ECLI:NL:RBGEL:2025:6180

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
30 juli 2025
Publicatiedatum
29 juli 2025
Zaaknummer
C/05/453510 FA RK 25-2205
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie en vaststelling bijdrage voor jongmeerderjarige

In deze zaak heeft de Rechtbank Gelderland op 30 juli 2025 uitspraak gedaan in een procedure over de wijziging van kinderalimentatie. De zaak betreft een verzoek van een jongmeerderjarige, die vanaf haar 18e jaar een bijdrage voor levensonderhoud en studie vraagt van beide ouders. De ouders zijn gescheiden en hebben eerder afspraken gemaakt over alimentatie in een convenant en ouderschapsplan. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vader en moeder vanaf 1 april 2025 respectievelijk € 260 en € 642,22 per maand aan de jongmeerderjarige moeten betalen, met verdere aanpassingen afhankelijk van haar woonsituatie en de beëindiging van therapie. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de draagkracht van beide ouders en de noodzaak van therapiekosten. De vader heeft een inkomen van € 5.348 per maand, terwijl de moeder een netto besteedbaar inkomen van € 6.130 heeft. De rechtbank heeft de alimentatie vastgesteld op basis van de behoefte van de jongmeerderjarige, die is berekend op € 932 per maand, met een aftrek van eigen inkomsten. De rechtbank heeft de verzoeken van de jongmeerderjarige voor toekomstige alimentatie en de betaling van therapiekosten door de vader afgewezen, maar heeft wel bepaald dat de alimentatie uitvoerbaar bij voorraad is, zodat de jongmeerderjarige zonder financiële zorgen kan beginnen met haar studie.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Arnhem
Zaaknummer: C/05/453510 / FA RK 25-2205
Datum uitspraak: 30 juli 2025
beschikking over kinderalimentatie
in de zaak van
[naam verzoekster],
hierna te noemen: [(naam van de) jongmeerderjarige] ,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. N.J.W.G. Simons in Arnhem,
tegen
[naam verweerder 1] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat voorheen mr. S.M. Diepeveen-Goldhoorn in Zutphen (onttrokken),
en
[naam verweerder 2],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. C.M.C.J. van der Sprong in Berkel-Enschot.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
a) het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 27 juni 2025;
b) het verweerschrift met bijlagen van de vader, binnengekomen op 2 juli 2025;
c) het verweerschrift met bijlagen van de moeder, binnengekomen op 3 juli 2025;
1.2.
Het verzoek en de verweren zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 8 juli 2025. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt. Tijdens deze behandeling zijn partijen gehoord, bijgestaan door hun advocaten. Gelijktijdig is het verzoek van de moeder met zaaknummer C/05/442922 / FA RK 24-3525 behandeld.

2.Waar gaat het over?

2.1.
De vader en de moeder zijn met elkaar getrouwd geweest. Hun huwelijk is op 29 augustus 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 14 augustus 2024 van Rechtbank Amsterdam in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [naam gemeente] .
2.2.
De vader en de moeder zijn de ouders van [de jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , en van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] (hierna: [de minderjarige] ).
2.3.
De vader en de moeder hebben in het kader van de echtscheiding afspraken gemaakt in een convenant en een ouderschapsplan. Rechtbank Amsterdam heeft de regelingen zoals die staan in het convenant en het ouderschapsplan van 4 juli 2024 opgenomen in de echtscheidingsbeschikking.
2.4.
De moeder heeft in de gelijktijdig behandelde procedure wijziging van de overeengekomen kinderalimentatie gevraagd. De rechtbank heeft bij beschikking van vandaag in die procedure de kinderalimentatie die de vader aan de moeder moet betalen voor [de jongmeerderjarige] en [de minderjarige] vastgesteld op € 311 per kind per maand vanaf 29 augustus 2024 en vanwege de wettelijke indexering op € 331,22 per kind per maand vanaf 1 januari 2025.

3.De verzoeken

3.1.
[de jongmeerderjarige] verzoekt de rechtbank, na wijziging en precisering, (samengevat) voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • te bepalen dat de vader en de moeder van 1 april 2025 tot en met juli 2025 een bedrag van € 632 per maand aan haar betalen, te verdelen bij helfte of naar draagkracht;
  • te bepalen dat zij vanaf 1 augustus 2025 € 1.509 per maand aan haar betalen, te verdelen bij helfte of naar draagkracht;
  • te bepalen dat deze bijdrage blijft doorlopen vanaf het moment dat zij 21 is zolang zij studeert en behoeftig is;
  • te bepalen dat de vader de helft van de therapeutkosten zal voldoen over de afgelopen periode voor zover hij deze nog niet heeft voldaan;
  • te bepalen dat de vader het saldo op haar spaarrekening dient aan te vullen met € 8.883,08;
  • te bepalen dat de vader en de moeder elk de helft van de eigen bijdrage voor deze procedure van in totaal € 176 aan haar vergoeden.
3.2.
De vader en de moeder voeren afzonderlijk verweer. Op de stellingen en standpunten van partijen zal de rechtbank hierna ingaan voor zover nodig.

4.De beoordeling

De bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud
wijziging van omstandigheden4.1. De rechtbank heeft voor de periode tot [de jongmeerderjarige] 18 is al een bedrag aan kinderalimentatie vastgesteld. Zij kan de alimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd. [1] De vader bestrijdt uitdrukkelijk niet dat dit het geval is, de moeder is van mening dat de omstandigheden pas wijzigen op het moment dat [de jongmeerderjarige] op kamers gaat. De rechtbank zal toch al een bijdrage voor de vader vaststellen vanaf 1 april 2025, zoals [de jongmeerderjarige] verzoekt. Haar behoefte wordt vanaf het moment dat zij 18 is anders berekend en vanaf dat moment is er aanleiding rekening te houden met structurele inkomsten uit haar bijbaantje. Overigens heeft dit voor de moeder maar beperkt effect. Gelet op de verklaring van [de jongmeerderjarige] ter zitting dat de moeder op dit moment haar kosten in natura vergoedt, ziet de rechtbank aanleiding een bijdrage van de moeder pas te laten ingaan op het moment dat [de jongmeerderjarige] op kamers gaat. Vanaf dat moment wijzigt haar behoefte ook weer, wat maakt dat de rechtbank in twee periodes zal rekenen.
behoefte
4.2.
Voor de hoogte van haar behoefte heeft [de jongmeerderjarige] op dit moment aangesloten bij het normbedrag voor kosten van levensonderhoud van een mbo-student. Dit is een gebruikelijke methode. Zij heeft haar behoefte op deze manier berekend op € 932 per maand. Na aftrek van € 300 aan eigen inkomsten resteert een behoefte van € 632 per maand waarin de ouders moeten voorzien. In dit bedrag zit ook een bedrag aan kosten voor therapie van € 400 per maand. De vader heeft op dit punt verweer gevoerd. Hij betwist niet dat [de jongmeerderjarige] feitelijk die kosten maakt, maar betwist wel de noodzaak hiervan. Hij stelt dat deze therapie van tijdelijke aard is, dat deze niet behoefteverhogend werkt en is ook van mening dat voor zover therapie nodig is, van [de jongmeerderjarige] verlangd mag worden dat zij op zoek gaat naar hulpverlening die door de zorgverzekering wordt vergoed.
4.3.
De rechtbank volgt de vader niet in zijn standpunt. [de jongmeerderjarige] heeft toegelicht dat voor vergoede hulp lange wachtlijsten bestaan. Daar kon zij niet op wachten. Nu zij eenmaal een band heeft opgebouwd met deze therapeut, wil zij de therapie bij deze therapeut vervolgen. De rechtbank acht dit een redelijke keuze. Ook is zij van oordeel dat de kosten van therapie in de omstandigheden van [de jongmeerderjarige] als behoefteverhogend kunnen worden aangemerkt. Volgens het Rapport alimentatienormen van de Rechtspraak kunnen bijzondere kosten behoefteverhogend werken. Omdat de ouders beiden een hoog inkomen hebben, is het aannemelijk dat uitgaven aan bijzondere kosten als medische kosten en bijles in hun geval niet werden gecompenseerd door lagere uitgaven voor andere zaken. De uitgaven kwamen dus bovenop de standaardbehoefte. Dan is er geen reden dit anders te beoordelen vanaf het moment dat [de jongmeerderjarige] 18 is geworden. De rechtbank gaat daarom uit van het door [de jongmeerderjarige] becijferde bedrag van € 632 per maand.
4.4.
Vanaf het moment dat [de jongmeerderjarige] gaat studeren, te weten 1 september 2025, zal de rechtbank aansluiten bij de normbedragen die worden genoemd in de Wet op de Studiefinanciering 2000. [de jongmeerderjarige] heeft haar behoefte berekend op € 1.509 per maand. Daarin heeft zij opnieuw rekening gehouden met de kosten van de therapeut, een fictieve huur van € 600 per maand voor een kamer en nog altijd € 300 per maand aan eigen inkomsten. [de jongmeerderjarige] heeft echter ook een bedrag van haar moeder ontvangen dat is gespaard ten behoeve van haar studie. Dit is een bedrag in Bulgaarse levs, maar omgerekend ongeveer € 30.000. Aannemende dat [de jongmeerderjarige] in vijf jaar haar studie kan voltooien, mag van haar verwacht worden dat zij hiervan jaarlijks € 6.000 besteedt oftewel € 500 per maand. Dit bedrag komt in mindering op het bedrag van € 1.509 per maand. Er resteert dus een behoefte van (maximaal) € 1.009 per maand waarin de ouders moeten voorzien. De rechtbank zal vervolgens verschillende situaties onderscheiden. Zolang [de jongmeerderjarige] nog niet op kamers woont maar wel nog therapie volgt, heeft zij geen huurlast en bedraagt haar behoefte € 409 per maand. Vanaf het moment dat zij op kamers woont, sluit de rechtbank aan bij het bedrag van € 1.009 per maand. Vanaf het moment dat de therapie eindigt, vermindert haar behoefte tot € 609 per maand, aannemende dat zij dan al op kamers is.
4.5.
Bij het voorgaande is nog van belang dat de rechtbank van oordeel is dat een bedrag van € 600 per maand een redelijk bedrag aan huur is, dat van [de jongmeerderjarige] ook verwacht mag worden een kamer te zoeken met een prijs in die orde van grootte, en dat als de werkelijke huur niet te veel afwijkt aangesloten dient te blijven worden bij het bedrag van € 600 per maand, omdat een beperkte afwijking niet tot een significante wijziging van omstandigheden leidt en ook niet gezegd kan worden dat in dat geval van onjuiste gegevens is uitgegaan die maken dat de bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Alleen als de werkelijke huur sterk afwijkt, kan dat aanleiding geven voor een wijziging. De rechtbank zal hier niet verder op vooruitlopen omdat partijen daarover hun visie nog niet hebben kunnen geven.
de draagkracht van de ouders
4.6.
Vervolgens moet de rechtbank vaststellen wat elk van de ouders kan betalen. Daarbij zal de rechtbank de draagkracht van beide ouders vaststellen en de bijdragen naar rato bepalen, zij het dat daar een correctie op nodig kan zijn vanwege de bijdrage die de vader voor [de minderjarige] betaalt, waarop de rechtbank hierna terugkomt. Uitgangspunt van de wet is namelijk dat ouders naar draagkracht in de behoefte van hun kinderen voorzien. [2]
4.7.
Voor die berekening maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode stelt de rechtbank vast wat er van het inkomen van een ouder overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder. Aan de uitgavenkant rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Daarnaast kan de rechtbank ook rekening houden met eventuele overige lasten. Wat er overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is 70% beschikbaar voor de kinderen. In een formule ziet die berekening er als volgt uit: 70% x (NBI - 0,3 x NBI - 1.310).
de draagkracht van de vader
4.8.
De vader heeft aangevoerd dat het voor hem niet meer mogelijk is een vergelijkbaar aantal overuren te maken als voorheen en dat dit invloed heeft op de hoogte van zijn inkomen. Hij heeft een brief van zijn werkgever van 25 juni 2025 overgelegd, waarin het volgende staat:
“Middels deze brief willen wij jouw er op wijzen dat de gemaakte overuren van de laatste
jaren teveel zijn opgelopen. Samen met jou willen we kijken naar het aantal overuren
dat in de afgelopen jaren is opgebouwd. Niet zozeer omdat we twijfelen aan jouw
motivatie of inzet, maar om ervoor te zorgen dat we binnen de kaders van de
arbeidstijdenwet blijven en om ook jouw werk-privébalans goed te bewaken.
Ons gezamenlijke doel is dat overuren niet structureel onderdeel worden van je
werkweek. Daarom zullen we de komende tijd bewuster sturen op het beperken van
overuren, zodat we de belasting in jouw functie gezond en duurzaam houden.
We zullen er dan ook op toezien dat vanaf heden je overuren beperkt zullen blijven.
(…)”
4.9.
De rechtbank is van oordeel dat uit deze brief niet volgt dat de vader in het geheel geen overuren meer kan maken, alleen maar dat deze “beperkt” moeten worden. Er is niet vermeld wat een maximaal aanvaardbaar aantal overuren is en hoever de vader daaroverheen is gegaan. Evenmin volgt uit deze brief of andere stukken dat de vader in 2024 een overmatige hoeveelheid overuren heeft gewerkt. In heel 2024 waren dit er volgens de eigen opgave van de vader 220½ tegenover ruim 400 in 2023 en ruim 700 in 2022. Als de rechtbank uitgaat van het salaris van de vader in 2024, wordt dus al met een “beperkt” aantal overuren gerekend.
4.10.
Op basis van de overgelegde jaaropgave over 2024 rekent de rechtbank met een loon van € 117.481 verminderd met de bijtelling voor de auto van € 13.141. Rekening houdend met de inkomstenbelasting en de arbeidskorting is het NBI van de vader € 5.348 per maand. [3]
4.11.
De vader heeft aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met schulden. Hij heeft hier ook bewijsstukken van overgelegd. Er is een leningsovereenkomst met een collega, waaruit volgt dat de vader € 15.000 heeft geleend. Overeengekomen is een aflossing van € 300 per kwartaal. De vader was van plan een groter bedrag ineens terug te betalen bij verkoop van de woning van hem en de moeder, maar de opbrengst daarvan staat nog in depot bij de notaris. Verder heeft de vader nog een schuld van € 6.626,70 aan zijn advocaat. [de jongmeerderjarige] heeft bestreden dat die laatste schuld voorgaat op de alimentatieverplichting van de vader, en in de regel kiest de rechtbank daar ook niet voor, maar omdat aannemelijk is dat ook de kosten van deze procedure onderdeel van de advocaatkosten zijn, acht de rechtbank het redelijk daar toch enigszins rekening mee te houden. De vader heeft in totaal een bedrag van € 1.000 per maand opgevoerd voor aflossingen. De rechtbank acht dit erg hoog en zal dit matigen tot € 350 per maand omdat een verplichting voor een hoger bedrag niet is gebleken.
4.12.
Op grond van de hiervoor vermelde formule heeft de vader een draagkracht van € 1.458 per maand. [4] Omdat de vader inmiddels geen bijdrage meer betaalt voor zijn zoon uit een eerdere relatie, hoeft hij dit bedrag maar over twee kinderen te verdelen, te weten [de jongmeerderjarige] en [de minderjarige] .
de draagkracht van de moeder
4.13.
De moeder heeft zelf op basis van haar jaaropgave over 2024 haar NBI berekend op € 6.130. De rechtbank ziet aanleiding daarbij aan te sluiten. Op grond van de formule is haar draagkracht dan € 2.086 per maand voor beide kinderen. [5]
verdeling van de kosten
4.14.
[de jongmeerderjarige] heeft in haar verzoeken ruimte aan de rechtbank gegeven om de verhouding in de bijdragen van haar ouders te bepalen. De rechtbank maakt daar in dit geval gebruik van, omdat zij een bedrag aan kinderalimentatie voor [de minderjarige] heeft bepaald, dat niet wijzigt op het moment dat de bijdrage van de ouders voor [de jongmeerderjarige] wijzigt, omdat de ouders daar geen van beiden verzoeken voor hebben gedaan. Omdat uiteindelijk de uitkomst moet zijn dat de ouders voor beide kinderen naar draagkracht bijdragen, zal de rechtbank een en ander met elkaar compenseren voor zover dat nodig is.
4.15.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de ouders in verhouding van hun draagkracht bijdragen in de behoefte van [de jongmeerderjarige] , dus in de verhouding 1458/3544 deel voor de vader, 2086/3544 deel voor de moeder.
4.16.
Voor de periode dat [de jongmeerderjarige] nog bij de moeder woont, en haar behoefte € 632 per maand bedraagt, moet de vader aan [de jongmeerderjarige] € 260 per maand betalen. [6] Hij betaalt daarnaast € 331,22 per maand voor [de minderjarige] aan de moeder en heeft recht op 5% zorgkorting voor haar, waartegenover kosten staan die hij geacht wordt in natura te maken. Dat is nog eens een bedrag van € 39,14 per maand. Bij elkaar draagt hij op die manier € 630,36 van de kosten van de twee kinderen, die een totale behoefte hebben van € 1.414,78, omdat de behoefte van [de minderjarige] (geïndexeerd naar 2025) € 782,78 bedraagt. In totaal voldoet hij daarmee meer dan zijn officiële totale aandeel voor twee kinderen, dat € 582,03 bedraagt. [7] Dit komt doordat voor [de minderjarige] een bedrag op basis van deels andere cijfers is vastgesteld, omdat dit in 2024 is ingegaan. De rechtbank acht dit verschil in deze situatie acceptabel, met name omdat de totale draagkracht van de vader ruim voldoende is om het totaalbedrag te voldoen. Overigens kan de rechtbank dit ook niet compenseren, omdat de rechtbank geen bijdrage van de moeder vaststelt, waardoor een lagere bijdrage van de vader aan [de jongmeerderjarige] direct gevolgen voor haar heeft.
4.17.
Vanaf 1 september tot het moment dat [de jongmeerderjarige] op kamers gaat bedraagt haar (aanvullende) behoefte € 409 per maand, omdat vanaf dat moment rekening wordt gehouden met de Wsf-norm maar ook met het vermogen dat zij heeft. De vader moet vanaf dat moment € 168 per maand aan [de jongmeerderjarige] betalen. [8]
4.18.
Vanaf het moment dat [de jongmeerderjarige] op kamers gaat, legt de rechtbank aan beide ouders een betalingsverplichting op. Vanaf dat moment zal de rechtbank de bijdrage van de ouders in de kosten van [de minderjarige] betrekken in de berekening van de bijdrage aan [de jongmeerderjarige] . Zolang de aanvullende behoefte van [de jongmeerderjarige] € 1.009 per maand bedraagt, is de totale behoefte van de kinderen € 1.791,78. De vader moet op grond van de draagkrachtverhouding tussen de ouders hiervan in totaal € 737,14 dragen. [9] Hij betaalt de moeder voor [de minderjarige] € 331,22 per maand en draagt in natura € 39,14 per maand. Dat is in totaal € 370,36. Daarom zal de rechtbank de bijdrage van de vader aan [de jongmeerderjarige] vaststellen op het verschil tussen € 737,14 en € 370,36, oftewel € 366,78 per maand. De moeder moet het restant aan [de jongmeerderjarige] betalen, dus € 642,22 per maand.
4.19.
Vanaf het moment dat de therapie eindigt, is haar aanvullende behoefte nog € 609 per maand. De totale behoefte van de beide kinderen is dan € 1.391,78. De vader moet op grond van de draagkrachtverhouding tussen de ouders hiervan in totaal € 572,58 dragen. [10] Na aftrek van de bedragen voor [de minderjarige] resteert voor [de jongmeerderjarige] door de vader te voldoen € 202,22. De moeder moet het restant aan [de jongmeerderjarige] betalen, dus € 406,78 per maand. [11]
de overige verzoeken
4.20.
De rechtbank acht het verzoek van [de jongmeerderjarige] om te bepalen dat de bijdragen van de ouders doorlopen zodra zij 21 is prematuur. [de jongmeerderjarige] moet nog beginnen met haar studie, het duurt nog ruim 2½ jaar voordat zij 21 is. Ouders hebben ook de verplichting studerende kinderen nadat ze 21 zijn geworden te onderhouden voor zover zij behoeftig zijn, maar er is nu nog te veel onduidelijk over de situatie op dat moment om daar nu al op vooruit te lopen. Daarom wijst de rechtbank dit verzoek af. Wel geeft zij partijen mee dat het wenselijk is om ruim op tijd het gesprek met elkaar aan te gaan over de situatie op het moment dat [de jongmeerderjarige] 21 wordt en te proberen hier onderling uit te komen.
4.21.
[de jongmeerderjarige] heeft verzocht afzonderlijk te bepalen dat de vader de helft van de therapeutkosten moet voldoen. Ter zitting is duidelijk geworden dat dit alleen gaat over de bijdrage in het verleden, omdat bij de bepaling van de behoefte met die kosten al rekening is gehouden en deze kosten dus al zijn meegenomen bij de berekening van de bedragen die de ouders moeten betalen. Dat geldt echter al direct vanaf het moment dat [de jongmeerderjarige] 18 is geworden. Over de periode daarvoor is niet zij, maar de moeder de wederpartij van de vader. Daarom wijst de rechtbank dit verzoek af.
4.22.
De vader heeft in de overgelegde stukken erkend dat hij een bedrag van € 8.883,08 van een rekening heeft gehaald waarop geld stond dat bestemd was voor de studie en kosten van levensonderhoud van [de jongmeerderjarige] . Hij heeft ook erkend dat hij dit geld moet terugbetalen, maar omdat hij schulden heeft, is dat op dit moment niet mogelijk. Tijdens de schorsing van de zitting is gesproken over een mogelijke betalingsregeling, maar een verzoek daartoe heeft de vader in deze zaak niet gedaan. De rechtbank ziet geen ruimte ambtshalve een betalingsregeling vast te stellen. Omdat er mogelijk geld van de vader in depot bij de notaris staat, waarover tussen de ouders nog verschil van mening bestaat, maar de vader in elk geval verwacht daar een deel van te ontvangen dat in orde van grootte vergelijkbaar is met de schuld aan [de jongmeerderjarige] , kan een en ander wellicht in overleg aan elkaar gekoppeld worden, maar de rechtbank zal dit niet bepalen. Tussen partijen is niet in geschil dat de afspraak van de ouders in het ouderschapsplan een derdenbeding inhoudt waarop [de jongmeerderjarige] een beroep kan doen. Op grond van dat beding zou het geld beschikbaar komen zodra zij 18 werd. Daarmee is het dus opeisbaar. De rechtbank wijst dit verzoek daarom zonder beperkingen toe.
4.23.
De moeder heeft de helft van de eigen bijdrage van [de jongmeerderjarige] in de advocaatkosten al aan haar vergoed. Dit deel van het verzoek wijst de rechtbank daarom af. De vader is het er niet mee eens dat hij de andere helft zou moeten betalen, omdat [de jongmeerderjarige] niet heeft geprobeerd in der minne tot een oplossing te komen, maar de rechtbank wijst het verzoek toe. Op het moment dat [de jongmeerderjarige] haar verzoekschrift indiende, liep er al een procedure tussen haar ouders. Het is niet onredelijk dat zij daarbij heeft willen aanhaken. De vader heeft weliswaar een schikkingsvoorstel gedaan, maar uiteindelijk is het ook na een duidelijke aanwijzing van de rechtbank tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling partijen niet gelukt om tot overeenstemming te komen. Het betreft daarom in redelijkheid gemaakte kosten. Weliswaar is het in familiezaken gebruikelijk om te bepalen dat elke partij de eigen kosten draagt, maar in een procedure waarin een kind tegen de ouder procedeert voor een bijdrage in het levensonderhoud is dat uitgangspunt minder voor de hand liggend. Daarom zal de rechtbank dit verzoek van [de jongmeerderjarige] toewijzen.
4.24.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de alimentatie betaald moet worden, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De rechtbank vindt het namelijk belangrijk dat [de jongmeerderjarige] voorlopig weet waar ze aan toe is en zonder financiële zorgen kan beginnen met haar studie.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
wijzigt de door de vader aan [de jongmeerderjarige] te betalen alimentatie zoals die volgt uit de beschikking van vandaag in zaaknummer C/05/442922 / FA RK 24-3525 en stelt deze met ingang van 1 april 2025 vast op € 260 per maand, vanaf 1 september 2025 tot het moment dat [de jongmeerderjarige] op kamers gaat op € 168 per maand, vanaf het moment dat [de jongmeerderjarige] op kamers gaat op € 366,78 per maand en vanaf het moment dat zij op kamers is en de therapie eindigt op € 202,22 per maand, welke bedragen vanaf 1 januari 2026 worden geïndexeerd met de wettelijke indexering;
5.2.
bepaalt dat de moeder aan [de jongmeerderjarige] vanaf het moment dat zij op kamers gaat € 642,22 per maand moet betalen en vanaf het moment dat zij op kamers is en de therapie eindigt € 406,78 per maand moet betalen, welke bedragen vanaf 1 januari 2026 worden geïndexeerd met de wettelijke indexering;
5.3.
bepaalt dat de ouders deze alimentatie wat de toekomstige termijnen betreft steeds vóór de eerste van de maand vooraf moeten betalen;
5.4.
bepaalt dat de vader het saldo op de ING spaarrekening met nummer [nummer] ten name van [de jongmeerderjarige] binnen 14 dagen dient aan te vullen met het bedrag dat hij daarvan heeft opgenomen, te weten € 8.883,08;
5.5.
veroordeelt de vader in de proceskosten van [de jongmeerderjarige] tot een bedrag van € 88;
5.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst de verzoeken voor het overige af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes, rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van S. Ligtenberg, griffier op 30 juli 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in Arnhem. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Bijlage 1: berekening van het NBI van de vader
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon volgens jaaropgaaf
(60)
60
Loon volgens jaaropgaaf
117.481
In het loon volgens jaaropgaaf begrepen
- fiscale bijtelling voor het privé gebruik van de zakelijke auto
-
13.141
Op het bruto loon ingehouden
59
Inkomsten (transport)
104.34
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
104.34
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
104.34
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
13.769
- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817
14.383
- Schijf 3, 49,5% over € 76.818 of meer
13.623
95
Inkomensheffing box 1
41.775
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
104.34
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
41.775
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
1.611
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
40.164
Inkomen na aftrek inkomensheffing
64.176
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
jaar
Arbeidskorting
1.611
jaar
120
Besteedbaar inkomen
64.176
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
64.176
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
5.348

Voetnoten

1.Artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.
2.Artikel 1:397 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.
3.Bijlage 1: berekening van het NBI van de vader.
4.70% x (5.348 - 1.605 - 1.310 - 350).
5.70% x (6.130 - 1.839 - 1.310).
6.1458/3544 x € 632.
7.1458/3544 x € 1.414,78.
8.1458/3544 x € 409.
9.1458/3544 x € 1.791,78.
10.1458/3544 x € 1.391,78.
11.Dit zijn de cijfers zoals ze voor 2025 gelden. Vanaf 1 januari 2026 worden deze bedragen geïndexeerd.