ECLI:NL:RBGEL:2025:907
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen DNA-afname bij veroordeling voor valsheid in geschrifte afgewezen
De veroordeelde maakte bezwaar tegen het bevel tot afname en verwerking van zijn DNA-profiel op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA, stellende dat vanwege de aard van het misdrijf (valsheid in geschrifte) en de bijzondere omstandigheden het DNA-onderzoek niet van betekenis zou zijn voor opsporing en vervolging.
De rechtbank oordeelde dat het misdrijf voldoet aan de criteria van artikel 67 Sv Pro en dat het uitgangspunt is dat bij iedere veroordeelde celmateriaal wordt afgenomen, tenzij een uitzondering geldt. De rechtbank verwees naar een recent arrest van de Hoge Raad waarin werd bevestigd dat de aard van het misdrijf slechts zelden een uitzondering rechtvaardigt, en dat ook bijzondere omstandigheden slechts in uitzonderlijke gevallen tot vrijstelling leiden.
De rechtbank concludeerde dat geen bijzondere omstandigheden waren aangevoerd die een uitzondering rechtvaardigen. Het feit dat het misdrijf zeven jaar geleden is gepleegd en dat de veroordeelde een relatief lichte straf ontving, is onvoldoende. Het bezwaar werd daarom ongegrond verklaard en het bevel tot DNA-afname blijft van kracht.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bevel tot DNA-afname wordt ongegrond verklaard.