De Stichting Dorpsraad Hurwenen maakte bezwaar tegen een omgevingsvergunning die door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel was verleend aan een vergunninghouder voor de bouw van een sportaccommodatie in een andere plaats dan waar het huidige dorpshuis is gevestigd. De stichting vreesde dat de nieuwe accommodatie het dorpshuis zou vervangen, wat nadelig zou zijn voor de leefbaarheid van hun dorp.
De rechtbank oordeelde dat de stichting geen rechtstreeks belang had bij het besluit, omdat de vergunning niet direct hun statutaire belangen raakte. De bouw van de accommodatie in een andere plaats en het feit dat het bestemmingsplan nevengebruik voor maatschappelijke voorzieningen toestaat, maakte dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. De rechtbank wees ook een vergoeding van proceskosten en griffierecht af. De uitspraak werd gedaan door rechter M. Duifhuizen en griffier R.P.C.M. van Wel op 17 februari 2026.