ECLI:NL:RBGEL:2025:9924

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
ARN 24/9175
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.D.Z.R. Mohamed Hoesein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswettenArt. 3 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswettenArt. 4 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswettenWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering na ziekmelding vanwege gezondheidsklachten, waaronder COPD en post-COVID klachten. Het UWV stelde haar arbeidsongeschiktheid vast op 18,76%, later bij bezwaar verhoogd naar 28,87%, maar dit bleef onder de 35% die recht geeft op een uitkering.

De rechtbank beoordeelde het medisch en arbeidsdeskundig onderzoek zorgvuldig en concludeerde dat de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige de beperkingen van eiseres adequaat hebben vastgesteld, inclusief een urenbeperking van ongeveer 6 uur per dag. Eiseres voerde aan dat haar beperkingen zwaarder zijn en dat de geduide functies haar belastbaarheid overschrijden, maar zij bracht geen overtuigend medisch bewijs ter onderbouwing.

De rechtbank vond dat de functies productiemedewerker industrie en archiefmedewerker passend zijn binnen de vastgestelde beperkingen, mede omdat er rekening is gehouden met longvriendelijke omstandigheden en beperkingen zoals tillen en buigen. De subjectieve klachten van eiseres konden niet leiden tot een andere beoordeling.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, wat betekent dat eiseres geen recht heeft op een WIA-uitkering en het griffierecht niet wordt terugbetaald. De uitspraak is gedaan door rechter Mohamed Hoesein en griffier Van der Wielen op 21 november 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/9175

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. C.C. Haanappel),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: J.M. Marquenie).

Samenvatting

1. In deze uitspraak gaat het over het beroep van eiseres tegen de weigering van een
uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 5 april 2024 (datum in geding). Eiseres is het oneens met de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid en is van oordeel dat een aantal geduide functies haar belastbaarheid overschrijdt. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van de WIA-uitkering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht aan eiseres heeft meegedeeld dat zij met ingang van datum in geding geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiseres krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft deze
aanvraag met het besluit van 13 juni 2024 afgewezen, omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het UWV acht eiseres voor 18,76% arbeidsongeschikt. Met het bestreden besluit van 13 november 2024 op het bezwaar van eiseres is dit gewijzigd naar 28,87% arbeidsongeschiktheid, maar is het nog steeds minder dan 35%.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en het UWV heeft op het
beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan
hebben deelgenomen: eiseres bijgestaan door haar partner en de gemachtigde van het UWV.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
3. Eiseres werkte als magazijnmedewerker voor 31,5 uur per week. Op 9 maart 2022
meldde zij zich ziek vanwege belemmerende gezondheidsklachten. Vervolgens heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1.
In het kader van de WIA-beoordeling heeft medisch en arbeidsdeskundig
onderzoek plaatsgevonden [1] .
3.2.
De bevindingen van de verzekeringsarts zijn vastgelegd in het rapport van 3 juni
2024. De verzekeringsarts [2] heeft eiseres op spreekuur gezien en dossierstudie verricht. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat eiseres medisch gezien in staat moet worden geacht tot het verrichten van (duurzame) arbeid. Er worden beperkingen aangenomen voor van dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden. De verzekeringsarts heeft geen urenbeperking aangenomen. De verzekeringsarts heeft de belastbaarheid vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 juni 2024.
3.3.
Op basis van de FML heeft de arbeidsdeskundige [3] in het rapport van 13 juni
2024 vastgesteld dat eiseres ongeschikt is voor haar eigen werk. Eiseres wordt met haar beperkingen wel geschikt geacht voor een drietal andere functies. Het gaat om de functies: productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180) en assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041) en medewerker binderij, grafisch nabewerker (SBC-code 268030). In aanvulling hierop zijn de reservefuncties wikkelaar (SBC-code 267053) en telefonisch verkoper (outbound) (SBC-code 315173) geduid. De mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres is vastgesteld op 18,76%.
3.4.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 juni 2024. Zij heeft daarbij
gesteld dat het besluit niet zorgvuldig is voorbereid en dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Hierop heeft het UWV het bestreden besluit genomen. Het UWV heeft deze besluitvorming op een medisch onderzoek en arbeidsdeskundig onderzoek gebaseerd. De resultaten van het medisch onderzoek zijn neergelegd in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van 9 november 2024. [4] De resultaten van het arbeidsdeskundig onderzoek van het UWV zijn vastgelegd in het rapport van arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (b&b) van 11 november 2024. [5]
3.5.
De verzekeringsarts b&b heeft dossierstudie verricht, eiseres op het spreekuur
gezien na de hoorzitting in de bezwaarprocedure. Hij heeft op energetische gronden een urenbeperking aangenomen van ongeveer 6 uur per dag/ongeveer 30 uur per week. De FML is aangepast op 9 november 2024.
3.6.
De arbeidsdeskundige b&b heeft, onder meer vanwege de aangepaste FML,
geconcludeerd dat twee van de drie geduide functies moeten vervallen. Hij heeft daarna de functies productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180) archiefmedewerker (SBC-code 553020) administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) als geschikte functies geduid. De mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres per de datum in geding heeft hij vervolgens vastgesteld op 28,87%.
Wat vindt eiseres?
3.7.
Eiseres stelt allereerst dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest met
name op het gebied van haar post-COVID klachten. Ook stelt zij dat haar beperkingen veel groter zijn dan is aangenomen. Er dient een verdergaande urenbeperking in de FML te worden aangenomen. Dit op basis van haar COPD klachten, maar ook door de combinatie van COPD en long-covid, hartproblemen en een ijzertekort die leiden tot moeheidsklachten. De moeheidsklachten blijken volgens eiseres ook uit haar dagverhaal. Er moeten ook meer beperkingen worden aangenomen voor haar artroseklachten. De artrose zorgt continu voor pijnklachten. Eiseres draagt hiervoor nu een brace en voorheen was zij aangewezen op nachtspalken. De pijnklachten en de brace leiden volgens haar tot beperkte mobiliteit van de handen. Daarnaast is de wel aangenomen urenbeperking verkeerd neergelegd in de FML want, zo betoogt eiseres, de verzekeringsarts b&b zegt dat er een urenbeperking ongeveer zes uur per dag en ongeveer 30 uur per week is, terwijl in de FML wordt opgenomen dat eiseres zeven uur per dag en 32 uur per week kan werken.
3.8.
Eiseres stelt dat de functies van Productiemedewerker industrie en Archief-
medewerker ongeschikt zijn voor haar. Haar medische belastbaarheid wordt op twee punten overschreden in de eerste functie; eiseres kan maximaal vijf kilogram tillen en er moet sprake zijn van een longvriendelijke omgeving. De tweede functie is eveneens niet geschikt, omdat er geen longvriendelijke omgeving is door papier- en kartonstof en vanwege het frequente buigen.
Wat vindt het UWV?
3.9.
Het UWV weerspreekt dat het onderzoek onzorgvuldig is verricht. In beroep is een
aanvullend medisch en arbeidsdeskundig onderzoek verricht. Het UWV verwijst naar het rapport van de bezwaararts b&b van 3 september 2025 [6] en van de arbeidsdeskundige b&b van 7 september 2025. Het UWV ziet, gelet op de inhoud van die rapporten, geen aanleiding om het standpunt te wijzigen. De bezwaararts b&b stelt dat er geen aanknopingspunten zijn voor een forsere urenbeperking door moeheidsklachten. De medische diagnoses waar eiseres naar verwijst, zijn meegenomen en uit het dagverhaal blijkt niet dat eiseres overdag structureel naar bed gaat of moet rusten, maar enkel dat zij af en toe ‘s middags naar bed gaat na inspanning. Hij overweegt dat de huidige kleine urenbeperking te verdedigen is, maar dat hele dagen participeren ook mogelijk is bij voldoende licht werk. Over de pijnklachten in de handen stelt de bezwaararts b&b dat voldoende rekening is gehouden met de beperkingen van eiseres. Dit omdat de door haar gestelde beperkingen niet voortvloeien uit het dragen van een nachtspalk nu die niet om haar vingers zit. De arbeidskundige b&b stelt dat, omdat geen nieuwe beperkingen worden aangenomen door de bezwaararts b&b, er geen reden is om de FML te wijzigen in beroep.
3.10.
Over de overschrijding van de belastbaarheid in de functies stelt de
arbeidsdeskundige b&b dat binnen de geduide functies sprake mag zijn van een structureel marginale hogere belasting dan de referentiewaarde en een incidentele piekbelasting. Hij stelt dat er geen overschrijding is bij de geduide functies. Het UWV voert voorts aan dat in geen van de geduide functies sprake is van een arbeidsduur meer dan 6 uur per dag en/of 30 uur per week.
Wat vindt de rechtbank?
Toetsingskader
4. Uit de Wet WIA volgt dat bij een arbeidsongeschiktheidspercentage lager dan 35% er geen recht bestaat op een uitkering op grond van deze wet. De vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek. [7] Van belang is dat het UWV zijn besluiten, omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene, mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is. [8]
Is het medisch onderzoek van het UWV zorgvuldig geweest?
4.1.
De rechtbank ziet geen reden om het medisch onderzoek van het UWV
onzorgvuldig te achten. Bij de beoordeling acht de rechtbank van belang dat de verzekeringsarts dossieronderzoek heeft verricht en eiseres heeft onderzocht op een fysiek spreekuur. De verzekeringsarts b&b heeft eiseres gezien op een spreekuur, dossierstudie verricht en informatie uit de bezwaarprocedure bestudeerd. Uit de rapporten van de primaire verzekeringsarts en de verzekeringsarts b&b blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiseres gestelde klachten en dat de medische informatie die aanwezig is in het dossier betrokken is in hun beoordeling. Het standpunt van eiseres dat er geen rekening is gehouden met de post-covid klachten kan de rechtbank niet volgen. Er is door de verzekeringsarts b&b rekening gehouden met het feit dat eiseres tweemaal covid-19 heeft doorgemaakt en dat zij mede daardoor last heeft van moeheidsklachten. Hij heeft reden gezien om bij de combinatie van de COPD klachten en de status na een covid-infectie, waarbij geen sprake is van PEM, en de persisterende ervaren moeheid een urenbeperking op te nemen tot ongeveer zes uur per dag/ongeveer 30 uur per week. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de post-covid klachten op zorgvuldige wijze betrokken bij de beoordeling van de arbeidsgeschiktheid door de verzekeringsarts en verzekeringsarts b&b. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de verzekeringsarts en verzekeringsarts b&b aspecten van de gezondheidstoestand van eiseres hebben gemist. Verder is de rechtbank van oordeel dat de rapporten van de (verzekerings)artsen b&b geen tegenstrijdigheden bevatten en dat de conclusies van de rapporten logisch voortvloeien uit de onderzoeksbevindingen.
Moeten er meer beperkingen worden aangenomen?
4.2.
Volgens vaste rechtspraak behoort het tot de specifieke taak en deskundigheid van de verzekeringsarts om op grond van de beschikbare medische gegevens de beperkingen vast te stellen. [9] Daarbij mag een verzekeringsarts in beginsel varen op zijn eigen medisch oordeel wat betreft de aan te nemen beperkingen.
4.3.
Eiseres stelt dat er meer beperkingen moeten worden aangenomen voor haar moeheidsklachten en haar pijnklachten door artrose in de handen. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts en verzekeringsarts b&b rekening hebben gehouden met deze door eiseres gestelde klachten. Er wordt door de verzekeringsarts rekening gehouden met de diagnoses moe e.c.i., Angina pectoris, Mastopathie en Overige respiatoire aandoeningen: beginnende COPD. Door de verzekeringsarts b&b wordt rekening gehouden met de diagnoses: moe e.c.i.; post-covidsyndroom/burn-out, COPD GOLD II, artrose rug en handen. Op basis daarvan heeft de verzekeringsarts op navolgbare wijze beperkingen aangenomen voor dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden en is de urenbeperking aangescherpt door de verzekeringsarts b&b. In beroep is het standpunt door de bezwaararts b&b nader toegelicht en concludeert hij dat er geen reden is om de urenbeperking nog verder aan te scherpen. Eiseres heeft geen medische informatie ingebracht op basis waarvan getwijfeld moet worden aan de juistheid van deze medische beoordelingen door de verzekeringsarts en de verzekeringsarts b&b.
4.4.
Eiseres stelt voorts dat ten onrechte geen rekening is gehouden met haar COPD klachten en dat meer beperkingen moeten worden aangenomen. De rechtbank overweegt dat rekening wordt gehouden met werkzaamheden vrij van pollen, stof, rook, gassen en dampen (tenzij er een goed functionerend afzuigsysteem aanwezig is), zonder een zware fysieke belasting of werken in de nacht. Ook hier heeft eiseres geen medische onderbouwing ingebracht om haar standpunt te onderbouwen.
4.5.
Tijdens de zitting heeft eiseres benadrukt dat zij van mening is dat de verzekeringsartsen ten onrechte niet hebben meegewogen dat de onderlinge samenhang van deze klachten tot verdergaande beperkingen leidt dan wanneer de aandoeningen apart worden beoordeeld. De rechtbank stelt vast dat het UWV bekend is met de klachten van eiseres en dat deze zijn meegewogen bij het bepalen van de belastbaarheid. Het standpunt dat de klachten niet in onderlinge samenhang zijn beoordeeld vindt geen steun in het rapport van de verzekeringsarts. Deze geeft in het rapport van 3 juni 2024 aan dat de ervaren klachten en belemmeringen door meerdere factoren worden bepaald. En tijdens de zitting heeft eiseres bevestigd dat het UWV rekening heeft gehouden met de klachten die zij heeft, doch dat zij zich niet kan vinden in de beperkingen die hiervoor zijn aangenomen. Eiseres heeft echter geen (medische) informatie ingebracht waaruit blijkt dat er met meer beperkingen rekening moet worden gehouden. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding om aan de conclusie van het UWV te twijfelen.
4.6.
Het standpunt van eiseres dat sprake is van fouten in de FML omdat hierin wordt gesproken over 7 uur per dag en 32 uur per week treft geen doel. De arbeidsdeskundige b&b heeft in het rapport van 7 september 2025 voldoende toegelicht dat sprake is van een structurele referentiewaarde van 6 uur per dag/30 uur per week, maar dat een structurele marginaal hogere belasting en een incidentele piekbelasting mogelijk zijn. Daarnaast blijkt dat de voor eiseres geduide functies allemaal een omvang hebben van minder dan 30 uur per week en minder dan 6 uur per dag zodat in voor eiseres geschikte functies geen overschrijding is ten aanzien van de arbeidsduurbeperking.
4.7.
Hoewel de rechtbank begrijpt dat voor eiseres voorop staat wat zij ervaart, gaat het bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling om beperkingen die medisch objectiveerbaar het gevolg zijn van een ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling. De subjectieve beleving van eiseres is daarom niet doorslaggevend. Van een medisch objectieve onderbouwing voor het aannemen van meer of aanvullende beperkingen is niet gebleken. Zonder afbreuk te willen doen aan de door eiseres ervaren impact van haar klachten op het dagelijks leven, ziet de rechtbank in wat zij heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de onderbouwing van het bestreden besluit. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van de FML van 9 november 2024. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Zijn de geduide functies geschikt?
4.8.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 9 november 2024 heeft het UWV geconcludeerd dat eiseres de geselecteerde voorbeeldfuncties kan vervullen. De arbeidsdeskundige b&b heeft in het resultaat functiebeoordeling (rfb) van 11 november 2024 de medische geschiktheid van deze voorbeeldfuncties voor eiseres toegelicht. Eiseres stelt dat de functies van Productiemedewerker industrie en Archiefmedewerker ongeschikt zijn voor haar.
4.9
Ten aanzien van de functie van productiemedewerker stelt eiseres dat niet kan worden gevolgd dat bij deze werkzaamheden voldoende rekening wordt gehouden met de beperking voor tillen. Eiseres heeft haar standpunt dat er sprake is van overschrijding in de functies, gebaseerd op de veronderstelling dat haar medische belastbaarheid onjuist is vastgesteld. Nu de rechtbank onder 4.2. tot en met 4.7. tot het oordeel is gekomen dat de medische belastbaarheid juist is vastgesteld, ziet de rechtbank daarin geen grond voor het oordeel dat de geselecteerde voorbeeldfuncties niet geschikt zijn voor eiseres. Ten aanzien van de functie van archiefmedewerker stelt eiseres dat niet kan worden gevolgd dat bij deze werkzaamheden voldoende rekening wordt gehouden met de beperking voor het frequente buigen. Eiseres haar standpunt dat er sprake is van overschrijding in de functies is mede gebaseerd op de veronderstelling dat haar medische belastbaarheid onjuist is vastgesteld. Nu de rechtbank onder 4.2. tot en met 4.7. tot het oordeel is gekomen dat de medische belastbaarheid juist is vastgesteld, ziet de rechtbank daarin geen grond voor het oordeel dat de geselecteerde voorbeeldfuncties niet geschikt zijn voor eiseres.
4.10.
Over het standpunt van eiseres dat de functie van productiemedewerker niet geschikt is, omdat uit de toelichting en motivering bij de Signalering in het rfb niet uitdrukkelijk blijkt dat er rekening is gehouden met de COPD klachten, overweegt de rechtbank als volgt. Het rfb geeft in deze functie op dit item een kenmerkende belasting aan bij “Damp” . Uit de motivering blijkt dat deze functie wel geschikt wordt geacht, omdat het binnen de mogelijkheden ligt die in een nadere toelichting door de verzekeringsarts zijn beschreven
.
4.11.
Bij de functie archiefmedewerker is er een kenmerkende belasting voor stof. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de toelichting van de arbeidsdeskundige en het UWV tijdens de zitting blijkt dat in deze functie sprake is van een goede afzuiging. Van belang acht de rechtbank, met de arbeidsdeskundige, dat het in deze functie niet aannemelijk is dat hierop extra belasting zal zijn en dat er zo nodig door middel van een eenvoudige voorziening zoals een mondkapje de blootstelling aan stof beperkt kan worden.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt
daarom het griffierecht niet terug. Er is geen reden om de proceskosten aan eiseres te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.D.Z.R. Mohamed Hoesein, rechter, in aanwezigheid van C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “
Formulieren en inloggen” op
www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Er vindt een medisch en arbeidsdeskundig onderzoek plaats op basis van artikel 2, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
2.Verzekeringsarts S. Faiz
3.N. Aalberts, arbeidsdeskundige
4.Verzekeringsarts P. Hofmans
5.R. van Walt van Praag, arbeidsdeskundige bezwaar en beroep
6.Dit rapport is voor akkoord getekend door verzekeringsarts R. van den Enden.
7.Er vindt een medisch en arbeidsdeskundig onderzoek plaats op basis van artikel 2, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. De vereisten waar het onderzoek aan moet voldoen, staan in artikel 3 en Pro 4 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) 29 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2114.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 11 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2315.