ECLI:NL:RBGEL:2026:1127

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
C/05/441415 / FZ RK 24-2285
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:253n BWArt. 1:377a BWArt. 1:377b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag en vaststelling informatieregeling wegens ernstige verstoorde relatie tussen vader en minderjarige

De rechtbank Gelderland heeft op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in een zaak over het gezamenlijk gezag, omgangsregeling en informatieregeling betreffende een minderjarige. De moeder verzocht om beëindiging van het gezamenlijk gezag vanwege een ernstig verstoorde relatie tussen de vader en het kind, waarbij het kind een zeer sterke afwijzing van de vader toont. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde het gezamenlijk gezag in stand te laten en geen omgangsregeling vast te stellen, maar wel een informatieregeling.

Tijdens de procedure werden diverse stukken en rapporten overlegd, en zijn de ouders en een vertegenwoordiger van de Raad gehoord. Het kind heeft ook haar mening kenbaar gemaakt aan de kinderrechter. De rechtbank constateerde dat de verstandhouding tussen de ouders ernstig is verstoord en dat het kind geen contact wenst met de vader. De moeder heeft zorgen geuit over mishandeling en de impact daarvan op het kind, terwijl de vader dit ontkent en de moeder beschuldigt van beïnvloeding.

De rechtbank oordeelde dat er sprake is van een onaanvaardbaar risico dat het kind klem raakt tussen de ouders en dat verbetering niet te verwachten is. Ondanks het advies van de Raad om het gezag te handhaven, besloot de rechtbank het gezamenlijk gezag te beëindigen en het gezag aan de moeder toe te wijzen. De omgangsregeling werd afgewezen vanwege de forse weerstand van het kind. De informatieregeling werd vastgesteld op één keer per kwartaal, waarbij de moeder de vader informeert over het welzijn en belangrijke gebeurtenissen in het leven van het kind. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en de procedure is hiermee afgesloten.

Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en aan de moeder toegekend, omgangsregeling afgewezen, en een informatieregeling vastgesteld waarbij de moeder de vader eenmaal per kwartaal informeert.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Zutphen
Zaakgegevens: C/05/441415 / FZ RK 24-2285
Datum uitspraak: 13 januari 2026
beschikking gezag, omgangsregeling en informatieregeling
in de zaak van
[naam vader](hierna: de vader),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. M. de Schiffart te Apeldoorn,
tegen
[naam moeder](hierna: de moeder),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. L.E. Vries te Amsterdam (voorheen: mr. J. Blaauw te Amsterdam).

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 23 december 2024;
- het F9-formulier met bijlage van mr. Blaauw van 17 maart 2025;
- het F9-formulier met bijlage van mr. Blaauw van 13 mei 2025;
- het F9-formulier met bijlage van mr. De Schiffart van 19 mei 2025;
- de brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 22 mei 2025;
- het raadsrapport van 23 september 2025;
- het aanvullende verzoek van de moeder, ingekomen op 20 november 2025;
- het F9-formulier met bijlagen van mr. De Schiffart van 12 december 2025.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling van 17 december 2025 zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. M. de Schiffart;
- de moeder, bijgestaan door mr. L.E. Vries;
- een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.3.
[het kind] heeft op 24 november 2025 op haar eigen verzoek nog een keer haar mening gegeven over de zaak in gesprek met de kinderrechter.
1.4.
De rechtbank heeft op 23 december 2024 een raadsonderzoek gelast met betrekking
tot het ouderlijk gezag over [het kind] , het contact tussen [het kind] en haar vader, en de
informatieregeling. Iedere verdere beslissing heeft de rechtbank aangehouden.

2.Het advies van de Raad

2.1.
De Raad adviseert om op dit moment geen zorgregeling vast te stellen tussen [het kind] en
haar vader, het gezamenlijk gezag van de ouders in stand te laten en om te bepalen dat de
moeder eens per twee maanden de vader informeert over [het kind] en bij acute situaties.
2.2.
Uit het onderzoek is gebleken dat [het kind] haar vader, maar ook zijn hele familie afwijst.
Het liefst wil [het kind] dat de vader uit haar leven verdwijnt. Ze gebruikt zijn achternaam niet,
heeft foto’s vernietigd/beschadigd, gebruikt scheldwoorden als ze het over hem heeft en ze
wil hem nooit meer zien. Volgens [het kind] en de moeder is er sprake geweest van
kindermishandeling en heeft de vader [het kind] aan de kant gezet. De vader geeft aan dat er geen
sprake is geweest van mishandeling en is van mening dat de moeder [het kind] heeft beïnvloed.
Wat zich precies heeft voorgedaan, blijft onduidelijk. Wat wel duidelijk is, is dat [het kind] ervan
overtuigd is dat haar beleving de waarheid is en dat - ook als dit niet daadwerkelijk de
waarheid is - zij dit wel zo ervaart en voelt. Er zijn wel momenten geweest dat de moeder
haar gevoelens en mening over de vader niet weg heeft kunnen houden bij [het kind] . Zo heeft de
moeder laten weten de vader ‘een lul’ te vinden en is [het kind] ervan op de hoogte dat de vader
geen alimentatie betaalt. Daarnaast is het niet helpend dat [het kind] is geattendeerd op
kenmerken van narcisme. De Raad is bezorgd dat [het kind] haar sterke afwijzing naar de vader
mogelijk tot psychische problemen leidt in de toekomst, ook al lijkt zij zich nu goed te
ontwikkelen volgens de informanten die zijn gesproken in het onderzoek. Tegelijkertijd voelt
[het kind] zich al langere tijd niet veilig bij vader, en met de wetenschap dat vader zelfs maar
bestaat.
Ouderbegeleiding is niet van de grond gekomen, omdat de moeder niet met de vader in
dezelfde ruimte wilde zijn. Er is aan ouders geadviseerd om met elkaar een vorm te vinden
om met elkaar te communiceren, maar dit is tot nu toe niet gelukt. Beide ouders hebben ook
geen hulp meer gezocht om deze strijd met elkaar op te lossen, wat ervoor heeft gezorgd dat
er steeds meer verwijdering is ontstaan tussen [het kind] en de vader. Ook zijn er veel
onderwerpen waar de ouders het nu niet over eens zijn.
Met betrekking tot het gezag vreest de Raad dat de vader volledig uit het leven van [het kind] zal
verdwijnen als hij het gezag niet meer heeft. Daarbij komt dat als er ooit wel weer een
opening zal ontstaan bij [het kind] voor contact, het belangrijk is dat de vader op de hoogte is van
het leven van [het kind] . De vader moet informatie blijven krijgen.

3.De verzoeken en standpunten

3.1.
De rechtbank moet nog een beslissing nemen op de verzoeken van de vader om een zorg- en informatieregeling vast te stellen. Daarnaast moet de rechtbank nog beslissen op het aanvullende verzoek van de moeder (en de wens van [het kind] ) om het gezag van de vader te beëindigen. De moeder heeft haar verzoek om een bijzondere curator te benoemen tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken.
3.2.
Hoewel de moeder het eens is met het advies van de Raad dat er nu geen contact tussen [het kind] en de vader kan zijn, wil zij benadrukken dat zij zorgen heeft over de veiligheid van [het kind] bij de vader en dat [het kind] in het verleden zowel fysiek als psychisch is mishandeld. Uit de verklaringen van [het kind] , de kinderpsycholoog, de paardencoach, de PO-VO-begeleider en uit de dossiers van MEE Veluwe en het CBO, blijkt immers dat er wel degelijk sprake is geweest van mishandeling. [het kind] kampt met een trauma, waarvoor zij EMDR-therapie heeft moeten volgen. Momenteel krijgt [het kind] nog hulp van een kinderpsycholoog en schoolmaatschappelijk werk. [het kind] is meerdere keren afgewezen door de vader door het contact te stoppen en aan te geven dat hij [het kind] niet meer wil zien. De manier waarop de vader heeft gehandeld heeft een grote impact gehad op [het kind] . Tot nu toe heeft de vader nog altijd geen excuses aangeboden en geen erkenning gegeven voor de gebeurtenissen. [het kind] is na het lezen van het raadsadvies zo boos geworden dat zij aangifte heeft gedaan tegen haar vader. [het kind] voelt zich niet serieus genomen door de Raad.
De moeder wil dat het gezag van de vader over [het kind] wordt beëindigd. In de afgelopen jaren heeft de vader meerdere keren zijn toestemming voor belangrijke zaken geweigerd. Zo heeft de vader zijn toestemming geweigerd voor het inschrijven van [het kind] op het gymnasium in 2023, waardoor [het kind] pas een jaar later daar kon starten. Ook heeft de vader in dat jaar geen toestemming verleend voor de aanvraag van een nieuw paspoort voor [het kind] , omdat hij eerst contact met [het kind] wilde hebben. Pas zes maanden later gaf de vader toestemming na een brief van de orthodontist over de noodzaak van een beugel. De moeder heeft er dan ook geen vertrouwen in dat de vader nu wel zijn toestemming voor dit soort zaken zal verlenen. Daarbij komt dat de vader onvoldoende op de hoogte is van wat belangrijk is voor [het kind] . De vader informeert ook niet uit zichzelf naar [het kind] bij de moeder of bij school. Ook blijft de vader ontkennen dat [het kind] hoogbegaafd is, terwijl uit onderzoek anders is gebleken. Ten slotte zet [het kind] zichzelf klem doordat zij liever een vakantie naar het buitenland overslaat dan dat de vader weet waar zij naartoe gaat. De moeder staat niet open voor een ouderschapstraject met de vader. Zij stelt al haar energie nodig te hebben voor [het kind] zelf en is bang dat zij haar eigen hoofd niet boven water kan houden. Met inzet van hulpverlening wil de moeder onderzoeken hoe het verder moet met [het kind] .
Wat betreft de informatieregeling wil de moeder dat het verzoek van de vader wordt afgewezen. [het kind] is twaalf jaar en heeft grote bezwaren tegen het verstrekken van informatie aan de vader. Zij is bang dat de vader haar zal komen opzoeken. Verder moet voorkomen worden dat [het kind] zich tegen haar moeder keert als de moeder toch wordt gedwongen om informatie te verstrekken.
3.3.
De vader maakt zich grote zorgen over de situatie rond [het kind] en hun onderlinge band. Het contact met de vader is verbroken na twee incidenten. Hoewel [het kind] aanvankelijk wilde dat de vader zijn excuses aanbood om het weer goed te maken, is haar negatieve houding tegen de vader nu zo sterk gegroeid dat [het kind] haar vader weg wil hebben. Volgens de vader is [het kind] ruimschoots gehoord door zowel de rechtbank als de Raad, maar voelt zij dit niet zo omdat haar zienswijze niet geaccepteerd wordt. De moeder is ondertussen vooral bezig geweest met het tegenhouden van rapporten en het bestrijden van onderzoeken. Er is sprake van dat [het kind] de angstbeelden en negatieve opvattingen van haar moeder overneemt, terwijl er geen veiligheidsproblemen bij de vader zijn vastgesteld. De vader benadrukt dat de moeder de sleutel is om deze situatie te doorbreken, maar zij weigert samen te werken of gesprekken aan te gaan. Dit leidt tot een zorgelijk patroon dat [het kind] uiteindelijk zal schaden. De vader roept de moeder op haar verantwoordelijkheid te nemen, met de vader in gesprek te gaan en het gezag te handhaven, omdat de ouders een voorbeeldfunctie hebben om conflicten uit te praten.

4.De verdere beoordeling

Gezag
4.1.
Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, als de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van een eerdere beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. In dat geval bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt. Artikel 1:251a lid 1 en 3 BW zijn van overeenkomstige toepassing.
4.2.
Gebleken is dat de verstandhouding tussen de ouders ernstig is verstoord en dat er al lange tijd geen contact meer is tussen de vader en [het kind] . De rechtbank is van oordeel dat dit relevante wijzigingen van omstandigheden zijn. De moeder is daarom ontvankelijk in haar verzoek om eenhoofdig gezag.
4.3.
De rechter kan het verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:251a BW toewijzen als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt, of als wijziging van het gezag om andere redenen in het belang van het kind noodzakelijk is.
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat hier sprake is van een zeer zorgelijke, maar ook complexe situatie. Duidelijk is dat de verstandhouding tussen de ouders al jarenlang erg slecht is. De ouders communiceren niet of nauwelijks met elkaar. Op basis van vaste jurisprudentie is een slechte communicatie alleen niet genoeg om het gezamenlijk gezag te beëindigen. In dit geval heeft de moeder ook voorbeelden aangedragen waaruit blijkt dat het ontbreken van een goede verstandhouding/communicatie heeft geleid tot situaties die niet in het belang waren van [het kind] . Zo was er langere tijd onduidelijkheid over de school van [het kind] en heeft zij (onnodig) lang moeten wachten op een nieuw identiteitsbewijs. Hoewel dit geen recente voorbeelden zijn, is de rechtbank van oordeel dat er wel sprake is van een onaanvaardbaar risico dat [het kind] (verder) klem of verloren raakt tussen haar ouders. Ook is de rechtbank van oordeel dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt. De voornaamste reden hiervoor is dat de moeder niet bereid is om hulpverlening aan te gaan, gericht op het verbeteren van de verstandhouding met de vader, zolang zij in één ruimte met de vader moet zitten. De moeder heeft wel aangegeven open te staan voor een parallel solo ouderschapstraject, maar uit het raadsrapport blijkt dat het Centrum voor Jeugd en Gezin dit traject niet vindt aansluiten bij de problematiek. Op deze manier blijft de problematiek in stand. Daarnaast heeft de Raad het eigen onderzoek niet uitgebreid naar een kinderbeschermingsonderzoek, omdat dit mogelijk de boosheid van [het kind] naar haar vader verder versterkt. Ook ziet de Raad geen meerwaarde van een jeugdbeschermer, nu het advies is dat er op dit moment geen contactherstel plaats kan vinden tussen de vader en [het kind] . Er zal dus ook geen gedwongen kader komen waarbinnen gewerkt kan worden aan de problematiek.
4.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan het “klem of verloren” criterium om het gezamenlijk te beëindigen. Dit betekent echter niet dat het gezag van de vader ook daadwerkelijk beëindigd moet worden, zeker nu het de moeder is die om haar moverende redenen niet bereid is aan de problematiek tussen de ouders te werken en op die manier de situatie in stand houdt. De rechtbank is met de Raad eens dat beëindiging van het gezag van de vader hier kan leiden tot het feitelijk verdwijnen van de vader uit het leven van [het kind] . De rechter heeft de ruimte om, uitgaande van de situatie op het moment van zijn beslissing, in te schatten welke van de twee kwaden het belang van het kind vermoedelijk het minst zal schaden [1] .
4.6.
De rechtbank zal het gezag van de vader over [het kind] , ondanks dat beëindiging hier kan leiden tot het feitelijk verdwijnen van de vader uit het leven van [het kind] , beëindigen. [het kind] is in gesprekken met hulpverlening, de Raad en de kinderrechter extreem negatief over haar vader en laat een uitzonderlijk forse weerstand zien tegen haar vader als persoon. In het gesprek met de kinderrechter heeft [het kind] onder meer aangegeven dat zij haar leven op dit moment een twee geeft en dat dit beter wordt als haar vader dood is. [het kind] had tijdens het kindgesprek ook een zeer sterke drang om (mede aan de hand van een map vol bescheiden) aan te tonen dat haar vader een slechte vader is. [het kind] heeft recent ook aangifte gedaan tegen haar vader vanwege mishandeling, nadat zij hoorde dat de Raad adviseerde om het gezag van de vader te handhaven. Tussen de ouders staat ter discussie in hoeverre het beeld wat [het kind] van haar vader heeft de afgelopen jaren is gevoed door de moeder of gebaseerd is op eigen ervaringen van [het kind] . In ieder geval staat vast dat er wel dingen zijn gebeurd die [het kind] pijn hebben gedaan en die haar erg dwars zitten. De vader ontkent dit ook niet. Nog los van de vraag of de moeder – bewust of onbewust – het beeld van [het kind] van haar vader op een negatieve manier heeft beïnvloed, is dit beeld er wel. [het kind] heeft een zeer sterke wens om haar vader volledig uit haar leven te bannen en dit lijkt haar leven al langere tijd op een negatieve manier te beïnvloeden/beheersen. De rechtbank vermoedt dat het handhaven van gezamenlijk gezag zal bijdragen aan het in stand houden van dit laatste. In zoverre is beëindiging van het gezag van de vader ook om andere redenen in het belang van [het kind] noodzakelijk. Daarbij spreekt de rechtbank de hoop uit dat het beëindigen van het gezamenlijke gezag tot rust zal leiden bij [het kind] , waardoor zij ook beter in staat is om te profiteren van de ingezette hulpverlening. [het kind] heeft rust en ruimte nodig om (op termijn) een positiever beeld te ontwikkelen van haar vader, maar het gezag van haar vader staat hier nu (indirect) aan in de weg.
Omgangsregeling
4.7.
Op grond van artikel 1:377a Burgerlijk Wetboek heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. De rechter stelt op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.
4.8.
De rechtbank stelt vast dat beide ouders achter het advies van de Raad staan, in die zin dat de vader zich bij het advies heeft neergelegd om geen omgangsregeling vast te stellen. De rechtbank heeft hiervoor al het een en ander overwogen over de forse weerstand die [het kind] laat zien tegen niet alleen omgang met haar vader, maar ook tegen haar vader als persoon. Het vastleggen van een omgangsregeling zal naar alle waarschijnlijkheid averechts werken. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vader af.
Informatieregeling
4.9.
Op grond van artikel 1:377b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kan op verzoek van een ouder een informatie- en consultatieregeling worden vastgesteld. Het tweede lid bepaalt dat van het eerste lid kan worden afgeweken als het belang van het kind dat vereist.
4.10.
De rechtbank overweegt dat de moeder wettelijk verplicht is om de vader te informeren over [het kind] , ook als er geen omgang plaatsvindt. In het belang van [het kind] kan van dit uitgangspunt worden afgeweken, maar de rechtbank ziet hiervoor onvoldoende aanleiding. In dit kader overweegt de rechtbank dat de vader ondanks zijn positie als niet-gezaghebbende ouder wel de vader van [het kind] is en blijft. Dat de moeder vreest voor haar eigen band met [het kind] , omdat zij bij het verstrekken van informatie als het ware tussen de vader en [het kind] in komt te staan, maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank gaat er daarnaast van uit dat de vader [het kind] niet zal komen opzoeken op basis van de informatie die de vader over [het kind] krijgt. Ook benadrukt de rechtbank dat [het kind] haar moeder er niet op aan moet kijken als de moeder ondanks de bezwaren van [het kind] de vader informeert. Zoals hiervoor aangegeven is de moeder dit wettelijk verplicht en is het de rechtbank die een informatieregeling vaststelt.
De rechtbank zal de frequentie bepalen op eens per kwartaal. De rechtbank vindt gelet op alle omstandigheden, waarbij er geen omgang is en hier ook niet op (korte) termijn naartoe gewerkt zal worden, een informatieregeling van eens per maand (zoals door de vader verzocht) niet passend.
Brief aan [het kind]
4.11.
De rechtbank zal in het volgende deel van de beschikking de beslissingen op een
begrijpelijke manier proberen uit te leggen aan [het kind] . [het kind] zal deze uitleg ook in briefvorm
krijgen.
Beste [het kind] ,
Op 24 november 2025 hebben wij elkaar op de rechtbank gesproken. Woensdag 17 december 2025 heb ik met je ouders en hun advocaten gesproken. Ook de Raad voor de Kinderbescherming was daarbij aanwezig. Ik wil je in deze brief graag laten weten wat ik heb besloten.
Jij hebt vorig jaar in het gesprek met mijn collega, en nu weer, heel duidelijk aangegeven dat jij geen contact wil met je vader, dat je wil dat hij niet langer het gezag over jou draagt en dat er geen informatieregeling komt.
Zoals je weet, heeft de Raad onderzoek gedaan in het afgelopen jaar. Ik heb begrepen dat je op de hoogte bent van de adviezen die hieruit naar voren zijn gekomen.
Wat het gezag betreft heb ik besloten om het gezag van je vader te beëindigen, ondanks het advies van de Raad om het gezag in stand te laten. Ik heb gehoord en gezien dat jij heel veel boosheid hebt richting je vader. Ik weet niet precies hoeveel van je gevoel door je eigen ervaringen komt, maar wat wel duidelijk is: jouw gevoel is echt en het maakt je leven nu heel zwaar. Daarom heb ik besloten dat het voor jou beter is dat je vader geen gezag meer heeft. Ik hoop dat dit jou rust geeft en dat je zo beter kunt werken aan je eigen gevoelens en ontwikkeling en kunt profiteren van de hulp die je krijgt. Misschien kan er later, als jij daar klaar voor bent en je je beter voelt, weer anders naar je vader gekeken worden. Maar nu is rust het belangrijkste.
Over het contact met je vader kan ik kort zijn. De Raad vindt dat er nu geen mogelijkheden zijn voor contactherstel en jouw vader heeft tegen mij gezegd dat hij zich neerlegt bij dit advies. Dit betekent niet dat hij jou niet meer wil zien, want dat wil hij juist heel graag. Vanwege de boosheid die jij ervaart richting je vader lijkt mij dit echter nu geen goed idee.
Ik heb wel besloten een informatieregeling vast te leggen. Dit is niet wat jij wil. Ik heb goed naar je geluisterd, maar dat betekent niet dat ik ook beslis zoals jij dat graag wil. Jouw moeder is wettelijk verplicht om je vader te vertellen hoe het met jou gaat. Dat moet, ook al hebben jij en je vader geen contact op dit moment. Ik vind het ook belangrijk dat je vader blijft horen hoe het met jou gaat, omdat hij altijd jouw vader zal blijven. Wel heb ik besloten dat jouw moeder dat minder vaak hoeft te doen dan is verzocht. In plaats van één keer per maand, moet je moeder één keer per drie maanden informatie geven aan jouw vader. Als jouw moeder dit doet, moet je niet boos op haar te zijn. Zij moet dit doen omdat het zo in de wet staat en omdat ik dat heb beslist.
De procedure bij de rechtbank is nu geëindigd. Ik hoop dat mijn beslissing je rust brengt en dat er op termijn ruimte ontstaat voor contact met je vader. Ik wens jou alle goeds.
Met vriendelijke groet,
de kinderrechter

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
beëindigt het gezamenlijk gezag van de ouders en bepaalt dat het gezag over:
-
[naam kind], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;
wordt uitgeoefend door de moeder;
5.2.
stelt vast als informatieregeling met betrekking tot [het kind] dat de moeder de vader
eenmaal per kwartaal schriftelijk bericht over het welzijn en de algemene ontwikkeling van [het kind] en eventuele belangrijke wijzigingen of gebeurtenissen in [het kind] haar leven, waarbij de moeder de vader onmiddellijk informeert als daar (bijvoorbeeld op medisch gebied) noodzaak toe is;
5.3.
verklaart de onder 5.1 en 5.2 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.P. Mesman, rechter, in tegenwoordigheid van
S.C. Dijksterhuis als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Voetnoten

1.Vgl. HR Hoge Raad 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:533 gericht op art. 1:253c lid 1 BW. Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 15 februari 2024. ECLI:NL:GHARL:2024:1114.