ECLI:NL:RBGEL:2026:1542

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
C/05/456207 / HZ ZA 25-245
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 2 Haags BetekeningsverdragArt. 10 Uitvoeringswet Betekeningsverdrag 1965Art. 5 sub a Haags BetekeningsverdragArt. 6:119a BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verstekvonnis in civiele zaak met internationaal privaatrechtelijk karakter over onverschuldigde betaling

In deze civiele procedure met internationaal privaatrechtelijk karakter heeft de rechtbank Gelderland verstek verleend tegen de gedaagde, die niet is verschenen. De procedure betrof een vordering van eiser tot betaling van een bedrag van €154.379,00, primair gebaseerd op onverschuldigde betaling.

De rechtbank heeft vastgesteld dat aan de vereisten van het Haags Betekeningsverdrag en de Uitvoeringswet is voldaan, waardoor verstek kon worden verleend. De wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW werd afgewezen omdat de vordering niet uit een handelsovereenkomst voortvloeit, maar uit onverschuldigde betaling.

Wel werd de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW Pro toegewezen vanaf 15 november 2024, de datum waarop de gedaagde in verzuim is gesteld. Daarnaast werd de gedaagde veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente over deze kosten indien niet tijdig voldaan wordt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €154.379 met wettelijke rente vanaf 15 november 2024 en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/456207 / HZ ZA 25-245
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
[naam eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. G.P. Geelkerken,
tegen
[naam gedaagde],
te [vestigingsplaats] (Costa Rica),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van 10 december 2025
- de brief van mr. Geelkerken van 7 januari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
In het tussenvonnis van 10 december 2025 heeft de rechtbank [eiser] in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat de dagvaarding langer dan zes maanden geleden aan de centrale autoriteit van Costa Rica is toegezonden, zodat kan worden vastgesteld of is voldaan aan vereiste b van artikel 15 lid 2 van Pro het Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken van 15 november 1965, Trb. 1969, 55
(hierna: “Haags Betekeningsverdrag”) en het overeenstemmende artikel 10 van Pro de Uitvoeringswet Betekeningsverdrag 1965 (hierna: “Uitvoeringswet”).
2.2.
[eiser] heeft bij brief van 7 januari 2026 een brief overgelegd van het parket van het arrondissement Oost-Nederland van 7 januari 2026, waarin het verzoek om betekening in het buitenland conform het Haags Betekeningsverdrag is bijgevoegd. Hieruit volgt dat het
verzoek op 20 februari 2025 door de Officier van Justitie is opgesteld en ondertekend. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] hiermee heeft aangetoond dat sinds het toezenden van de dagvaarding minstens zes maanden zijn verstreken, zodat is voldaan aan vereiste b van artikel 15 lid 2 Haags Pro Betekeningsverdrag en artikel 10 Uitvoeringswet Pro. Daarnaast volgt uit het verzoek om betekening in het buitenland dat de dagvaarding conform
artikel 5 sub a Haags Pro Betekeningsverdrag aan de centrale autoriteit van Costa Rica is toegezonden, zodat ook aan vereiste a van artikel 15 lid 2 Haags Pro Betekeningsverdrag en artikel 10 Uitvoeringswet Pro is voldaan. Tot slot heeft [eiser] in zijn eerdere brief van
6 november 2025 een rappel van het parket van het arrondissement Oost-Nederland aan de centrale autoriteit van Costa Rica van 8 oktober 2025 overgelegd. De rechtbank is hiermee van oordeel dat in weerwil van alle daartoe bij de bevoegde autoriteiten aangewende pogingen geen bewijs kan worden verkregen, zodat ook aan vereiste c is voldaan. De rechtbank zal daarom verstek verlenen tegen [gedaagde] op grond van artikel 15 lid 2 Haags Pro Betekeningsverdrag en artikel 10 Uitvoeringswet Pro.
2.3.
[eiser] vordert wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (BW) over de hoofdsom van € 154.379,00 vanaf het moment van opeisbaar worden van de vordering, tot aan de dag der algehele voldoening.
Artikel 6:119a BW heeft alleen betrekking op de geldelijke tegenprestatie voor geleverde goederen of diensten op grond van een handelsovereenkomst. Dit betreft de primaire betalingsverplichting uit de handelsovereenkomst. De wettelijke handelsrente ziet dus niet op andere geldelijke verplichtingen waartoe zo'n overeenkomst aanleiding kan geven, en derhalve evenmin op een vordering uit onverschuldigde betaling (ECLI:NL:HR:2020:1710). Nu [eiser] zijn vordering primair baseert op onverschuldigde betaling, is de wettelijke handelsrente niet toewijsbaar.
2.4.
Indien wettelijke handelsrente is gevorderd, maar niet wordt voldaan aan de eisen van artikel 6:119a BW, dan dient de rentevordering alsnog beoordeeld te worden aan de hand van artikel 6:119 BW Pro. Voor de toewijsbaarheid van wettelijke rente is vereist dat de schuldenaar met de voldoening van de in het geding zijnde geldsom in verzuim is. Zodoende is de wettelijke rente niet toewijsbaar vanaf het moment van opeisbaar worden van de vordering. [eiser] heeft een brief overgelegd waarin [gedaagde] is aangezegd om uiterlijk 14 november 2024 het bedrag van € 154.379,00 te betalen, zodat [gedaagde] vanaf 15 november 2024 in verzuim is. De rechtbank zal daarom de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW Pro, als het mindere, toewijzen vanaf 15 november 2024.
2.5.
De vordering komt de rechtbank voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen.
2.6.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
- griffierecht
144,47
2.723,00
- salaris advocaat
- nakosten
2.051,00
131,00
(1 punt × € 2.051,00)
Totaal
5.049,47
2.7.
[eiser] vordert daarnaast [gedaagde] te veroordelen in de deurwaarderskosten voor het betekenen van de dagvaarding, vertaalkosten, de nakosten van dit geding ten bedrage van € 131,00, te vermeerderen met € 68,00 ingeval van betekening en met € 258,00 ingeval van beslaglegging, te vermeerderen met de wettelijke rente. Gesteld noch gebleken is hoeveel de vertaalkosten bedragen, zodat de vordering voor dit gedeelte ongegrond en dus niet toewijsbaar is. Ten aanzien van de wettelijke rente over de voorgenoemde (proces)kosten geldt dat door het enkele wijzen van het vonnis het vereiste verzuim nog niet intreedt, de vordering wordt dan alleen opeisbaar. De rechtbank zal daarom de wettelijke rente over proceskosten, als het mindere, toewijzen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 154.379,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 november 2024, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 5.049,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 68,00 plus de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
JV/KH