ECLI:NL:RBGEL:2025:6176

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
30 juli 2025
Publicatiedatum
29 juli 2025
Zaaknummer
C/05/442922/ FA RK 24-3525
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie na echtscheiding met grove miskenning van wettelijke maatstaven

In deze zaak heeft de Rechtbank Gelderland op 30 juli 2025 uitspraak gedaan over de wijziging van kinderalimentatie na een echtscheiding. De vrouw, hierna te noemen, heeft verzocht om de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen te verhogen van € 150 per kind per maand naar € 370 per kind per maand. De rechtbank heeft vastgesteld dat de oorspronkelijke afspraak over de alimentatie met grove miskenning van de wettelijke maatstaven is gemaakt. De man had een draagkracht van € 1.982 per maand, terwijl de vrouw een draagkracht had van € 2.092 per maand. De rechtbank heeft de behoefte van de kinderen vastgesteld op € 735 per kind per maand, maar de man had slechts € 150 per kind per maand afgesproken, wat niet in lijn was met de wettelijke normen. De rechtbank heeft de kinderalimentatie opnieuw vastgesteld op € 311 per kind per maand, met een verhoging naar € 331,22 per kind per maand per 1 januari 2025. De rechtbank heeft geoordeeld dat de man voldoende draagkracht heeft om aan deze verplichting te voldoen. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de alimentatie ook moet worden betaald als er hoger beroep wordt ingesteld. De proceskosten zijn voor ieder van de partijen zelf.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familierecht
Zaaknummer: C/05/442922 / FA RK 24-3525
Datum uitspraak: 30 juli 2025
beschikking over kinderalimentatie
in de zaak van:
[naam verzoekster],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat voorheen mr. S.M. Diepeveen-Goldhoorn in Zutphen (onttrokken),
tegen
[naam verweerder],
hierna te noemen: de man,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. C.M.C.J. van der Sprong in Berkel-Enschot.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
a) het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 22 oktober 2024;
b) het F9-formulier met bijlagen van mr. Diepeveen-Goldhoorn van 13 november 2024;
c) het verweerschrift van de man, binnengekomen op 23 december 2024;
d) de brief met bijlagen van mr. Van der Sprong van 26 maart 2025;
e) de brief van mr. Van der Sprong van 2 april 2025;
f) de brief met bijlagen mr. Van der Sprong van 27 juni 2025.
1.2.
Het verzoek en verweer zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 8 juli 2025. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt. Tijdens deze behandeling zijn partijen gehoord, bijgestaan door hun advocaat. Gelijktijdig is het verzoek van de inmiddels meerderjarige dochter van partijen, [kind 1] , met zaaknummer C/05/453510 / FA RK 25-2205 behandeld.

2.Waar gaat het over?

2.1.
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Het huwelijk van partijen is op 29 augustus 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 14 augustus 2024 van Rechtbank Amsterdam in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [naam gemeente] .
2.2.
Partijen zijn de ouders van:
  • [kind 1], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , en
  • [kind 2], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .
2.3.
De man heeft, voor zover hier van belang, nog een zoon: [kind 3] , geboren op [geboortedatum] .
2.4.
Partijen hebben in het kader van de echtscheiding afspraken gemaakt in een convenant en een ouderschapsplan. Rechtbank Amsterdam heeft de regelingen zoals die staan in het convenant en het ouderschapsplan van 4 juli 2024 opgenomen in de echtscheidingsbeschikking.
2.5.
Voor zover hier van belang hebben partijen de navolgende afspraken gemaakt over de kinderalimentatie:
Behoefte van de kinderen
De behoefte van de kinderen is vastgesteld op basis van een netto besteedbaar gezinsinkomen (inclusief het eventueel te ontvangen kindgebonden budget) van € 11.942,= per maand. Conform de tremanormen tabel is de behoefte dan € 735,= per kind per maand.
Kinderalimentatie
(…)
Partijen hebben de draagkrachtnormen tabel erop nageslagen. Hieruit blijkt dat de man een draagkracht heeft van € 1.982,= en dat de vrouw een draagkracht heeft van € 2.092,=. Samen hebben zij voldoende draagkracht om in de behoefte van de kinderen te voorzien.
Zorgkorting
Nu blijkt dat partijen voldoende draagkracht hebben voor het voldoen in de behoefte van de kinderen, stellen partijen vast dat er een zorgkorting kan worden verleend. Partijen komen overeen dat de kinderen gemiddeld 1 tot 2 dagen per week bij de alimentatieplichtige partij zijn. Deze partij heeft derhalve recht op een zorgkorting van 15%. De zorgkorting is vastgesteld op € 220,= (15% van € 1.470,=), waarbij er rekening is gehouden met het feit dat de behoefte van de kinderen nog volledig wordt ingevuld.
Uitkomst berekening
Op basis van de berekening blijkt dat er door de man aan de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling kinderalimentatie worden voldaan voor de kinderen ten bedrage van € 247,50 per kind.
Afwijkende afspraak/te betalen bedrag
Partijen zijn in goed onderling overleg tot een afwijkende afspraak gekomen. Daarbij is gesproken over de bijdrage die de man aan een kind uit een eerdere relatie voldoet en dat de man stelt niet voor “de vrouw” wenst te betalen. Op basis van het vorenstaande zal derhalve met ingang van 1 mei 2024 en zolang de kinderen minderjarig zijn door de man aan de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling kinderalimentatie worden voldaan voor de kinderen ten bedrage van € 150,= per kind per maand op een door de vrouw aan te wijzen rekening.
De kosten van het dagelijks levensonderhoud en vakantie/uitjes met de familie komen voor rekening van de partij alwaar de kinderen op dat moment verblijven.
Ten aanzien van de bijzondere kosten voor een kind komen partijen overeen dat zij deze kosten gelijk zullen gaan verdelen op het moment dat deze zich voordoen. Onder bijzondere kosten verstaan partijen kosten die zij voor hun kind wel moeten maken maar die leeftijdgenoten van het kind niet of nauwelijks hebben. Te denken valt aan niet-vergoede medische kosten (een bril, beugel, e.d.), bijles, etc.

3.De verzoeken

3.1.
De vrouw verzoekt de rechtbank (samengevat) bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] vanaf 29 augustus 2024 € 370 per kind per maand wordt, met compensatie van de proceskosten.
3.2.
De man voert verweer en verzoekt de rechtbank het verzoek af te wijzen met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

4.De beoordeling

De reden voor wijziging
4.1.
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat de overeengekomen alimentatie is afgesproken met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Dat wil zeggen dat de ouders een heel ander (lager) bedrag hebben afgesproken dan de rechter zou hebben vastgesteld als die van dezelfde gegevens was uitgegaan. De man bestrijdt dit.
4.2.
Hoewel de afspraak van partijen is opgenomen in het ouderschapsplan dat Rechtbank Amsterdam aan de echtscheidingsbeschikking heeft gehecht, volgt uit de beschikking dat de rechter niet inhoudelijk heeft getoetst of het bedrag aan kinderalimentatie voldoet aan de wettelijke maatstaven. De rechtbank heeft daarom de vrijheid dit alsnog te beoordelen.
4.3.
Uit de bepalingen in het ouderschapsplan volgt dat op grond van de berekeningen de bijdrage van de man aan de vrouw € 247,50 per kind per maand zou moeten zijn. In afwijking daarvan hebben partijen een bedrag van € 150 per kind per maand afgesproken. Daarmee is op het eerste oog ten nadele van de kinderen afgeweken van de wettelijke maatstaven. Het verschil is ook zo aanzienlijk dat dit naar het oordeel van de rechtbank betekent dat sprake is van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven, tenzij er een goede reden voor dit verschil is.
4.4.
Uit de tekst van het ouderschapsplan volgt dat er in wezen twee redenen voor de afwijking waren: de man voldeed een bijdrage aan een kind uit een eerdere relatie (zijn zoon) en de man wenste niet voor de vrouw te betalen. De bijdrage voor [kind 3] was echter € 100 per maand. Gelet op de totale draagkracht van de man, die partijen hebben berekend op € 1.982 per maand, bleef er daarmee nog ruim voldoende beschikbaar voor de kinderen van partijen. Dit rechtvaardigt dus geen verlaging van het bedrag voor hen met bijna € 100 per kind, in totaal dus bijna € 200 per maand. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank geprobeerd duidelijkheid te krijgen over de tekst dat de man niet voor de vrouw wenste te betalen. In eerste instantie lijkt de tekst er namelijk op te duiden dat de man vreesde dat zijn betaling een verkapte partneralimentatie zou inhouden, maar die lezing kan niet juist zijn. Uit hetgeen partijen tijdens de zitting beiden hebben verklaard is namelijk naar voren gekomen dat volgens de berekeningen van de mediator de vrouw in principe partneralimentatie aan de man zou moeten betalen. Dit klopt op zich ook met het feit dat de vrouw de hoogste draagkracht heeft. Partijen hebben afgesproken dat de vrouw dit niet zou hoeven te doen. De rechtbank begrijpt dat dit er in de ogen van de man toe zou leiden dat de vrouw in wezen geld overhoudt, waardoor zij meer zou kunnen bijdragen voor de kinderen en dat om die reden zijn bijdrage omlaag zou kunnen omdat hij anders “voor de vrouw” zou betalen. Daarbij gaat de man er echter ten onrechte aan voorbij dat bij de kinderalimentatie al een draagkrachtvergelijking wordt gemaakt en het aandeel van de vrouw vanwege haar hogere inkomen al hoger is dan het aandeel van de man. Door dit nogmaals mee te laten tellen, vindt in feite een dubbeltelling plaats. Het wettelijke systeem houdt met het wel of niet betalen van partneralimentatie bovendien niet op deze manier rekening, omdat kinderalimentatie voorgaat op partneralimentatie. De vrouw zou alleen maar partneralimentatie hoeven te betalen als daarvoor nog ruimte is nadat zij al haar aandeel in de kosten van de kinderen heeft gedragen. Dit rechtvaardigt dus geen verlaging van de bijdrage van de man.
4.5.
Tijdens de zitting heeft de vrouw nog benoemd dat met het verlagen van het bedrag vooruitgelopen werd op het feit dat de man had aangegeven dat hij minder zou gaan werken om tijd vrij te hebben voor de kinderen. Zij heeft echter ook verklaard dat de man feitelijk niet minder is gaan werken, zodat los van het feit dat dit niet als argument is genoemd in het ouderschapsplan, dit argument op dat moment ook niet zou kunnen leiden tot een lagere bijdrage van de man.
4.6.
Aan het eind van de zitting heeft de advocaat van de man nog naar voren gebracht dat het ouderschapsplan zo moet worden gelezen dat de man bijdraagt met € 150 per kind per maand vermeerderd met de helft van de bijzondere kosten, in plaats van € 247,50 per kind per maand zonder bijdrage in de bijzondere kosten, waardoor de man per saldo mogelijk zelfs meer bijdraagt dan volgt uit het wettelijke systeem. Dat dit de achterliggende gedachte is, volgt echter niet uit de tekst van het ouderschapsplan. Volgens het Rapport alimentatienormen van de Rechtspraak kunnen bijzondere kosten behoefteverhogend werken. Daarom kan niet zonder meer aangenomen worden dat die deel uitmaken van de behoefte van € 735 per kind per maand waar de bijdrage van de man op is gebaseerd. Omdat de ouders beiden een hoog inkomen hebben, is het aannemelijk dat uitgaven aan bijzondere kosten als medische kosten en bijles in hun geval niet worden gecompenseerd door lagere uitgaven voor andere zaken. Dat maakt aannemelijk dat die kosten bovenop de standaardbehoefte komen en dus niet in het bedrag van € 247,50 per kind per maand verdisconteerd zijn.
4.7.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de afgesproken kinderalimentatie een grove miskenning van de wettelijke maatstaven inhoudt. De vrouw is ontvankelijk in haar verzoek.
De inhoudelijke beoordeling
ingangsdatum
4.8.
De wet [1] laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. De rechter kan een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben. Omdat in dit geval de kinderalimentatie van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan, zal de rechtbank de afgesproken ingangsdatum hanteren voor de wijziging. Dat is 29 augustus 2024.
de behoefte
4.9.
Partijen zijn in hun ouderschapsplan uitgegaan van een behoefte van € 735 per kind per maand. De vrouw is van mening dat de NIBUD-tabellen van 2025 moeten worden gehanteerd, wat leidt tot een hogere behoefte. Het verschil heeft ermee te maken dat in de tabellen zoals die in 2024 golden de behoefte niet verder is berekend dan tot een gezinsinkomen van (meer dan) € 6.000 per maand. De vrouw is van mening dat moet worden uitgegaan van de tabellen voor 2025, waarin de behoefte is bepaald tot een gezinsinkomen van (meer dan) € 7.500 per maand. De vrouw is van mening dat achteraf bezien de tabellen in 2024 te laag zijn “afgetopt”. De man bestrijdt dit.
4.10.
De rechtbank volgt de vrouw niet in haar redenering. De vraag is immers wat de behoefte van de kinderen was op het moment dat zij met partijen een gezin vormden. Dat is in 2024 geëindigd. Daarom neemt de rechtbank de tabel over 2024 als uitgangspunt. Die tabel zou de rechtbank ook als uitgangspunt hebben gehanteerd op het moment dat zij in 2024 een beslissing had moeten nemen. Dat inmiddels wordt aangenomen dat de welvaart van de kinderen langer meegroeit met het inkomen van de ouders, heeft voor een belangrijk deel te maken met de inflatie van de laatste jaren. Die wordt deels ook doorgerekend in deze situatie, omdat de bijdrage van de ouders in 2025 wordt geïndexeerd met 6,5%. Dat is onvoldoende reden om in deze situatie de tabel van 2025 te hanteren.
de draagkracht
4.11.
De rechtbank zal vervolgens vaststellen wat elk van de ouders kan betalen, hun draagkracht. Tussen partijen bestaat geen verschil van mening over het feit dat de draagkracht in het ouderschapsplan correct is berekend. De rechtbank zal daarom van die gegevens uitgaan. Dat betekent dat de draagkracht van de man € 1.982 per maand is en die van de vrouw € 2.092. De argumenten over de overuren van de man voor nu en de toekomst betrekt de rechtbank niet in deze procedure, omdat de man geen wijziging voor de bijdrage van [kind 2] heeft verzocht en een eventuele wijziging in zijn inkomen feitelijk pas speelt nadat [kind 1] 18 jaar is geworden. In de procedure die zij is gestart zal de rechtbank hierop zo nodig nader ingaan. Wel acht de rechtbank het van belang om rekening te houden met het bedrag van € 100 per maand dat de man op het moment dat de afspraken tussen partijen werden gemaakt nog betaalde voor zijn zoon. Weliswaar is hij daar korte tijd later mee gestopt, maar partijen hebben er bij het opstellen van het ouderschapsplan mee ingestemd dat hiermee rekening wordt gehouden. Niet gezegd kan worden dat dit zonder meer in strijd is met de wettelijke maatstaven. De rechtbank zal dit bedrag aftrekken van de draagkracht van de man, zodat kan worden aangenomen dat hij € 1.882 beschikbaar heeft voor de kinderen van partijen.
de verdeling van de kosten
4.12.
Partijen moeten naar verhouding van hun draagkracht in de kosten van de kinderen bijdragen. Dat komt erop neer dat het aandeel van de man 1882/3974 x € 735 = € 348 per kind per maand bedraagt, en het aandeel van de vrouw 2092/3974 x € 735 = € 387 per kind per maand.
zorgkorting
4.13.
De man maakt in principe op de dagen dat de kinderen bij hem verblijven kosten voor eten en drinken, energielasten en dergelijke: de verblijfskosten. Daarmee voldoet hij deels aan zijn onderhoudsverplichting. Voor zover daartegenover een besparing in die kosten van de staat, verlaagt de rechtbank de bijdrage van de man met een percentage van de behoefte van de kinderen, de zorgkorting. Partijen hadden afgesproken dat ernaar gestreefd zou worden dat de kinderen één of twee dagen per week bij de man zouden zijn. In de praktijk is dat niet gebeurd. [kind 1] heeft al langere tijd geen contact met de man, [kind 2] ook maar in beperkte mate. Omdat het streven er wel op gericht was en dient te zijn dat er enige omgang is, houdt de rechtbank rekening met 5% zorgkorting per kind. Dat komt neer op € 37 per kind per maand. Dit mag de man zelf aan de kinderen besteden. Dat betekent dat hij een bedrag van € 311 per kind per maand aan de vrouw moet betalen. Hierop kan hij de feitelijk al door hem betaalde bedragen in mindering brengen.
overige beslissingen
4.14.
Omdat de bijdrage ingaat op 29 augustus 2024, verhoogt de rechtbank de bijdrage per 1 januari 2025 met de wettelijke indexering van 6,5% tot € 331,22 per kind per maand.
4.15.
De bijdrage voor [kind 1] loopt door nadat zij 18 jaar is, zij het dat de man vanaf dat moment rechtstreeks aan haar moet betalen.
4.16.
De man moet de alimentatie voor [kind 2] vanaf nu steeds vóór de eerste van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later wordt betaald.
4.17.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de alimentatie betaald moet worden, ook als er hoger beroep wordt ingesteld, zolang het gerechtshof niet anders beslist.
4.18.
De rechtbank ziet geen aanleiding de vrouw te veroordelen in de proceskosten, omdat zij terecht een procedure is gestart. Zij zal overeenkomstig het verzoek van de vrouw bepalen dat partijen elk de eigen proceskosten moeten dragen.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor
  • [kind 1], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , en
  • [kind 2], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
zoals die was vastgelegd in de beschikking van Rechtbank Amsterdam van 14 augustus 2024 en het daaraan gehechte ouderschapsplan, en bepaalt dat de man vanaf 29 augustus 2024 € 311 per kind per maand aan de vrouw dient te betalen, en vanaf 1 januari 2025 € 331,22 per kind per maand;
5.2.
bepaalt dat de man deze alimentatie vanaf nu steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen;
5.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten moet betalen;
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes, rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van S. Ligtenberg, griffier, op 30 juli 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in Arnhem. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek.