ECLI:NL:RBGEL:2025:9618

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
ARN 24/8336
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing woonurgentieverklaring en toepassing hardheidsclausule

In deze uitspraak van de Rechtbank Gelderland, gedateerd 13 november 2025, wordt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een woonurgentieverklaring ongegrond verklaard. Eiser had op 22 maart 2024 een aanvraag ingediend, die door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen op 8 juni 2024 werd afgewezen. Het college bleef bij deze afwijzing na het indienen van bezwaar door eiser. De rechtbank beoordeelt de beroepsgronden van eiser en concludeert dat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor de woonurgentieverklaring zoals vastgelegd in de Huisvestingsverordening. Eiser betoogt dat er sprake is van een acute woonnoodsituatie, maar de rechtbank oordeelt dat de situatie van eiser niet uitzonderlijk genoeg is om de hardheidsclausule toe te passen. De rechtbank stelt vast dat de voorwaarden voor een urgentieverklaring streng zijn, gezien de schaarste aan sociale huurwoningen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep wordt ongegrond verklaard. De rechtbank benadrukt dat de urgentieregeling bedoeld is voor huisvestingsproblemen en niet voor gezinsproblematiek. De uitspraak heeft als gevolg dat de afwijzing van de urgentieverklaring in stand blijft, en eiser krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8336

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats 1], eiser

(gemachtigde: mr. F.Y. Gans),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen

(gemachtigden: mr. M. Peters en S. Wagemakers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om verkrijging van een woonurgentieverklaring. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht heeft geconcludeerd dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor verkrijging van een woonurgentieverklaring en dat het college geen aanleiding had hoeven zien om de woonurgentieverklaring te verlenen door de hardheidsclausule toe te passen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 22 maart 2024 een aanvraag ingediend om verkrijging van een woonurgentieverklaring. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 8 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. Er is in [plaats 2] schaarste aan sociale huurwoningen. Woningzoekenden kunnen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor een urgentieverklaring. Omdat woningen schaars zijn, zijn de voorwaarden voor een urgentieverklaring streng: als een woningzoekende voorrang krijgt, betekent dat immers dat anderen langer moeten wachten. De voorwaarden voor het verkrijgen van een urgentieverklaring staan in de Huisvestingsverordening [plaats 2] 2023 (Huisvestingsverordening). Op grond van artikel 21 van de Huisvestingsverordening moet de woningzoekende aan elf voorwaarden voldoen om in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring.
De afwijzing
4. Volgens het college voldoet eiser niet aan de volgende voorwaarden van artikel 21 van de Huisvestingsverordening:
1. De aanvrager heeft het afgelopen jaar onafgebroken in [plaats 2] gewoond en staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) óf heeft de voorgaande 10 jaren tenminste 6 jaar onafgebroken in [plaats 2] gewoond.
5. De aanvrager beschikt over zelfstandige woonruimte binnen [plaats 2].
7. Er is sprake van een acute woonnoodsituatie: er moet een absolute noodzaak zijn om binnen een half jaar te verhuizen en het probleem kan niet op eigen kracht en/of binnen die periode worden opgelost. Er dient een directe relatie te bestaan tussen probleem en woonsituatie. De huidige woning is niet geschikt (te maken) om het probleem op te lossen.
8. De acute woonnoodsituatie moet zijn ontstaan binnen [plaats 2].
9. De acute woonnoodsituatie moet buiten de schuld van de betrokkene zijn ontstaan en deze kan hier niet verantwoordelijk voor worden gehouden. Verder was de betrokkene niet in staat daarop te anticiperen.
4.1.
Op grond van artikel 33 van de Huisvestingsverordening kan het college in bijzondere gevallen een woonurgentieverklaring verstrekken als de aanvrager niet aan de hiervoor genoemde criteria voldoet, maar dat leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Het college heeft ook overwogen dat deze hardheidsclausule niet van toepassing is.
Heeft het college terecht geconcludeerd dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 21 van de Huisvestingsverordening?
5. Eiser betoogt dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van een woonnoodsituatie. Eiser woont momenteel in [plaats 1]. Omdat de ex-partner van eiser met zijn drie kinderen in [plaats 2] is gaan wonen, kan hij minder vaak in hun buurt aanwezig zijn dan noodzakelijk is voor de verschillende (hulpverlenings)trajecten en gemaakte afspraken. Ook is het heel moeilijk om de omgangsregeling plaats te laten vinden. Volgens eiser moet bovendien in zijn geval de Huisvestingsverordening buiten toepassing gelaten worden, omdat het oneerlijk is dat alleen inwoners van [plaats 2] in aanmerking komen voor een woonurgentieverklaring.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser voldoet niet aan de voorwaarden uit artikel 21 van de Huisvestingsverordening. Dit wordt door eiser ook niet betwist. Voor het buiten toepassing laten van de Huisvestingsverordening ziet de rechtbank geen aanleiding. Allereerst omdat eiser pas op de zitting deze grond voor het eerst naar voren heeft gebracht, en ten tweede omdat eiser niet heeft kunnen toelichten en concretiseren op welke grond de Huisvestingsverordening dan buiten toepassing gelaten zou moeten worden. De gemachtigde van eiser heeft enkel de stelling naar voren gebracht. Overigens is het bij een verzoek om een urgentieverklaring mogelijk om een beroep te doen op de hardheidsclausule, waarmee afgeweken kan worden van de voorwaarden van artikel 21 van de Huisvestingsverordening. Dit betekent dat ook mensen die niet in [plaats 2] wonen een urgentieverklaring zouden kunnen krijgen. Dat betekent dat de stelling van eiser dat inwoners buiten [plaats 2]
nooiteen urgentieverklaring kunnen verkrijgen voor de gemeente Wageningen, niet juist is.
Had het college de hardheidsclausule moeten toepassen?
6. Eiser betoogt dat het college vanwege zijn persoonlijke omstandigheden de hardheidsclausule had moeten toepassen. De ex-partner van eiser is met zijn kinderen vanuit [plaats 1] vertrokken naar [plaats 2]. Door omgangsregelingen, school- en hulptrajecten en rechterlijke- en hulpverleningsafspraken is het van essentieel belang dat eiser in de buurt is van zijn kinderen. Het is voor hem echter niet mogelijk om zich in [plaats 2] in te schrijven, omdat hij voor zijn uitkering en bijzondere bijstand afhankelijk is van de gemeente Maastricht. De voorwaarden uit artikel 21 van de Huisvestingsverordening hebben daarom oneerlijke gevolgen voor hem.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Hoewel de rechtbank erkent dat eiser in moeilijke persoonlijke omstandigheden verkeert, is de situatie van eiser niet zodanig uitzonderlijk dat het college de aanvraag alsnog had moeten inwilligen op basis van die omstandigheden. De rechtbank volgt het college in het standpunt dat de huidige woning van eiser passend is en zijn belang bij de urgentieverklaring alleen gelegen is in het verkorten van de reisafstand naar zijn kinderen, waarvan hij niet de primaire verzorger is. Het college heeft daarbij de verklaring van de ex-partner ten aanzien van de reisafstand en hoe hun kinderen deze ervaren mogen meewegen. Uit de motivering blijkt niet dat deze verklaring op andere onderdelen is meegewogen. De conclusie dat het niet wenselijk is dat eiser in [plaats 2] komt wonen, is getrokken op basis van het dossier en de stukken die eiser zelf heeft ingebracht. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een dusdanige schrijnende situatie of andere dringende omstandigheden dat moet worden overgegaan tot verlening van de urgentieverklaring op grond van de hardheidsclausule. Van een onevenredige hardheid is dan ook geen sprake. Bovendien is de urgentieregeling bedoeld voor het oplossen van een huisvestingsprobleem en niet van gezinsproblematiek. [1] Op grond van het voorgaande heeft het college in redelijkheid geen gebruik hoeven maken van de hardheidsclausule.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de urgentieverklaring in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Ebbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ABRvS 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2188, ro. 3.