Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:1063

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
05/392845-24; 99-000363-21 (herroeping v.i)
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38z SrArt. 312 SrArt. 6:106 BWArt. 4 Penitentiaire beginselenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf van zes jaar voor overval met mes op supermarktcaissière

Op 6 december 2024 pleegde verdachte een overval op een supermarkt in Apeldoorn waarbij hij de 19-jarige caissière bedreigde met een mes bij haar keel en haar dwong de kassa te openen. De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte meerdere bankbiljetten heeft weggenomen onder bedreiging en geweld.

Verdachte heeft een langdurig en ernstig strafblad met herhaalde vermogens- en geweldsdelicten en vertoont een patroon van recidive. Hij weigerde mee te werken aan psychiatrisch onderzoek, waardoor geen stoornis kon worden vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat een tbs-maatregel niet passend is, maar dat vanwege het hoge recidiverisico en het gevaar voor de samenleving een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes jaar passend is.

Daarnaast werd de voorwaardelijke invrijheidstelling van een eerdere straf herroepen omdat verdachte binnen de proeftijd opnieuw een strafbaar feit beging. De benadeelde caissière kreeg een schadevergoeding van € 2.250,00 toegekend wegens immateriële schade door de traumatische overval.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf en herroeping van voorwaardelijke invrijheidstelling wegens gewelddadige overval met mes.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05.392845.24, 99-000363-21 (herroeping v.i.)
Datum uitspraak : 27 januari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1976 in [geboorteplaats] ,
gedetineerd in de [plaats] .
Raadsman: mr. R. Walet, advocaat in Hoevelaken.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 6 december 2024 te Apeldoorn, meerdere bankbiljetten, in elk geval een geldbedrag/enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Lidl (gevestigd aan [adres] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen (de caissière) [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken,
en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
en/of
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld (de caissière) [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van meerdere bankbiljetten, in elk geval een geldbedrag/enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Lidl (gevestigd aan [adres] ) in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde,
welk geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit het
- met hoofd- en/of deels gezichtsverhullende kleding benaderen van die [slachtoffer] en/of
- onverhoeds zich begeven in het kassagedeelte achter de toonbank, alwaar voornoemde [slachtoffer] zich achter de kassa bevond en/of
- dreigend met een mes, althans een daarop gelijkend voorwerp, dicht op die [slachtoffer]
gaan staan en/of
- vastpakken van die [slachtoffer] bij haar arm en/of
- plaatsen van een mes, althans een daarop gelijkend voorwerp, tegen en/of bij de
keel/nek van die [slachtoffer] en/of
- tegen die [slachtoffer] op dreigende/intimiderende toon zeggen “als je de geldlade nu niet open doet dan heb je een groot probleem”, althans woorden van gelijke strekking.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens Lidl, p. 14;
- het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer] , p. 17;
- het proces-verbaal van bevindingen beschrijving camerabeelden, p. 30-32;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 januari 2026.
De rechtbank overweegt dat verdachte weliswaar ter terechtzitting heeft verklaard dat hij [slachtoffer] niet heeft vastgepakt, maar dat uit de door de politie beschreven camerabeelden volgt dat verdachte met zijn linkerhand de linkerarm van de caissière heeft vastgepakt. [2] De rechtbank acht de tenlastelegging daarmee ook op dit punt wettig en overtuigend bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks6 december 2024 te Apeldoorn, meerdere bankbiljetten
, in elk geval een geldbedrag/enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Lidl (gevestigd aan [adres] )
, in elk geval aan een andertoebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan
envergezeld
en/of gevolgdvan
geweld en/ofbedreiging met geweld tegen (de caissière) [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en
/ofgemakkelijk te maken,
en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
en/of
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld (de caissière) [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van meerdere bankbiljetten, in elk geval een geldbedrag/enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Lidl (gevestigd aan [adres] ) in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde,
welke
geweld en/ofbedreiging met geweld bestond
(en)uit het
- met hoofd- en
/ofdeels gezichtsverhullende kleding benaderen van die [slachtoffer] en
/of
- onverhoeds zich begeven in het kassagedeelte achter de toonbank, alwaar voornoemde [slachtoffer] zich achter de kassa bevond en
/of
- dreigend met een mes, althans een daarop gelijkend voorwerp, dicht op die [slachtoffer]
gaan staan en
/of
- vastpakken van die [slachtoffer] bij haar arm en
/of
- plaatsen van een mes
, althans een daarop gelijkend voorwerp, tegen en/ofbij de
keel/nek van die [slachtoffer] en
/of
- tegen die [slachtoffer] op dreigende/intimiderende toon zeggen “als je de geldlade nu niet open doet dan heb je een groot probleem”, althans woorden van gelijke strekking.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal, voorafgegaan en vergezelden gevolgdvan bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Ook heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer] . De officier van justitie verzoekt de rechtbank om daarbij te bevelen dat twee weken vervangende hechtenis wordt toegepast voor iedere keer dat verdachte niet aan de maatregel voldoet.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte geen tbs-maatregel dient te worden opgelegd, nu door de weigering van verdachte om aan het deskundigenonderzoek mee te werken er geen antwoord kan worden gegeven op de vraag of een psychische stoornis aanwezig is, en er ook anderszins geen psychische stoornis kan worden vastgesteld.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijke straf, waarbij als bijzondere voorwaarde geldt dat verdachte dient te worden opgenomen in een zorginstelling en zich verplicht laat behandelen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overval op een supermarkt. Vlak voor sluitingstijd heeft hij de caissière, de 19-jarige [slachtoffer] , gedwongen om de kassa open te maken door haar vast te pakken en te bedreigen met een mes bij haar keel. In haar slachtofferverklaring heeft [slachtoffer] de overval omschreven als een traumatische ervaring die nog elke dag invloed heeft op haar dagelijks leven.
Een overval wordt gezien als een ‘High Impact Crime’; een ernstig delict dat als zeer beangstigend en bedreigend wordt ervaren door de slachtoffers. Dergelijke feiten veroorzaken ook maatschappelijke onrust en versterken de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Verdachte heeft op geen enkele wijze oog gehad voor de gevolgen van zijn daden voor het slachtoffer. Dit rekent de rechtbank hem zwaar aan.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte een uitgebreid justitieel verleden heeft. In 1992 werd hij voor het eerst door de kinderrechter veroordeeld voor een reeks diefstallen en inbraken. In de jaren daarna is verdachte vele malen met politie en justitie in aanraking gekomen en heeft hij regelmatig in detentie verbleven, met name vanwege vermogensdelicten met geweld. In 2013 is hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar wegens het plegen van twee tasjesroven, drie gewapende overvallen en het mishandelen van een agent. Tijdens zijn deelname aan het Penitentiaire Programma (PP) in 2019 heeft verdachte zijn enkelband doorgeknipt, is hij gevlucht en heeft hij nieuwe soortgelijke delicten gepleegd. Voor deze feiten werd aan verdachte in 2021 een gevangenisstraf van vijf jaar en zes maanden opgelegd. Tijdens de periode van voorwaardelijke invrijheidsstelling heeft verdachte het huidige delict begaan.
Ten aanzien van de persoon van verdachte zijn verschillende rapporten opgemaakt.
Nadat verdachte had geweigerd om mee te werken aan een ambulant onderzoek door een
psychiater en/of psycholoog, is hij van 23 juli 2025 tot 2 september 2025 gedurende zes weken opgenomen geweest in het Pieter Baan Centrum. Hij heeft zijn medewerking aan het onderzoek geweigerd, zoals hij eerder ook bij andere Pro Justitia-onderzoeken heeft gedaan. Ook gaf hij geen toestemming om gegevens bij de medische dienst of eerdere hulpverlening op te vragen. De reden van weigeren is onbekend gebleven. Uit de Pro Justitia Rapportage van 3 oktober 2025, opgesteld door een psychiater en een GZ-psycholoog die zijn verbonden aan het PBC, volgt dat uit de (beperkte) milieu-informatie een patroon naar voren komt van vele vermogens- alsmede geweldsdelicten vanaf 19-jarige leeftijd (adolescentie). Verdachte bracht vanaf 25-jarige leeftijd zijn leven grotendeels in detentie door. Er bestond een opvallend patroon, waarbij verdachte telkens binnen enkele maanden na vrijlating in delictgedrag verviel en weer in hechtenis werd genomen. Verdachte accepteerde in het verleden geregeld hulp om een passend maatschappelijk bestaan op te bouwen, maar de ondersteuning leidde nooit tot een verbetering in zijn functioneren. Volgens de rapporteurs kenmerkt het leven van verdachte zich door een vast en terugkerend patroon van antisociale gedragingen waaronder vermogens- en geweldsdelicten met een zeer beperkt maatschappelijk functioneren. Met betrekking tot zijn intelligentieniveau kan zijn functioneren niet goed worden bepaald, al bestaan geen vermoedens van een verstandelijke beperking. Voor zover er tijdens de observatieperiode zicht op hem werd verkregen, werden geen evidente psychiatrische symptomen waargenomen. Onderzoek naar eventuele onderliggende agressie, impulsiviteit, empathie en geweten of persoonlijkheidsproblematiek, middelengebruik en realiteitstoetsingsproblemen is door de weigering niet mogelijk en deze factoren kunnen dan ook niet vastgesteld, noch uitgesloten worden. Daardoor kan er, hoewel er gezien de levenswijze van verdachte symptomen van een persoonlijkheidsstoornis lijken te zijn, geen stoornis worden vastgesteld of uitgesloten. De rapporteurs hebben niet kunnen onderzoeken of verdachte door eventuele psychopathologie werd beperkt in zijn gedragskeuzes ten tijde van de tenlastegelegde feiten, of verminderd in staat was zijn gedrag te controleren of te overzien. Ook kan er geen pathologisch bepaald risico op herhaling van delictgedrag worden vastgesteld.
Uit het advies van de reclassering van 13 december 2025 volgt dat bij verdachte sprake is van een structureel hoog recidiverisico, zowel ten aanzien van algemene delicten als geweldsdelicten. Ondanks herhaalde interventies, reclasseringstrajecten en diverse strafmodaliteiten, blijft verdachte recidiveren. Er is sprake van een zeer beperkte maatschappelijke integratie, gekenmerkt door het ontbreken van een stabiele woon-, werk- en sociale basis. Verdachte beschikt niet over een vast inkomen, heeft aanzienlijke schulden en er lijkt een direct verband tussen zijn financiële problematiek en delictgedrag. Ten aanzien van middelengebruik zijn geen aanwijzingen voor ernstige verslaving, maar verdachte heeft wel eerder een positieve urinecontrole op cocaïne gehad welke hij ontkende. Het kan niet worden uitgesloten dat middelengebruik doorwerking heeft gehad bij de verdenking. Ondanks dat het PBC niet tot duidelijke conclusies is gekomen omtrent de eventuele psychiatrische problematiek is dit eerder door GGNet wel vastgesteld. Er is sprake van een vast patroon van antisociale gedragingen en een pro-criminele attitude, waarbij verdachte bij toename van vrijheden vrijwel direct terugvalt in delictgedrag. Gelet op het bovenstaande wordt het risico op recidive en het onttrekken aan eventuele bijzondere voorwaarden als hoog ingeschat. Er zijn onvoldoende beschermende factoren aanwezig die het risico op herhaling substantieel kunnen verminderen. Verdere interventies lijken, gezien het structurele karakter van het recidivepatroon en de beperkte motivatie tot duurzame gedragsverandering, vooralsnog weinig effect te sorteren. Verdachte geeft in gesprek met rapporteur aan dat hij nog wel openstaat voor het aangaan van een nieuwe behandeling, ook als dit in een kader van een maatregel zou zijn. Dit is tot op heden echter nog niet gebleken uit zijn houding, bijvoorbeeld gezien zijn weigering bij het PBC. Om die reden ziet de reclassering dan ook geen mogelijkheden voor een plan van aanpak. De reclassering adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
De op te leggen straf
Voor het opleggen van een tbs-maatregel, waartegen de verdediging zich expliciet heeft verzet, ziet de rechtbank geen ruimte, nu er onvoldoende aanknopingspunten zijn om een stoornis bij verdachte vast te stellen.
Gelet op het uitgebreide strafblad van verdachte en de inhoud van de rapporten die ten aanzien van verdachte zijn opgemaakt, constateert de rechtbank dat bij verdachte sprake is van een zeer heftig, langdurig en gewelddadig delictpatroon, waarbij verdachte steeds opnieuw soortgelijke delicten pleegt. Als gevolg daarvan heeft verdachte het grootste gedeelte van zijn volwassen leven in de gevangenis doorgebracht. De ingezette strafmodaliteiten hebben echter niet geleid tot een afname van het delictgedrag. Zodra aan verdachte enige vrijheden worden toegekend, gaat hij opnieuw de fout in.
De gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers, de maatschappij en hemzelf zijn verdachte bekend, maar dat weerhoudt hem er niet van om steeds weer terug te vallen in hetzelfde patroon. Enig inzicht in de drijfveren van verdachte en de eventuele problematiek die daaraan ten grondslag ligt ontbreekt, aangezien verdachte stelselmatig weigert mee te werken aan onderzoek naar zijn persoon. Dientengevolge kan er geen gericht plan van aanpak worden opgesteld waarmee kan worden voorkomen dat verdachte opnieuw in de fout gaat.
Deze uitzonderlijke omstandigheden maken dat de rechtbank niet anders kan dan de maatschappij zo lang mogelijk tegen verdachte beschermen. Dit zal de rechtbank doen door aan verdachte een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van zes (6) jaren. De tijd die verdachte al in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal in mindering worden gebracht op de straf. Deze straf is gelijk aan de eis van de officier van justitie en wordt door de rechtbank passend en geboden geacht voor deze verdachte.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Ook zal de rechtbank aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z Sr opleggen. Daarmee wordt de mogelijkheid gecreëerd om verdachte na afloop van de gevangenisstraf onder toezicht te stellen, indien dat in verband met dan bestaande risico's noodzakelijk is ter bescherming van de algemene veiligheid van personen of goederen. De rechtbank acht deze maatregel noodzakelijk opdat toereikende maatregelen kunnen worden genomen om het recidiverisico in te perken wanneer verdachte opnieuw in vrijheid wordt gesteld. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van deze maatregel is voldaan.
Gelet op de hoogte van de opgelegde straf zal verdachte voorlopig niet vrijkomen en ziet de rechtbank geen aanleiding voor het daarnaast nog opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contactverbod als bedoeld in artikel 38v Sr.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert een bedrag van € 2.250,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft de rechtbank verzocht het gevorderde bedrag te matigen, omdat verdachte niet over financiële middelen beschikt om te betalen.
Overweging van de rechtbank
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van immateriële schade in het geval dat:
-verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
-de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
-de benadeelde partij in haar eer of goede naam is geschaad, of
-de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen een van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 BW Pro valt.
Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde in dit geval zo voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon, in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b BW.
[slachtoffer] is tijdens haar werk in een supermarkt overvallen door verdachte en is daarbij door hem bedreigd met een mes bij haar keel. Het ligt zo voor de hand dat een persoon die dit onder deze omstandigheden meemaakt daar psychische gevolgen van ondervindt, dat de rechtbank een aantasting in de persoon van de benadeelde partij aanneemt. [slachtoffer] heeft daarover verklaard dat zij na de overval slecht sliep en dat zij last had van herbelevingen en paniekklachten. De huisarts heeft daar doorverwezen naar de praktijkondersteuner, waar zij onder meer EMDR-therapie heeft ondergaan.
De schadevordering is door de verdediging niet betwist. In de financiële middelen van verdachte ziet de rechtbank geen reden om het gevraagde bedrag te matigen. Het gevorderde bedrag van € 2.250,00 komt de rechtbank bovendien, gelet op wat in soortgelijke zaken wordt toegekend, billijk voor. De rechtbank zal de vordering geheel toewijzen.
9. De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling (parketnummer 99-000363-21)
De rechtbank Overijssel heeft verdachte op 19 juli 2013 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren. Op 3 maart 2021 heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 6 maanden. Op 16 oktober 2023 is verdachte voorwaardelijk in vrijheid gesteld, waarbij als algemene voorwaarde is gesteld dat verdachte zich tijdens de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De duur van de v.i.-periode bedraagt 1757 dagen.
De officier van justitie vordert volledige herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
De raadsman heeft op dit punt geen verweer gevoerd.
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 38z en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

11.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) jaren;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 legt een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
  • veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.250,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 december 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald);
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 2.250,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 december 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 20 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling (parketnummer 99-000363-21)
 wijst de vordering toe en beveelt dat de vrijheidsstraf, die als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, te weten 1757 dagen gevangenisstraf, moet worden ondergaan (parketnummer 99-000363-21).
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Graat (voorzitter), mr. L.M. Vogel en mr. C.E.W. van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Verberkt, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 januari 2026.
mr. Van de Sande is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600_2024573107, gesloten op 17 februari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van bevindingen beschrijving camerabeelden, p. 31 en 38.