ECLI:NL:RBGEL:2026:1259

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
05/151628-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Maximale taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf voor medeplegen handel in harddrugs met ruim 10 kg amfetamine

De rechtbank Gelderland heeft op 20 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die samen met haar partner handelde in harddrugs vanuit hun woning in Huissen. Er werd een aanzienlijke voorraad van ruim 10 kilogram amfetamine aangetroffen in de schuur bij de woning. Verdachte werd beschuldigd van medeplegen van het aanwezig hebben van deze drugs en van de handel daarin in de periode van september 2023 tot november 2024.

De verdediging voerde onder meer aan dat het onderzoek aan de telefoon van verdachte onrechtmatig was verricht zonder voorafgaande rechterlijke toestemming, waardoor bewijsuitsluiting zou moeten volgen. De rechtbank oordeelde echter dat er weliswaar sprake was van een vormverzuim, maar dat dit geen rechtsgevolg had omdat destijds de jurisprudentie hierover nog niet duidelijk was en het onderzoek gericht was op de partner van verdachte. Hierdoor kon het bewijs uit het telefoononderzoek worden gebruikt.

Op basis van onder meer WhatsApp-berichten, getuigenverklaringen en het aangetroffen materiaal concludeerde de rechtbank dat verdachte wist van de drugsvoorraad en zelf ook handelde in verschillende soorten harddrugs, waaronder amfetamine, 3MMC, 4MMC, MDMA en XTC. De rechtbank kwalificeerde dit als medeplegen van verboden handelen in strijd met de Opiumwet.

Gezien de ernst van de feiten, de rol van verdachte, en haar persoonlijke omstandigheden, waaronder de zorg voor vier kinderen en ontwrichting van het gezin, legde de rechtbank een maximale taakstraf van 240 uren op en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met een proeftijd van drie jaar. De rechtbank vond een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet verantwoord vanwege het belang van de kinderen en de persoonlijke situatie van verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een maximale taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden wegens medeplegen van handel in harddrugs en het aanwezig hebben van ruim 10 kg amfetamine.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/151628-25
Datum uitspraak : 20 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven aan [adres] .
Raadsvrouw: mr. M. Neijenhuis, advocaat in Laren.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
6 februari 2026.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
zij op of omstreeks 12 november 2024 te Huissen, tezamen en in vereniging met een of meer ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (in een woning gelegen aan [adres] ) aanwezig heeft gehad ongeveer 10.416,81 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 september 2023 tot en met 11 november 2024 te Huissen en/of Wolfheze, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (in een woning gelegen aan [adres] en/of te [bedrijf] te Wolfheze) heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad
- een hoeveelheid amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of
- een hoeveelheid MDMA en/of XTC, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of
- een hoeveelheid 3MMC, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 3MMC en/of
- een hoeveelheid 4MMC, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4MMC, zijnde amfetamine en/of MDMA en/of 3MMC en/of 4MMC een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.Het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting

Het verweer van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat het onderzoeken van de telefoon van [verdachte] zonder voorafgaande rechterlijke toetsing in strijd was met de zogenaamde Landeck-jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie en (daaropvolgend) de Hoge Raad. Daarnaast was de wijze waarop de pincode van de telefoon is verkregen onrechtmatig. [verdachte] had – hoewel zij formeel nog geen verdachte was – de cautie moeten krijgen en zij had geïnformeerd moeten worden over haar recht op consultatie- en verhoorbijstand, nu de opsporing zich materieel gezien al op haar richtte na het aantreffen van verdovende middelen in haar schuur. Hiermee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim, zodat de onderzoeksresultaten die zijn verkregen als gevolg van het onrechtmatige onderzoek aan de telefoon van [verdachte] moet worden uitgesloten van het bewijs. Dit leidt vervolgens tot de conclusie dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs resteert voor een bewezenverklaring van feit 1, zodat [verdachte] daarvan moet worden vrijgesproken.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs, nu [verdachte] op het moment van het eerste globale onderzoek aan haar telefoon, waarvoor zij toestemming gaf, nog geen verdachte was. Dit onderzoek aan haar telefoon vond op dat moment plaats in een onderzoek (Moldau) waarbij (uitsluitend) de verdenking zag op haar partner. Ten aanzien van het vervolgonderzoek aan haar telefoon, nadat deze inbeslaggenomen was, geeft de officier aan dat dit onderzoek plaatsvond vóór het Landeck-arrest, waardoor er nog geen rechterlijke toetsing vereist was en kon worden volstaan met de door de officier gegeven toestemming.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat er weliswaar sprake is geweest van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), maar dat hier geen rechtsgevolg aan moet worden verbonden. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Ingevolge de recente Landeck-jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie [1] en de daarop voortbouwende jurisprudentie van de Hoge Raad [2] is voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris vereist voor onderzoek aan een smartphone, als te verwachten is dat dit onderzoek een meer dan geringe inbreuk zal opleveren op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker. Van zo’n inbreuk is volgens de Hoge Raad al sprake, wanneer door het onderzoek inzicht wordt verkregen in de communicatie die door middel van de smartphone is uitgewisseld. Deze regels vloeien rechtstreeks voort uit de betreffende EU-regelgeving en worden dus geacht ook te hebben gegolden ten tijde van het onderhavige onderzoek.
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de woning van [verdachte] op 12 november 2024 onder leiding van de rechter-commissaris is doorzocht. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] volgt dat de telefoon van verdachte tijdens de doorzoeking met toestemming van de officier van justitie werd onderzocht. [verdachte] gaf daarvoor de toegangscode. In de telefoon werd kort gezocht naar WhatsAppgesprekken tussen [verdachte] en haar partner, [medeverdachte] , die op dat moment verdachte was in het onderzoek Moldau. De telefoon werd blijkens het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] diezelfde dag in beslag genomen en voor onderzoek aangeboden bij het team Digitale expertise bij de politie. Op 22 november 2024 heeft verbalisant de data van de telefoon geanalyseerd.
Nu het hoofddoel van het onderzoek aan de (privé-)telefoon was om een meer dan oppervlakkig inzicht te krijgen in de communicatie die daarmee was uitgewisseld, had het openbaar ministerie voorafgaand aan het onderzoek toestemming moeten vragen aan de rechter-commissaris. Uit het voorgaande volgt dat dit niet is gebeurd. Hiermee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. De rechtbank zal aan dit vormverzuim echter geen rechtsgevolg verbinden op grond van het volgende.
De telefoon van verdachte is onderzocht in november 2024. Onder de destijds geldende jurisprudentie van de Hoge Raad was het niet zonder meer duidelijk dat voor een dergelijk onderzoek in Nederland toestemming van een rechter-commissaris nodig was. Er kan dus niet gezegd worden dat het openbaar ministerie destijds willens en wetens een rechtsnorm heeft geschonden door de telefoon zonder deze toestemming te onderzoeken. Dit relativeert de ernst van het vormverzuim en maakt dat sanctionering om het openbaar ministerie ervan te weerhouden dergelijke vormverzuimen in de toekomst te blijven plegen om die reden niet nodig is. Daarnaast gaat de rechtbank er, gelet op de aard en ernst van de verdenking (de productie van en handel in harddrugs) ten aanzien van de partner van verdachte, van uit dat de rechter-commissaris, indien daartoe verzocht, toestemming zou hebben gegeven zonder nadere beperkingen om de privé-telefoon van verdachte te onderzoeken.
Bovenstaande leidt ertoe dat de onderzoeksresultaten van de analyse van de telefoon van [verdachte] kunnen worden gebruikt voor het bewijs. De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar verweer dat aan [verdachte] op dát moment reeds de cautie gegeven had moeten worden en dat zij gewezen had moeten worden op haar rechten als verdachte. Uit het voorgaande blijkt dat de doorzoeking en het onderzoek aan de telefoon waren gericht op [medeverdachte] . [verdachte] was op dat moment (nog) geen verdachte. De drugs in de schuur werd pas gevonden nadat [verdachte] haar telefoon al had afgegeven. Bovendien ging het in dit geval om het op vordering van de politie afgeven van een telefoon ter inbeslagname en niet om een verhoor.
3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [3]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 12 november 2024 werd de woning van [verdachte] (hierna: verdachte) aan [adres] doorzocht. [4] [verdachte] woonde daar samen met haar partner [medeverdachte] . [5] Bij deze doorzoeking werden (onder meer) de volgende goederen aangetroffen:
In de schuur bij het perceel werd een vriezer aangetroffen. In de bovenste la van de vriezer lagen drie zwarte plastic bakjes met hierin een op amfetaminepasta gelijkende stof. [6] Het ging in totaal om 2.540 gram (brutogewicht) van deze pasta. [7] De pasta werd getest en bevatte amfetamine. [8]
In de vriezer werd ook een bak aangetroffen met daarin een pasta-achtige substantie met een lichtroze/lichtoranje kleur. [9] Het ging in totaal om 3.880 gram (brutogewicht) van deze substantie. [10] De substantie werd getest en bevatte amfetamine. [11]
In de schuur werd verder een groene jerrycan met vloeistof aangetroffen. [12] In totaal ging het om 3.540 gram (brutogewicht) van deze vloeistof. [13] De vloeistof werd getest en bevatte amfetamine. [14]
Ook werd een zwarte bak aangetroffen met transparant deksel met daarin 456,81 gram (brutogewicht) roodgekleurde transparante vloeistof. [15] De vloeistof werd getest en bevatte amfetamine. [16]
Naast deze goederen, werden in de schuur in de kast naast de vriezer lege zwarte bakken aangetroffen, die waren besmeurd met restanten van ingedroogde amfetaminepasta, een met amfetamine besmeurde pollepel en een weegschaal besmeurd met een op amfetamine gelijkende stof. Verder werd een jerrycan met het opschrift methanol aangetroffen. De verbalisant beschrijft dat bekend is dat methanol gebruikt wordt voor de bewerking/vervaardiging van amfetamine. Ook werd in een doos een emmer aangetroffen met daarin vijf kilogram cafeïnepoeder. Cafeïne is een bekend versnijdingsmiddel voor onder andere amfetamine. In een blauwe zak werden de al beschreven zwarte plastic bakken (schoon) en een aantal zeven aangetroffen. [17]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 1, nu verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de schuur en hier (dus) geen feitelijke beschikkingsmacht over had. De berichten die in de telefoon van verdachte zijn aangetroffen met betrekking tot een vriezer zien op andere situaties en eerdere vondsten. Ten aanzien van feit 2 is geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank zal feit 1 en feit 2 hierna gezamenlijk beoordelen, gelet op de onderlinge samenhang in het feitencomplex.
WhatsApp-gesprekken
De politie heeft de telefoon van verdachte onderzocht en trof daarin de volgende berichten aan:
Op 20 februari 2024stuurde [verdachte] aan [naam] ( [telefoonnummer] @s.whatsapp.net):
14:08:57 uur :
Oke het ligt op de eettafel. 15 doosjes rita en 2 x concerta 15 ps en 35 ps. En ik kreeg nog geld van hem
De verbalisant merkt op dat Rita een afkorting is voor Ritalin en dat concerta methylfenidaat betreft. In beide producten zit de werkzame stof Methylfenidaat, die nauw verwant is met amfetamine.
Op 16 maart 2024stuurt [verdachte] aan [naam] :
15:13:22 uur :
Daarnaast wil ik vandaag nog alle shit en toebehoren mijn huis uit!!
15:13:50 uur :
Ook uit de schuur
Op 17 september 2024:
[naam] :
Hebben wij helemaal geen jelle meer
[verdachte] :
Boven in de bovenste laag nog heel weinig en in jouw gele bakje denk ik
[naam] :
Die was al leeg of heb jij daar dat andere in gedaan
De verbalisant merkt op dat ‘jelle’ wijst op ‘Snelle’ (Jelle), de straatnaam voor amfetamine ingevolge ‘Pillekes Proat 2021’. Dit betreft het ABC van het drugsjargon zoals opgemaakt door het cluster synthetische drugs van de Landelijke Eenheid bij de politie.
Op 10 oktober 2024stuurde [verdachte] aan [naam] :
[verdachte] :
Ik heb iemand die voor zaterdag wat 4 wil hebben ivm een feestje. Hebben we dan eventueel weer voorraad?
[verdachte] :
Dat feest begint al in d emiddag dus hij wil het zaterdag op tijd ophalen [18]
Op 18 februari 2023(met [naam] [telefoonnummer] @s.whatsapp.net):
[verdachte] :
Ga je neukertje [naam] maar slaan leg daar maar de vriezer vol
(…)
[naam] :
Jij bent echt een voorbeeld met wat er mis is met de hele mensheid een tumor voor de wereld en ook niet willen veranderen jij bent ziek [verdachte] en ik kan er niet meer mee omgaan dus hou op en laat me met rust
(…)
[verdachte] :
Schooier
[verdachte] :
Kilo’s in de vriezer
[verdachte] :
Maar vanavond niet meer geloof me maar [19]
De Oppo telefoon van [medeverdachte] is onderzocht. Uit dit onderzoek volgt dat [medeverdachte] het WhatsAppnummer [telefoonnummer] met de accountnaam [naam] voerde en het WhatsAppnummer [telefoonnummer] met de accountnaam [naam] . [20] De rechtbank stelt vast dat de hiervoor beschreven gesprekken plaatsvonden tussen verdachte en [medeverdachte] .
Verder werden in de telefoon van verdachte de volgende gesprekken aangetroffen:
Op 20 september 2023:
[naam] :
Heb jij toevallig nog 10 poes (emoji) en 2 poes (emoji)
[naam] :
??
[verdachte] :
Ja hoor
[verdachte] :
Sorry was mijn telefoon vergeten
[naam] :
Wanneer
[naam] :
Vrijdag dag ?
[verdachte] :
Ja is goed
[naam] :
Prima (gebalde vuist emoji)
Op 22 september 2023 stuurt verdachte een tikkie voor € 120,00 naar [naam] . De verbalisant merkt op dat [naam] vraagt om 10 poes en 2 poes. Dit duidt op 3MMC en mogelijk 4MMC (mefedron, miauw miauw, ‘Pillekes Proat’). [21]
Op 9 december 2023:
[naam] :
Heb je voor mij nog wat in de vriezer (…)
[verdachte] :
Ja denk het wel zal wat meenemen
[naam] :
Toppie. Tot straks [22]
Op 23 juni 2024:
[naam] :
Heyy [verdachte] , weetje of jullie misschien nog wat 3m hebben liggen?
[verdachte] :
Nee niks meer
[naam] :
Jammer…
[verdachte] :
Misschien nog een klein beetje jelle maar die moet ik eerst door de zeef halen
[naam] :
Zou je dat willen doen.. ? (…)
[verdachte] :
Ik zal even kijken oke
[naam] :
Oke!
Tussen 30 oktober en 2 november 2024:
[naam] werk :
Kun jj wat van die 4 shit regelen, dan heb ik wat op de teamdag om het wat meer draaglijk te maken (onbekende emoji)
[verdachte] : :
Ja morgen en vrijdag (…)
[naam] werk :
Wat is jelle?
[verdachte] :
Daar kom ik zo op terug
[naam] werk :
[verdachte] , die jelle was wel ok. Je zei datje nog meer daarvan had toch? Kan ik wat afnemen en wat moet dat kosten?
[verdachte] :
Hoeveel wil je
[verdachte] :
5 voor 20
[naam] Werk :
Doe maar
(…)
[verdachte] :
Nee altijd voor jou
[verdachte] :
Kom je halen
(…)
[naam] werk :
Ja kom wel f maar dan moet je ff bij de deur afgeven want dan neem ik kinderen of alleen Sam mee
[naam] werk :
En in de vriezen bewaren dan he
(…)
[naam] werk :
Doe maar 5 voor 20 dan
[verdachte] :
Ja in de vriezer is het beste
[verdachte] :
Oke
[naam] werk :
Top. Kom ik vanmiddag ff
De verbalisant merkt op dat 4 kan duiden op 4MMC en 4MMC is de chemische afkorting
voor mefedron, wat op straat ook wel miauw miauw wordt genoemd.
Op 10 november 2024:
[naam] werk :
[verdachte] , hoe is het met de blaasontsteking? En iets heel anders; heb je nog wat snelle Jelle liggen?
[verdachte] :
Ja heb ik. Blaasontsteking is weg
[naam] werk :
Kan ik wat komen halen straks?
[verdachte] :
Ja is goed
[naam] werk :
O, en moetje nu geld hebben of kan het wachten tot eind van de maand (onbekende emoji)
[verdachte] :
Ben best blut dus als je wat hebt zou het fijn zijn
[naam] werk :
Ok, dan komt het goed
[naam] werk :
Kan ik ook voor 10 euro afnemen ipv 10
[naam] werk :
Vraagt [naam]
[verdachte] :
Ja kan maar mag ook 10 nu betalen en 10 andere x ofzo
De verbalisant merkt op dat ‘snelle jelle’ de straatnaam voor amfetamine is, zo blijkt uit ‘Pillekes Proat 2021’. [23]
Uit de telefoon van verdachte kwamen meerdere mogelijke afnemers naar voren. Een aantal van hen is getraceerd en vervolgens gehoord.
Getuigen
Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij elkaar (
de rechtbank begrijpt dat getuige hiermee hemzelf, verdachte en [medeverdachte] bedoelt)kennen uit de buurt. Hij heeft verklaard dat hij even geleden kristallen MDMA heeft gekocht. Dat is ongeveer tien keer gebeurd. Het begon met contact via [medeverdachte] , maar later kocht getuige ook bij [verdachte] . Hij vroeg dan aan haar of ze nog wat had en dan ging ze kijken en haalde dat voor hem. Hij kocht Hasj en M bij haar. Met M bedoelt hij 3MMC. Dat kostte ongeveer € 20,00. Hij betaalde meestal contant en misschien één of twee keer met een tikkie. [24]
Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij een tijdje terug hoorde dat zijn collega [verdachte] handelde in verdovende middelen. Hij heeft gevraagd of ze ook miauw had of 4 FMP. Hij zei dat hij miauw wilde hebben en dan regelde ze dat. Hij bestelde ongeveer één keer in de twee maanden bij haar en hij kocht dan vijf gram miauw. Daar betaalde hij € 50,00 voor. Dit heeft ongeveer twee jaar geduurd. [verdachte] leverde dit in een gripzakje. Dit haalde hij op bij haar thuis in [plaats] . Hij betaalde per bank of contant. [25]
Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij weleens harddrugs heeft gekocht. Zij bestelde Xtc-pillen of miauw bij [verdachte] . Dit is hooguit twee keer gebeurd. Zij bestelde mondeling op het werk of via een appje. Voor een Xtc-pil betaalde zij € 4,00 à € 5,00 en voor miauw € 20,00 tot € 30,00 per gram. Ze stuurde [verdachte] dan een tikkie. Zij heeft in de periode 2023-2024 bij [verdachte] besteld. [26] [getuige] was werkzaam bij [bedrijf] in Wolfheze. [27]
Verbalisanten hebben contact opgenomen met [naam] , werkzaam bij [bedrijf] . Zij vertelde dat in een gesprek met [verdachte] ter sprake kwam dat haar vrienden drugs gebruikten. [verdachte] gaf aan dat zij wel wat kon regelen. [verdachte] had toen een paar gram miauw voor haar geregeld. [naam] had dit betaald via een tikkie. [verdachte] had de drugs in haar postvakje gelegd. [28]
De verklaring van verdachte
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij dagelijks in de schuur kwam. Behalve de vriezer in de schuur en de vriezer in haar woning, was er geen andere vriezer. Zij zegt dat zij niet wist dat er drugs in de vriezer in de schuur lag. Verder heeft zij verklaard dat zij weleens 3MMC en 4MMC heeft meegenomen voor collega’s en vrienden. 4MMC is miauw. Er zijn postvakjes op haar werk, dus het kan dat zij drugs in het postvakje van Ilse heeft gelegd. [29]
Ten aanzien van feit 1
Op grond van ‘De feiten’ concludeert de rechtbank dat in de woning en in de schuur van verdachte conform het tenlastegelegde onder feit 1 ongeveer 10.416,81 gram van een materiaal bevattende amfetamine is aangetroffen.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook op de hoogte was van de aanwezigheid van deze voorraad in de schuur. Zij overweegt daarover het volgende.
Verdachte kwam dagelijks in de schuur waar de vriezer met daarin de voorraad amfetamine stond. In die schuur lagen ook andere goederen die te relateren waren aan de productie en het verkoop-klaar maken van amfetamine, zoals cafeïnepoeder, methanol, meerdere zeven en een weegschaal met daarbij bakjes en een lepel. Uit de gesprekken met [medeverdachte] (‘ [naam] ’ en ‘ [naam] ’) valt af te leiden dat verdachte wist dat haar partner zich bezighield met de productie van en handel in verdovende middelen, hetgeen zij ook ter zitting heeft erkend. Daarnaast valt uit de verschillende verklaringen en uit de appgesprekken af te leiden dat verdachte zelf ook handelde in harddrugs, waaronder amfetamine. De afnemers konden de drugs bij haar thuis komen ophalen en verdachte kreeg daarvoor contant of via een tikkie betaald. In de appgesprekken wordt verder op meerdere momenten verwezen naar een vriezer. De rechtbank wil aannemen dat de berichten met [medeverdachte] over de vriezer in 2023 zagen op een eerdere/oudere vriezer en dat de door de politie aangetroffen vriezer pas vanaf de zomer 2024 in de schuur stond. Dat verdachte dacht dat de nieuwe vriezer leeg was, acht de rechtbank gelet op al het voorgaande echter ongeloofwaardig. Van belang bij die conclusie is dat verdachte op meerdere momenten antwoord kon geven op vragen of zij nog drugs voorhanden had. Zo kon zij in september 2024 antwoord geven op de vraag van [medeverdachte] of zij helemaal geen ‘jelle’ (amfetamine) meer hadden. In het gesprek van oktober 2024 wordt met [medeverdachte] eveneens gesproken over de voorraad. Bovendien is te zien dat verdachte nog tot en met 10 november 2024 contact heeft met [naam] over het afnemen van ‘snelle jelle’ (amfetamine) en dat die het beste in de vriezer bewaard kan worden.
Al deze omstandigheden tezamen leiden tot de conclusie van de rechtbank dat verdachte wist dat zich in de schuur, in de vriezer, een voorraad van een materiaal bevattende amfetamine bevond. Verdachte heeft daarmee opzettelijk 10.416,81 gram van dit materiaal aanwezig gehad.
Ten aanzien van feit 2
De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte drugs verhandelde vanuit haar woning in Huissen. Uit de berichten en getuigenverklaringen komt naar voren dat zij amfetamine, 3MMC, 4MMC, MDMA en Xtc verkocht. Uit de gesprekken met [naam] en [naam] leidt de rechtbank af dat verdachte zich in ieder geval in de periode van 20 september 2023 tot en met 10 november 2024 hiermee bezighield. Ook is gebleken dat zij drugs afleverde op haar werk in Wolfheze, namelijk in het postvakje van collega [naam] .
Conclusie
Op grond van al het voorgaande, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde onder feit 1 en feit 2. Verdachte heeft hierbij bewust en nauw samengewerkt met [medeverdachte] , gelet op de onderlinge afstemming die zij hadden met betrekking tot de voorraad drugs, onder meer via de chat en gelet op de verklaringen van de getuigen waaruit blijkt dat zij samen met [medeverdachte] handelde in drugs. Hierdoor was in beide gevallen sprake van medeplegen.

4.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
zij op
of omstreeks12 november 2024 te Huissen, tezamen en in vereniging met een
of meerander
of anderen, althans alleen, opzettelijk (in een woning gelegen aan [adres] ) aanwezig heeft gehad ongeveer 10.416,81 gram
, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
zij op
een ofmeer tijdstip(pen) in
of omstreeksde periode van 20 september 2023 tot en met 11 november 2024 te Huissen en
/ofWolfheze,
althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een
of meerander
of anderen, althans alleen,(telkens) opzettelijk
(in een woning gelegen aan [adres] en
/ofte [bedrijf] te Wolfheze) heeft verkocht en
/ofafgeleverd en
/ofverstrekt en
/ofvervoerd
, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad
- een hoeveelheid amfetamine,
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of
- een hoeveelheid MDMA en
/ofXTC
, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMAen
/of
- een hoeveelheid 3MMC
, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 3MMCen/
of
- een hoeveelheid 4MMC,
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4MMC,zijnde amfetamine en
/ofMDMA en
/of3MMC en
/of4MMC een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst I
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.

6.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

7.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening te houden met de rol van verdachte bij de verweten feiten, de ingrijpende persoonlijke omstandigheden die speelden in de periode waarin deze plaatsvonden en de gevolgen die deze strafzaak met zich hebben gebracht voor het leven van verdachte en dat van haar kinderen. Onder verwijzing naar het advies van de reclassering wordt verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen. Een passende afdoening is gelegen in de oplegging van een taakstraf van substantiële omvang, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft samen met haar (inmiddels ex-) partner gedurende een periode van ruim twee jaar gehandeld in verschillende soorten harddrugs vanuit hun woning waar ook haar minderjarige kinderen woonden. Ook heeft verdachte op haar werkplek, nota bene in de verslavingszorg, gehandeld, door drugs te verkopen en af te leveren aan haar collega’s. In de schuur bij de woning hadden verdachte en haar (ex-) partner een aanzienlijke voorraad van ruim 10 kilogram amfetamine voorhanden. Door deze gedragingen heeft verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het drugscircuit en de vele daarmee gepaard gaande vormen van criminaliteit, terwijl algemeen bekend is dat harddrugs zeer schadelijk zijn voor de gezondheid. Verdachte was door haar werk in een kliniek van [bedrijf] in het bijzonder bekend met verslavingsproblematiek. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank het extra kwalijk dat verdachte drugs verkocht aan haar collega’s en deze ook afleverde op het terrein van de kliniek, in een postvak van een collega.
De reclassering beschrijft in het rapport van 20 oktober 2025 dat verdachte door toedoen van deze strafzaak haar huurwoning en haar baan is verloren. Zij verblijft op dit moment op een recreatiepark. Er is sprake van duurzame gezinsproblematiek als gevolg van een eerdere scheiding van de biologische vader van haar kinderen. Daarnaast zijn Jeugdzorg en de William Schrikker Groep betrokken bij diverse kinderen. Verdachte en haar gezin zouden verder worden besproken in een overlegvorm van het Zorg- en Veiligheidshuis vanwege problemen in de relationele sfeer met betrekking tot de laatste partner van verdachte. De financiële situatie was door het wegvallen van een inkomen problematisch. Inmiddels heeft verdachte een uitkering. Verdachte heeft schulden in verband met juridische kosten en uitvaartkosten naar aanleiding van het overlijden van één van haar zoons in 2024. De schulden zouden op korte termijn zijn afbetaald. De relatie, die volgens verdachte verantwoordelijk is voor deze zaak, is beëindigd, waarmee een eventueel bestaand risico verder is teruggedrongen. De reclassering adviseert de oplegging van een (deels) voorwaardelijke (werk)straf zonder bijzondere voorwaarden. Interventies en/of toezicht door de reclassering zijn niet geïndiceerd. Het ondergaan van een gevangenisstraf zou zeer schadelijk zijn voor de ontwikkeling die verdachte ondergaat met betrekking tot de inspanningen die zij levert om de omstandigheden voor haar gezin te verbeteren, met name op het gebied van huisvesting, inkomen en zorg voor haar kinderen.
De rechtbank overweegt dat bij dit soort ernstige feiten zonder meer de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur past zoals door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank zal hier echter van afzien, vanwege de hierna te noemen omstandigheden.
Verdachte draagt alleen de zorg voor haar vier kinderen. Zoals te lezen is in het advies van de reclassering en zoals verdachte ook op de terechtzitting heeft verklaard, is het leven van de kinderen in grote mate ontwricht door – onder meer – het overlijden van hun broer en vervolgens het verlies van hun huis en de tijdelijke uithuisplaatsing. Hoewel verdachte deels verantwoordelijk kan worden gehouden voor deze ontwrichting (als het gaat om de gevolgen van deze strafzaak), acht de rechtbank de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet verantwoord. Zij stelt daarbij het belang van de kinderen voorop. Daarnaast weegt de rechtbank ook de rol van verdachte bij de strafbare feiten mee. Uit het dossier valt af te leiden dat haar (ex-)partner de amfetamine produceerde en daarnaast handelde in verschillende soorten harddrugs. Verdachte verkocht een deel van de drugs aan een beperkte kring van bekenden en collega’s. Haar rol was daarmee kleiner dan die van haar partner. De relatie is bovendien beëindigd, waarmee – zo beschrijft de reclassering – ook het risico op herhaling is verminderd.
Het voorgaande neemt niet weg dat verdachte ernstige strafbare feiten heeft gepleegd en dat zij daarvoor verantwoordelijkheid dient te dragen. Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte de maximale taakstraf van 240 uren opleggen. Daarnaast zal de rechtbank, om de ernst van het bewezenverklaarde uit te drukken en verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 12 maanden. De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, wordt hierop in mindering gebracht. Aan het voorwaardelijk deel van de straf wordt een proeftijd van 3 jaren verbonden.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10 van de Opiumwet;

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;
 bepaalt dat deze gevangenisstraf,
niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
 legt op een
taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Langen, voorzitter, mr. F.J.H. Hovens en mr. I. de Bruin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 februari 2026.
Mr. I de Bruin is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (Landeck).
3.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] Roock van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, onderzoeksnummer PRAAG / ON4R024127, gesloten op 2 mei 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 17.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 16.
6.Proces-verbaal van bevindingen, p. 26.
7.Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 57-58.
8.NFiDENT-rapportage, p. 50.
9.Proces-verbaal van bevindingen, p. 31.
10.Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 60-61.
11.NFI-rapportage d.d. 31 januari 2025 (aanvullend, p. 2).
12.Proces-verbaal van bevindingen, p. 48.
13.Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 59-60.
14.NFI-rapportage d.d. 31 januari 2025 (aanvullend, p. 2).
15.Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 61 en proces-verbaal van bevindingen, p. 76.
16.NFI-rapportage d.d. 31 januari 2025 (aanvullend, p. 2).
17.Proces-verbaal van bevindingen, p. 27-29
18.Proces-verbaal van bevindingen, p. 82-84.
19.Proces-verbaal van bevindingen, p. 112.
20.Proces-verbaal van bevindingen, p. 114-115.
21.Proces-verbaal van bevindingen, p. 73.
22.Proces-verbaal van bevindingen, p. 109.
23.Proces-verbaal van bevindingen, p. 85-87.
24.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 149.
25.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 152.
26.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 155.
27.Proces-verbaal van bevindingen, p. 144
28.Proces-verbaal van bevindingen, p. 160.
29.De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 6 februari 2026.