Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
[eiser] en [eiseres], uit [plaats], eisers
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doesburg
Samenvatting
.Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
- Heeft het college het bezwaar van eisers terecht niet-ontvankelijk verklaard?
- Had het college moeten afzien van invordering?
- Zijn er omstandigheden om de hoogte van de dwangsom alsnog te herzien?
Procesverloop
Op grond van het besluit van 29 maart 2024 dienen eisers het voormalige bedrijfsgedeelte van het pand te herstellen in de oorspronkelijke staat door:
- 1. de nieuwe houten deur, deurkozijn en betonnen latei boven het deurkozijn te verwijderen en te voorzien van metselwerk (gelijk aan oorspronkelijke staat: met dezelfde kleur, grootte, vorm) uiterlijk op 2 juli 2024 onder straffe van verbeuring van een dwangsom van € 10.000,- ineens als niet tijdig of niet volledig wordt voldaan;
- 2. het nieuwe houten kozijn (rechts van het nieuwe deurkozijn) te verwijderen en te voorzien van het oorspronkelijke stalen kozijn/venster uiterlijk op 2 juli 2024 onder straffe van verbeuring van een dwangsom van € 10.000,- ineens als niet tijdig of niet volledig wordt voldaan;
- 3. de drie kozijnen en beglazing in de linkerzijgevel van het voormalige bedrijfsgedeelte te herstellen in de oorspronkelijke staat uiterlijk op 2 juli 2024, onder straffe van verbeuring van een dwangsom van € 10.000,- ineens als niet tijdig of niet volledig wordt voldaan;
- 4. de camera’s tegen de achtergevel en de zijgevel van het voormalige bedrijfsgedeelte van het pand te verwijderen en verwijderd te houden uiterlijk op 14 april 2024, onder straffe van verbeuring van een dwangsom van € 5.000,- ineens als niet tijdig of niet volledig wordt voldaan.
- het bezwaar van eisers tegen het handhavingsbesluit van 29 maart 2024 en het invorderingsbesluit van 21 juni 2024 niet-ontvankelijk verklaard, omdat daartegen niet tijdig bezwaar is gemaakt;
- het bezwaar tegen het handhavingsbesluit van 23 juli 2024 ongegrond verklaard;
- de hoogte van de dwangsommen van het invorderingsbesluit van 3 september 2024 gematigd met 50% tot € 15.000,-.
Beoordeling door de rechtbank
Bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom, dient aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (
Kamerstukken II2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. [3]