ECLI:NL:RBGEL:2026:1408

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
ARN 25_4822
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.1.1 Wmo 2015Art. 2.3.2 Wmo 2015Art. 2.3.5 Wmo 2015Art. 81 Boek 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp wegens voldoende gebruikelijke hulp echtgenoot

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp op grond van de Wmo 2015, welke door het college van burgemeester en wethouders van Arnhem is afgewezen. De afwijzing is gebaseerd op het oordeel dat eiseres met gebruikelijke hulp van haar echtgenoot kan voorzien in haar ondersteuningsbehoefte.

De rechtbank stelt vast dat eiseres in het verleden tijdelijk een maatwerkvoorziening ontving vanwege een operatie, maar dat er geen doorlopend onvermogen is vastgesteld. Een medisch adviseur concludeerde dat eiseres weliswaar lichamelijke klachten heeft, maar dat haar echtgenoot in staat is de zware huishoudelijke taken te verrichten zonder overbelasting.

De rechtbank oordeelt dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen omdat de echtgenoot gebruikelijke hulp kan verlenen, zoals ook is toegestaan volgens de Wmo 2015 en de beleidsregels van de gemeente Arnhem. Het feit dat de echtgenoot na de datum van het besluit buitenshuis is gaan werken, doet hieraan niet af omdat het oordeel is gebaseerd op de situatie op de datum van het besluit.

Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard, en zij krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter H.J. Klein Egelink en griffier K.V. van Weert.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp wordt ongegrond verklaard omdat de echtgenoot voldoende gebruikelijke hulp kan verlenen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/4822

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. K. Wevers),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, het college

(gemachtigde: mr. E. Soepenberg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres tot toekenning van een maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp op grond van de Wet maatschappelijke opvang 2015 (Wmo 2015) Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres met gebruikelijke hulp kan voorzien in haar ondersteuningsbehoefte. Het college heeft op goede gronden de aanvraag afgewezen. Eiseres krijgt geen gelijk. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft het college verzocht haar een maatwerkvoorziening voor het verrichten van huishoudelijke taken toe te kennen. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 24 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 september 2025 (datum in geding) op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college deelgenomen. Eiseres heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. De rechtbank gaat van het navolgende uit.
3.1.
Eiseres heeft in het verleden via een algemene voorziening 2,5 uur per week huishoudelijke ondersteuning ontvangen. Over de periode van 3 juni 2024 tot en met
2 augustus 2024 heeft het college een maatwerkvoorziening voor de huishoudelijke ondersteuning voor 2,5 uur per week toegekend. Eiseres is in die periode geopereerd. De maatwerkvoorziening is met het oog op die operatie en het herstel toegekend.
3.2.
Na afloop van de algemene voorziening in december 2024 heeft eiseres zich bij het college gemeld en verzocht haar een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning (in de vorm van zorg in natura, ZIN) toe te kennen.
3.3.
In opdracht van het college heeft een medisch adviseur van Trompetter onderzoek verricht. Het advies is op 19 maart 2025 aan het college verzonden. Het advies houdt, kort gezegd, het volgende in. Eiseres heeft door haar lichamelijke klachten een verminderde belastbaarheid voor zwaardere (nek)belastende klachten. Er is geen doorlopend onvermogen voor het uitvoeren van specifieke huishoudelijke taken aanwezig, maar haar wat wisselende klachten maken dat zij taken zorgvuldig moet kunnen indelen. Dat is in een groot gezin niet altijd mogelijk. Haar echtgenoot voert daarom doorgaans de zware taken uit.
3.4.
Hierna is het besluit van 24 maart 2025 genomen. De aanvraag is afgewezen, omdat bij eiseres een verminderde, maar geen doorlopend, onvermogen voor het verrichten van huishoudelijke taken is vastgesteld. Van de echtgenoot is het de medisch adviseur niet gebleken dat hij overbelast zou zijn en de huishoudelijke taken niet zelf zou kunnen uitvoeren. Het doen van huishoudelijke taken valt in deze onder gebruikelijke hulp.
3.5.
Ten tijde van de beslissing op bezwaar woonde eiseres samen met haar echtgenoot, één volwassen zoon en twee minderjarige kinderen en een aantal honden in een eengezinswoning. Haar echtgenoot werkte op dat moment nog niet buitenshuis, de kinderen waren op dat moment schoolgaand.
3.6.
In bezwaar is dit besluit gehandhaafd.
Het geschil
4. Tussen partijen is in geschil of het college zich terecht op het standpunt stelt, dat van de echtgenoot van eiseres verwacht mag worden dat hij gebruikelijke hulp verleent, waarmee eiseres haar beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie kan compenseren.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat het college de stappen 1 tot en met 3 van het door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) ontwikkelde stappenplan juist en zorgvuldig heeft doorlopen. [1] Evenmin is tussen partijen in geschil dat het medisch onderzoek dat in dat kader door Trompetter is verricht zorgvuldig en volledig is geweest.
4.1.1.
De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat eiseres zich kan vinden in de vaststelling door de medisch adviseur, dat zij door haar lichamelijke klachten een verminderde belastbaarheid voor zwaardere (nek)belastende klachten heeft maar dat er geen sprake is van doorlopend onvermogen, nu zij daartegen geen gronden heeft gericht.
4.2.
Tussen partijen is wel in geschil of het college zich op het standpunt mocht stellen dat eiseres haar ondersteuningsbehoefte (daarnaast) moet invullen met behulp van gebruikelijke hulp door haar echtgenoot (stap 4).
Toetsingskader
5. In artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat gebruikelijke hulp de hulp is die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.
Artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college de mogelijkheden van de cliënt onderzoekt om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren.
Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.
Gebruikelijke hulp eerst!
6. Uit artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 volgt dat het college niet gehouden is tot verstrekking van een maatwerkvoorziening als de cliënt, in dit geval: eiseres, de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie (ook) met gebruikelijke hulp kan verminderen of wegnemen. De gebruikelijke hulp kan (en zal moeten) worden verstrekt door de echtgenoot, mits deze daartoe in staat moet worden geacht.
6.1.
Van de echtgenoot mag worden verwacht gebruikelijke hulp te verlenen naast een (voltijds) baan. Ook mag verwacht worden dat zo nodig keuzes worden gemaakt, zoals het niet (steeds) gezamenlijk doen van de boodschappen, het uitlaten van de honden of bezoeken van school- en sportactiviteiten van de kinderen. Onder het maken van keuzes valt ook voorrang geven aan huishoudelijk werk ten koste van ‘eigen activiteiten’ ter ontspanning, mits daardoor geen sprake is van (dreigende) overbelasting. Dit volgt zowel uit de Wmo 2015 als uit artikel 81 van Pro Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek [2] . Onder gebruikelijke hulp wordt onder meer begrepen het (volledig) overnemen van (zware) huishoudelijke taken zoals schoonmaken en het doen van de wekelijkse boodschappen.
De rechtbank vindt hiervoor onder meer steun in vaste rechtspraak van de CRvB [3] en andere, van overheidswege, verschenen publicaties. [4]
Ook in de Beleidsregels Wmo gemeente Arnhem 2020 (de Beleidsregels) wordt er van uitgegaan dat dit onder gebruikelijke hulp, te verlenen door de echtgenoot (en inwonende meerderjarige kinderen), moet worden begrepen.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de medisch adviseur de zorg- en ondersteuningstaken van de echtgenoot voldoende in kaart gebracht. De medisch adviseur heeft geconcludeerd dat de echtgenoot in staat is om, samen met eiseres, de huishoudelijke taken te verrichten. Hij heeft geen aanknopingspunten voor (dreigende) overbelasting van de echtgenoot (op het moment van het nemen van het besluit van 24 maart 2025) kunnen vaststellen. Daarbij is door de medisch adviseur rekening gehouden met de overige (ondersteunings)taken die de echtgenoot binnen het gezin vervult voor zowel eiseres als de kinderen. Dat het college niet goed zou hebben onderzocht of de echtgenoot gebruikelijke hulp kan verlenen of mogelijk overbelast dreigt te raken, kan de rechtbank met het oog op het zorgvuldige onderzoek dat door medisch adviseur is verricht en waartegen niets is ingebracht, dan ook niet volgen. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de stelling van eiseres dat sprake is van een onevenwichtige belangenafweging en een schending van de zorgplicht.
6.3.
Het voorgaande brengt met zich dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van de echtgenoot van eiseres mag worden verwacht dat hij gebruikelijke hulp verleent bij het verrichten van de huishoudelijke taken. Dat in het verleden huishoudelijke ondersteuning als algemene voorziening, en tijdelijk ook als maatwerkvoorziening, is toegekend, maakt dat niet anders. Het college zal immers, als een nieuwe melding wordt gedaan, de situatie opnieuw moeten beoordelen. Dat in dat geval de uitkomst een andere is dan in het verleden maakt niet dat het besluit onzorgvuldig (tot stand gekomen) is.
6.4.
Dat de echtgenoot na de datum in geding buitenshuis is gaan werken om een inkomen te verwerven en hij minder tijd heeft voor het verrichten van (zware) huishoudelijke taken, maakt het voorgaande niet anders. Het gaat immers om de situatie op de datum in geding. Op dat moment werkte hij nog niet buitenshuis en was op dat moment op meerdere momenten op de dag en in de week beschikbaar voor het verrichten van de (zware) huishoudelijke taken. De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat eiseres en haar echtgenoot een voorziening moeten in- en opvullen, waarvoor voorheen 2,5 uur was toegekend en die uit zowel lichte (waarvoor eiseres niet beperkt is geacht) als zware (waarvoor eiseres zichzelf moet ontzien maar het voor haar niet onmogelijk is om deze te verrichten) huishoudelijke taken bestond,. De rechtbank ziet niet in waarom die taken niet over meerdere momenten per week en mogelijk ook over meerdere personen (namelijk eiseres, haar echtgenoot en in ieder geval hun inwonende meerderjarige zoon) verdeeld kunnen worden.
6.5.
Het voorgaande brengt met zich dat het college de aanvraag tot toekenning van een maatwerkvoorziening mocht afwijzen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college terecht de aanvraag tot toekenning van een maatwerkvoorziening heeft afgewezen. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.V. van Weert, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819.
2.Echtgenoten zijn elkander getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd. Zij zijn verplicht elkander het nodige te verschaffen.
3.Zie bijvoorbeeld de volgende uitspraken: 5 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2721;
4.De Richtlijn gebruikelijke hulp.