ECLI:NL:RBGEL:2026:1001

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
05/142876-24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 SrArt. 361 lid 2 SvArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging wegens geslaagd beroep op noodweer bij poging tot doodslag

Op 25 april 2024 vond in Duiven een steekincident plaats waarbij verdachte, slachtoffer en twee anderen gewond raakten. Verdachte stak slachtoffer met een mes in de rug, wat leidde tot een klaplong en inwendig bloedverlies bij het slachtoffer. Verdachte werd primair beschuldigd van poging tot doodslag.

De rechtbank stelde vast dat verdachte met voorwaardelijk opzet handelde, aangezien het steken in het bovenlichaam een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer opleverde. Echter, verdachte voerde een beroep op noodweer aan, omdat hij werd aangevallen door slachtoffer en anderen met messen en fysiek geweld.

De rechtbank oordeelde dat het beroep op noodweer slaagde: er was sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, en de verdediging was noodzakelijk en proportioneel. Hoewel verdachte zich bewust in een risicovolle situatie begaf, stond dit een geslaagd beroep op noodweer niet in de weg.

Daarom werd verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. De civiele vorderingen tot schadevergoeding van het slachtoffer en een andere betrokkene werden niet-ontvankelijk verklaard omdat geen straf of maatregel werd opgelegd.

De rechtbank hechtte aan de verklaringen, medische rapporten en videobeelden en concludeerde dat de verdediging van verdachte rechtmatig was onder de gegeven omstandigheden.

Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op noodweer bij poging tot doodslag.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/142876-24
Datum uitspraak : 10 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] ,
wonend aan [adres] ,
raadsman: mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een terechtzitting achter gesloten deuren.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte (hierna: [verdachte] ) is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 25 april 2024 te Duiven
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer]
opzettelijk van het leven te beroven,
meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug en/of in/rondom de ribben, althans in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of heeft gesneden en/of heeft geprikt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair:
hij op of omstreeks 25 april 2024 te Duiven
aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een steek- en/of snijwond in de rug en/of een klaplong, heeft toegebracht door meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug en/of in/rondom de ribben, althans in het lichaam van die [slachtoffer] te steken en/of snijden en/of prikken;
meer subsidiair:
hij op of omstreeks 25 april 2024 te Duiven
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug en/of in/rondom de ribben, althans in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of heeft gesneden en/of heeft geprikt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meest subsidiair:
hij op of omstreeks 25 april 2024 te Duiven
[slachtoffer] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug en/of in/rondom de ribben,
althans in het lichaam van die [slachtoffer] te steken en/of snijden en/of prikken,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een steek- en/of snijwond in de rug
en/of een klaplong, ten gevolge heeft gehad.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 25 april 2024 heeft in Duiven een steekincident plaatsgevonden. Hierbij zijn drie personen gewond geraakt: [verdachte] zelf, [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) en [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ). Ook [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ) was betrokken bij het incident. [2]
Uit de medische verklaring blijkt dat [verdachte] als gevolg van het steekincident zes verwondingen had: in zijn borstkas rechts ter hoogte van de zesde rib, links naast zijn navel, in zijn linker flank, in zijn linker boven- en onderarm en in zijn linker knie. Er was sprake van ernstig uitwendig bloedverlies en de wonden zijn gehecht. [3]
Uit de medische verklaring blijkt dat [slachtoffer] als gevolg van het steekincident een wond in zijn rug en een klaplong heeft opgelopen. Er was ook sprake van inwendig bloedverlies. [4]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat [verdachte] dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege een geslaagd beroep op noodweer.
Beoordeling door de rechtbank
Op 25 april 2024 gingen [betrokkene 2] en [slachtoffer] naar de woning van [verdachte] . Zij hadden allebei een mes bij zich. [betrokkene 2] en [slachtoffer] belden aan en de moeder van [verdachte] deed de voordeur open. Er werd over en weer geschreeuwd. [verdachte] kwam van de trap naar beneden met een schaar in zijn hand. Hij liep naar buiten naar [betrokkene 2] en [slachtoffer] . De moeder van [verdachte] ging tussen de jongens in staan. De buurman van [verdachte] kwam erbij. [betrokkene 2] zei tegen [slachtoffer] : “steek hem, steek hem”. De buurman hield [betrokkene 2] en [slachtoffer] tegen. De moeder van [verdachte] belde de politie en begon te filmen. [betrokkene 2] en [slachtoffer] renden weg. [5]
Toen de jongens weg waren, ging [verdachte] terug naar binnen. Hij pakte in de keuken twee messen. [verdachte] rende via de voordeur door het steegje de straat in. Hij rende over de Aquamarijn en stond uiteindelijk stil ter hoogte van [adres] . Hij had in zijn beide handen een mes. Een stukje verderop stonden [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [slachtoffer] . [slachtoffer] rende op [verdachte] af met een mes in zijn hand, waarna over en weer door hen werd gestoken. [6]
[betrokkene 2] rende achter [slachtoffer] aan en [betrokkene 1] volgde. Bij de confrontatie daarna, is [verdachte] op de grond terecht gekomen. [betrokkene 1] hield [verdachte] toen vast terwijl [betrokkene 2] [verdachte] tegen zijn hoofd en buik schopte. [slachtoffer] stak ondertussen meerdere malen met een mes op [verdachte] in, terwijl [verdachte] ook werd geschopt en geslagen door alle drie. Door tussenkomst van getuige [getuige] kon [verdachte] wegkomen. [7]
Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] [slachtoffer] met een mes in de rug heeft gestoken toen [slachtoffer] op [verdachte] afvloog. De rechtbank moet nu beoordelen hoe dit handelen van [verdachte] gekwalificeerd kan worden.
Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat een verdachte, al dan niet voorwaardelijk, opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Er is sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden. De beantwoording van de vraag of door een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg is ontstaan, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij kijkt de rechtbank naar de aard van de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder de gedragingen zijn verricht. In alle gevallen moet het gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is.
De rechtbank heeft hiervoor al vastgesteld dat [verdachte] met een mes in de rug van [slachtoffer] heeft gestoken. De rechtbank overweegt dat het steken in het bovenlichaam met een mes een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bij het slachtoffer oplevert. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat bij het steken van een mes in iemands rug de aanmerkelijke kans bestaat dat letsel wordt veroorzaakt aan vitale structuren of organen dat tot de dood kan leiden. Bij [slachtoffer] is een steekverwonding geconstateerd in zijn rug, net naast de rand van het schouderblad links. Ook is links een klaplong geconstateerd met bloed in de borstholte en onderhuids. Medisch ingrijpen door middel van het inbrengen van een drain in de borstkas/borstholte was noodzakelijk.
Kijkend naar het handelen van [verdachte] is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] . De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

3.De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Bewezen kan worden dat:
1.
hij op
of omstreeks25 april 2024 te Duiven
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer]
opzettelijk van het leven te beroven,
meermalen, althans eenmaal,met een mes
, althans een scherp en/of puntig voorwerp,in de rug en/of in/rondom de ribben,
althans in het lichaamvan die [slachtoffer] heeft gestoken
en/of heeft gesneden en/of heeft geprikt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van die onderdelen van de tenlastelegging die niet zijn bewezen.

4.De strafbaarheid van het feit

Namens [verdachte] is een beroep op noodweer gedaan. Op grond van artikel 41 van Pro het Wetboek van Strafrecht moet voor een geslaagd beroep op noodweer sprake zijn van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding, waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs mocht verdedigen.
Het beroep op noodweer slaagt. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [verdachte] waartegen verdediging noodzakelijk was. [verdachte] stond namelijk stil op straat, omdat hij naar eigen zeggen bevroor bij het zien van [betrokkene 1] . Dit stukje is niet te zien op de beelden, maar de rechtbank heeft geen reden om aan deze verklaring te twijfelen. Op de beelden is daarentegen wel te zien dat [slachtoffer] op dat moment met een mes zichtbaar in de hand op [verdachte] kwam af gerend en hem binnen een paar seconden bereikte, waarna [betrokkene 2] en [betrokkene 1] snel volgden. Dit is het moment waarop [verdachte] door [slachtoffer] wordt gestoken. Deze feitelijke situatie kan gezien worden als een wederrechtelijke aanranding van [verdachte] waartegen hij zich mocht verdedigen. De wijze van verdedigen voldoet aan de eis van subsidiariteit want wegrennen voor de drie mannen was in dat korte tijdsbestek niet meer mogelijk. De rechtbank is van oordeel dat deze wijze van verdediging onder de gegeven omstandigheden noodzakelijk was en de gehanteerde methode (het éénmaal steken met een mes tegen een aanvaller die ook een mes heeft) proportioneel.
Het standpunt van de officier van justitie, dat de gedragingen van [verdachte] die aan de wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] zijn voorafgegaan, in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer, volgt de rechtbank niet. De rechtbank is van oordeel dat het weliswaar heel onverstandig was van [verdachte] om snel na het incident bij zijn voordeur met twee messen de straat op te gaan en opnieuw de confrontatie met [betrokkene 2] en [slachtoffer] te zoeken, maar dit staat niet in de weg aan een geslaagd beroep op noodweer. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel, is onvoldoende om een beroep te doen op eigen schuld. [8]
Omdat het beroep op noodweer van [verdachte] slaagt en de wederrechtelijkheid van zijn handelen daarmee is komen te vervallen, zal hij worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van de tenlastegelegde poging tot doodslag.

5.De beoordeling van de civiele vorderingen

De benadeelde partij [slachtoffer] ( [slachtoffer] ) heeft in verband met het ten laste gelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert
€ 5.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De benadeelde partij [betrokkene 1] ( [betrokkene 1] ) heeft in verband met het ten laste gelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.250,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Op grond van artikel 361, lid 2, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering is een benadeelde partij alleen ontvankelijk in haar vordering als aan de verdachte een straf of maatregel wordt opgelegd of als artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast.
Omdat aan [verdachte] geen straf of maatregel wordt opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet wordt toegepast, zal de rechtbank [slachtoffer] en [betrokkene 1] niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen tot schadevergoeding.

6.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart het bewezenverklaarde feit niet strafbaar en ontslaat verdachte voor dit feit van alle rechtsvervolging;
 heft het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis op;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
 verklaart de benadeelde partij [betrokkene 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.J. Post (kinderrechter en voorzitter), mr. I.D. Jacobs en
mr. D.S.M. Bak, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. I.C.G.M. van Lammeren-van Dijck, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 februari 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024188301 en PL0600-2024188576, gesloten op 18 september 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.De verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 22 januari 2026.
3.Geneeskundige verklaring d.d. 25 juni 2024, p. 374.
4.Geneeskundige verklaring d.d. 16 juli 2024, p. 342.
5.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 120, het proces-verbaal van getuige [getuige] , p. 106, het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 360, het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] door RC d.d. 29 april 2024, p. 2.
6.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 2] , p. 213, het proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 1] , p. 269, het proces-verbaal van bevindingen, p. 312, het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 361, het proces-verbaal van bevindingen, p. 85.
7.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 84 en 85, het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 20 november 2024, p. 2, het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 103.
8.Zie in dit verband HR 14 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:715 en HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456.