvggz.