ECLI:NL:RBGEL:2026:1112

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
ARN 25_971
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 lid 3 ParticipatiewetArt. 54 lid 4 ParticipatiewetArt. 17 lid 1 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting handel in pups

Eiseres ontving bijstand over meerdere periodes en vroeg opnieuw bijstand aan per 11 september 2023. Na een onderzoek naar handel in pups, waarbij eiseres inkomsten niet had gemeld en geen administratie kon overleggen, heeft het college het recht op bijstand ingetrokken en te veel ontvangen bijstand teruggevorderd.

De rechtbank oordeelt dat eiseres tot en met september 2023 handel in pups heeft voortgezet en dit niet heeft gemeld, waardoor zij haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Ondanks haar stelling dat zij al in mei 2023 was gestopt, is dit niet aannemelijk gebleken. Het college kon daardoor het recht op bijstand niet vaststellen.

Eiseres kon ook niet aantonen dat het recht op bijstand schattenderwijs vastgesteld kon worden, omdat zij geen verifieerbare administratie over de handel kon overleggen. De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand zijn bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/971

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. K.T. Ghaffari),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Overbetuwe

(gemachtigde: mr. D. Radstaat).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van het recht op bijstand van eiseres over de periode van 11 september 2023 tot en met 10 mei 2024 en de intrekking met ingang van 11 mei 2024 en over de terugvordering van bijstand van een bedrag van € 3.363,49 bruto en € 1.841,08 netto op grond van de Participatiewet (Pw). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking en terugvordering van haar recht op bijstand.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht het recht op bijstand van eiseres heeft ingetrokken en het te veel ontvangen aan bijstand heeft teruggevorderd. Eiseres krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De uitspraak is als volgt opgebouwd. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Het college heeft met het besluit van 5 juni 2024 het recht op bijstand van eiseres over de periodes van 21 augustus 2019 tot en met 10 mei 2020, 26 augustus 2020 tot en met 17 januari 2021, 11 september 2023 tot en met 10 mei 2024 en per 11 mei 2024 ingetrokken, en heeft met het besluit van 15 juli 2024 de door eiseres over de periodes van 21 augustus 2019 tot en met 10 mei 2020, 26 augustus 2020 tot en met 17 januari 2021 en van 11 september 2023 tot en met 29 februari 2024 ontvangen bijstand, te weten € 22.491,49 van haar teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 15 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is het college gedeeltelijk bij deze besluiten gebleven, namelijk voor wat betreft de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 11 september 2023 tot en met 10 mei 2024 en de intrekking met ingang van 11 mei 2024 en voor wat betreft de terugvordering van ontvangen bijstand over de periode van 11 september 2023 tot en met 29 februari 2024, te weten van € 3.363,49 bruto en € 1.841,08 netto.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hierop heeft het college gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft daarna aanvullende vragen gesteld aan het college. Het college heeft hierop gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres ontving over de periodes van 21 augustus 2019 tot en met 10 mei 2020 en van 26 augustus 2020 tot en met 17 januari 2020 bijstand op grond van de Pw. Op 10 oktober 2023 heeft eiseres opnieuw bijstand aangevraagd met ingang van 11 september 2023. Daarbij zijn onder meer de bankafschriften van eiseres onderzocht en is met haar een gesprek gevoerd. In het rapport dat van dit onderzoek is opgemaakt staat, dat op de bankafschriften te zien is dat eiseres bijschrijvingen ontvangt van derden en dat zij haar hond en een pup heeft verkocht. De bijschrijvingen zijn in lijn met de verklaring van eiseres, dat zij geen inkomsten had om in haar levensonderhoud te voorzien. Verder is vermeld dat eiseres per 13 november 2023 gaat werken en alimentatie gaat ontvangen. Dit moet gekort worden op de te ontvangen bijstand. Er is uitgegaan van een aanvangsvermogen van € 2.402,96. Aan eiseres is vervolgens bijstand toegekend naar de norm van een alleenstaande per 11 september 2023.
3.1.
Een medewerker Handhaving van de gemeente heeft naar aanleiding van een melding van de politie, dat onder meer op het adres van eiseres een onderzoek is geweest met betrekking tot de handel in pups, een onderzoek ingesteld naar het recht van eiseres op bijstand. Daartoe is onder meer bij de politie informatie opgevraagd en is met eiseres een gesprek gevoerd. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college, met het besluit van 25 maart 2024, de uitbetaling van de bijstand van eiseres per 1 maart 2024 geblokkeerd, omdat het college het recht op bijstand niet kan vaststellen. Eiseres is daarop uitgenodigd voor een gesprek met toezichthouders van de gemeente op 9 april 2024. Op 24 april 2024 heeft het college eiseres verzocht om voor 11 mei 2024 verschillende bewijsstukken te overleggen, namelijk een objectieve, verifieerbare, deugdelijke en sluitende boekhouding met betrekking tot de handel in pups vanaf 1 januari 2019, een objectief en verifieerbaar bewijsstuk van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), waaruit blijkt over welke periode vanaf 1 januari 2019 eiseres haar specifieke UBN [1] heeft gehad en een objectief en verifieerbaar bewijsstuk van de RVO, waaruit kan blijken of eiseres vanaf 1 januari 2019 nog andere UBN-nummers heeft of heeft gehad. Omdat het college geen reactie heeft gehad van eiseres, heeft het college met het besluit van 14 mei 2024 het recht op bijstand opgeschort. Het college heeft eiseres in de gelegenheid gesteld om de bewijsstukken alsnog aan te leveren voor 22 mei 2024. Op 16 mei 2024 heeft eiseres per mail laten weten dat zij de gevraagde bewijsstukken niet kan overleggen, anders dan een printscreen met betrekking tot het UBN-nummer [nummer]. De onderzoeksresultaten zijn vastgelegd in een rapportage handhaving van 31 mei 2024.
3.2.
Het college heeft, met het besluit van 5 juni 2024, het recht op bijstand van eiseres ingetrokken per 11 mei 2024, omdat eiseres niet heeft gereageerd op het verzoek om gegevens toe te sturen. [2] Omdat het college de gevraagde gegevens niet heeft ontvangen, kan het college ook het recht op bijstand over de periode van (voor zover hier van belang) 11 september 2023 tot en met 10 mei 2024 niet vaststellen. [3] Als gevolg van deze intrekking, heeft het college met het besluit van 15 juli 2024 het te veel aan bijstand ontvangen bedrag teruggevorderd. Eiseres heeft tegen zowel de intrekking als terugvordering bezwaar gemaakt.
3.3.
Het college heeft naar aanleiding van het bezwaar advies gevraagd aan de bezwaarschriftencommissie. Die heeft op 18 december 2024 een advies uitgebracht. Dit advies maakt onderdeel uit van het bestreden besluit van 13 januari 2025, zoals vermeld onder 2. Daarbij heeft het college de juridische grondslag voor de intrekking van het recht op bijstand per 11 mei 2024 gewijzigd. Het college legt aan de intrekking en terugvordering vanaf 11 september 2023 het volgende ten grondslag. Volgens het college heeft eiseres vanaf 11 september 2023 de inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand van eiseres vanaf deze periode niet kan worden vastgesteld. Eiseres heeft namelijk de werkzaamheden die zij heeft verricht in de handel in pups en de daarmee gegenereerde inkomsten niet gemeld. Eiseres heeft daarvan ook geen administratie bijgehouden. Ook als de werkzaamheden en inkomsten hebben plaatsgevonden voorafgaand aan de ingangsdatum van bijstand, zijn die relevant voor de beoordeling van het recht op bijstand. Uit de onderzoeksresultaten volgt namelijk dat eiseres in de periode van oktober 2022 tot en met september 2023 30 keer een betaling heeft ontvangen voor een pup, waarmee er in totaal € 25.075 op haar rekening is gestort. Daarnaast is één keer € 2.315 contant op haar rekening gestort, heeft zij zes keer betaald voor advertenties op Puppyplaats en heeft ze op 21 september 2023 betaald voor de opleiding vakbekwaamheid besluit houders van dieren. De in totaal ontvangen gelden van € 27.390 had eiseres moeten melden tijdens de aanvraagprocedure, omdat dit bedrag hoger is dan het op dat moment geldende bedrag aan vrij te laten vermogen (€ 15.210). Door dit niet te doen heeft zij haar inlichtingenverplichting geschonden. Hierdoor kan het recht op bijstand vanaf 11 september 2023 niet worden vastgesteld. Eiseres had in de periode hiervoor de beschikking over een bedrag dat veel meer is dan het vrij te laten vermogen en heeft dit ten onrechte niet gemeld bij het college. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij, als zij wel aan de inlichtingenverplichting had voldaan, wel recht op bijstand had. Ze heeft namelijk geen deugdelijke en verifieerbare administratie overgelegd van haar werkzaamheden in de betreffende periode.
De te beoordelen periode
4. De intrekking ziet op de periode van 11 september 2023 tot en met 10 mei 2024 en op de periode vanaf 11 mei 2024. Deze laatste periode is in het primaire besluit van 5 juni 2024 niet begrensd. Dat betekent dat de te beoordelen periode loopt van 11 september 2023 tot en met 5 juni 2024 (de te beoordelen periode).
Heeft eiseres de inlichtingenverplichting geschonden?
5. Eiseres betoogt dat ze al ruim voor de aanvraag van bijstand in september 2023 is gestopt met de handel in pups. Ze is gestopt op 2 mei 2023 toen ze verhuisde naar een nieuw woonadres. Eiseres wijst in dit kader op het feit dat zij op haar vorige adres nog een zogenoemd UBN-nummer had, maar op haar nieuwe woonadres niet meer. Hoewel eiseres vanwege deze handel in de maanden mei, juni en juli 2023 nog wel een vergoeding ontving voor de verkochte pups en deze pups nog wel werden opgehaald op haar nieuwe adres, was van handel vanuit haar nieuwe adres geen sprake meer. Ze kon daarom ook geen deugdelijke en verifieerbare administratie overleggen van de handel in pups in de periode direct voorafgaand aan de aanvraag voor bijstand. Ze heeft dus ook niet de inlichtingenverplichting geschonden.
Bovendien heeft eiseres tijdens de zitting gesteld, dat zij al in de aanvraagfase openheid van zaken heeft gegeven. Ze heeft toen namelijk haar bankafschriften overgelegd van de drie maanden voorafgaand aan de aanvraag. Hierop waren bijschrijvingen te zien van derden en van de verkoop van een hond. Eiseres heeft toen ook aangegeven dat zij een hond en pup had verkocht. Het college heeft hier echter niet naar doorgevraagd.
5.1.
Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. [4] In dit geval betekent dit dat het college aannemelijk moet maken dat eiseres in de te beoordelen periode de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij in pups handelde.
5.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit het proces verbaal van bevindingen van de politie volgt, dat eiseres in de periode van oktober 2022 tot en met september 2023 heeft gehandeld in pups. In die periode heeft eiseres 30 keer een betaling heeft ontvangen voor een pup waarmee er in totaal € 25.075 op haar rekening is gestort. Daarnaast is één keer € 2.315 contant op haar rekening gestort, heeft zij zes keer betaald voor advertenties op Puppyplaats en heeft ze op 21 september 2023 betaald voor de opleiding vakbekwaamheid besluit houders van dieren. Dat eiseres vanaf mei 2023 toen zij verhuisde naar een nieuw woonadres, al zou zijn gestopt met de handel in pups, volgt de rechtbank daarom niet. Zo volgt uit het proces verbaal van bevindingen van de politie dat een koper omstreeks juni 2023 nog contact heeft gelegd met eiseres en dat de koper de pup kon bekijken op het nieuwe adres van eiseres. Ook hebben agenten naar aanleiding van een advertentie van een pup op Marktplaats in september 2023 een afspraak gemaakt. Het adres dat werd doorgegeven was het adres van de moeder van eiseres, maar de verkoper die opendeed werd door de agenten herkend als eiseres. De rechtbank is daarom van oordeel dat aannemelijk is geworden dat eiseres tot en met september 2023 heeft gehandeld in pups. Dit had eiseres moeten melden. Dat eiseres tijdens het gesprek in de aanvraagfase al openheid van zaken zou hebben gegeven, volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft in de aanvraagfase namelijk slechts aangegeven dat zij na de verbreking van de relatie met haar ex-partner van haar spaargeld en dat van haar kinderen heeft geleefd, als ook van de verkoop van spullen, waaronder haar hond. Hieruit had het college niet kunnen afleiden dat eiseres handelde in pups.
5.3.
In zoverre het college zich in het verweerschrift en tijdens de zitting aanvullend op het standpunt heeft gesteld dat eiseres ook na september 2023 de handel in pups heeft voortgezet, heeft het college dit niet aannemelijk gemaakt. Het college verwijst hiervoor naar de bevindingen uit een huisbezoek dat heeft plaatsgevonden op 28 november 2023. Tijdens dit huisbezoek zijn zes mobiele telefoons aangetroffen, drie tablets, vier keer € 50 contant en een envelop met € 1.280 contant. Hoewel uit deze telefoons en tablets onder andere naar voren is gekomen dat eiseres deze telefoons gebruikte voor de verkoop van pups, en dat zij met haar moeder afspraken maakte over de verkoop van deze pups, volgt uit deze bevindingen niet in welke periode deze handel heeft plaatsgevonden, en dus ook niet of de handel nog na september 2023 is voortgezet.
Heeft het college terecht geoordeeld dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld?
6. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is de bijstandverlenende instantie gehouden om, indien mogelijk, schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand heeft, op basis van de vaststaande feiten. Dit is vaste rechtspraak. [5]
6.1.
Eiseres stelt dat het recht op bijstand (schattenderwijs) alsnog kan worden vastgesteld. Hoewel ze geen financiële administratie heeft kunnen overleggen, omdat ze samenwerkte met haar moeder, volgen er wel verifieerbare gegevens uit het proces verbaal van bevindingen van de politie. Hieruit volgt namelijk dat het totaalbedrag aan vergoedingen in de periode oktober 2022 tot september 2023 is vastgesteld op € 25.075. Gedurende deze periode heeft eiseres geen beroep op bijstand hoeven te doen, omdat zij met het ontvangen geld in haar levensonderhoud kon voorzien. Na aftrek van deze kosten voor levensonderhoud, wat verantwoorde uitgaven zijn geweest, resteert een bedrag dat minder is dan het vrij te laten vermogen. Omdat zij daarna in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, heeft ze in september 2023 de aanvraag om bijstand gedaan. Vanaf dat moment kan het recht op bijstand dus worden vastgesteld.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiseres heeft namelijk geen enkele boekhouding of administratie van de handel in pups en de verdiensten hieruit overgelegd. Dat zij samenwerkte met haar moeder tijdens de handel en daarom geen administratie of boekhouding kon overleggen, volgt de rechtbank niet. De rechtbank volgt evenmin dat de opbrengsten af te leiden zijn uit het proces-verbaal van bevindingen van de politie. Uit dit proces-verbaal volgt namelijk enkel het bedrag aan opbrengsten dat de politie heeft kunnen vaststellen. Het geeft dus geen volledig beeld van de geldstromen die hebben plaatsgevonden met de verkoop van pups.
6.3.
Tot slot oordeelt de rechtbank dat, het feit dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat de handel in pups ook ná september 2023 nog zou zijn voortgezet, niet maakt dat het recht op bijstand in de periode na september 2023 wel vast te stellen is. Eiseres heeft namelijk in haar geheel geen inzicht gegeven in de verworven inkomsten of de vorming van het vermogen door de handel in pups. Daardoor bestond ook na september 2023 nog onvoldoende inzicht in de financiële positie van eiseres om haar recht op bijstand te kunnen vaststellen.
Verwijzing naar het bezwaarschrift
7. Eiseres heeft verder verzocht om dat wat eerder in de procedure is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. De rechtbank overweegt dat het aan eiseres is om in beroep gemotiveerd en specifiek aan te voeren, waarom zij het niet eens is met het bestreden besluit. De verwijzing naar hetgeen in bezwaar is aangevoerd wordt niet als zo’n gemotiveerde en specifieke betwisting opgevat. Daarop is immers gereageerd in het bestreden besluit. Eiseres zal dus moeten aanvoeren waarom zij het met die reactie niet eens is. Gelet hierop heeft de rechtbank de beoordeling van het beroep hiervoor geplaatst in het licht van de in beroep nader uitgewerkte gronden en niet in het licht van hetgeen in bezwaar is aangevoerd.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college terecht het recht op bijstand van eiseres over de periode van 11 september 2023 tot en met 10 mei 2024 en per 11 mei 2024 heeft ingetrokken en het te veel aan bijstand ontvangen bedrag heeft teruggevorderd. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in aanwezigheid van
mr. V. Bouman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uniek bedrijfsnummer; een dergelijk nummer is onder meer vereist bij het bedrijfsmatig houden van honden.
2.Op grond van artikel 54, vierde lid, van de Pw in samenhang gelezen met artikel 17, eerste lid, van de Pw.
3.Op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw in samenhang gelezen met artikel 17, eerste lid, van de Pw.
4.CRvB 7 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2283.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852