ECLI:NL:RBGEL:2026:1694

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
24/172 & 25/2305
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:19 WaboArt. 2.33 WaboArt. 2.1 WaboArt. 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening handhavingsbesluit omgevingsvergunning keerwand en bouwwerk wegens onvoldoende onderzoek constructieve veiligheid

Eisers, achterburen van een perceel met een keerwand en bouwwerk, verzochten het college om intrekking van de omgevingsvergunning en handhaving vanwege een vermeend onveilige situatie. De vergunning was verleend in 2020 en onherroepelijk verklaard in 2023. Het college weigerde intrekking omdat een handhavingstraject liep en wees het handhavingsverzoek af op basis van een controlerapport dat volgens eisers onvoldoende was.

De rechtbank oordeelt dat het college bevoegd was om de vergunning niet in te trekken omdat het handhavingstraject nog niet was afgerond, maar dat het besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek ondeugdelijk is gemotiveerd. Het controlerapport voldeed niet aan de vereisten voor een deugdelijke feitelijke vaststelling, mede door een tijdsverloop van zes maanden tussen controle en besluit.

De rechtbank bevestigt dat handhaving in principe voorop staat, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. Het college baseerde zich op bouwtechnische rapporten die een helling van 45 graden grond achter de keerwand als voldoende voor constructieve veiligheid beschouwen. Eisers betwistten dit met een tegenrapport, maar de rechtbank acht het college voldoende gemotiveerd.

De rechtbank vernietigt daarom het besluit op bezwaar van het handhavingsverzoek en draagt het college op opnieuw onderzoek te doen naar de feitelijke situatie. Het beroep tegen de afwijzing van het intrekkingsverzoek wordt ongegrond verklaard. Eisers krijgen het betaalde griffierecht terug voor het gegrond verklaarde beroep op het handhavingsverzoek.

Uitkomst: Verzoek tot intrekking vergunning afgewezen, handhavingsbesluit vernietigd en nieuw onderzoek opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/172 en ARN 25/2305

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiser] en [eiseres], uit [plaats], eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem

(gemachtigde: mr. S.A. Joosten en B. Verbocht).
Als derde-partij nemen aan de zaken deel:
[derde-partij 1] en [derde-partij 2], uit [plaats],
(gemachtigde: mr. V.W.J.H. Kobossen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek om intrekking van de omgevingsvergunning van een keerwand met daarop een bouwwerk aan de [locatie 1] in [plaats], en over de afwijzing van het handhavingsverzoek voor hetzelfde perceel. De keerwand en het bouwwerk grenzen bijna aan de perceelsgrens van eisers, de achterburen. Eisers voeren een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank afwijzing van het verzoek om intrekking van de omgevingsvergunning en de afwijzing van het handhavingsverzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om intrekking van de omgevingsvergunning ongegrond is. Eisers krijgen op dit punt dus geen gelijk. Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om handhaving is gegrond en eisers krijgen in die zaak wel gelijk. Het college moet opnieuw onderzoek doen naar de constructieve veiligheid van de keerwand en het bouwwerk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat wat er is gebeurd en onder 3 het procesverloop in deze zaken. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen.
In de zaak met zaaknummer ARN 24/172 (afwijzing verzoek intrekking vergunning):
- Heeft het college het verzoek om intrekking van de vergunning kunnen afwijzen?
In de zaak met zaaknummer ARN 25/2305 (afwijzing handhavingsverzoek):
- Is de afwijzing van het handhavingsverzoek onzorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd?
 Heeft het college kunnen afgaan op de bouwtechnische rapporten?
 Heeft het college voldoende onderzoek gedaan naar de feitelijke situatie?
Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Wat is er gebeurd?

2. Eisers wonen aan de [locatie 2] in [plaats] en zijn de achterburen van de derde-partij die aan de [locatie 1] in [plaats] woont. Tussen deze percelen bestaat een aanzienlijk hoogteverschil. Om dit hoogteverschil te overbruggen hebben de voormalige eigenaren van de [locatie 1] in 2014 vlak naast de achterste perceelsgrens van [locatie 2] een betonnen keerwand geplaatst. Later is een bouwwerk (bergruimte met overkapping) op de keerwand geplaatst. Tegen de aanwezigheid van dat bouwwerk hebben eisers in 2020 een handhavingsverzoek bij het college ingediend. Dat heeft ertoe geleid dat op 23 november 2020 een omgevingsvergunning is verleend ter legalisering van de geplaatste keerwand en het bouwwerk. [1] In een besluit van 13 juli 2021 op het bezwaar van eisers tegen de omgevingsvergunning is aan die vergunning toegevoegd dat aanvullende constructieve maatregelen moeten worden getroffen aan het bouwwerk én grondaanpassingen aan de voet van het bouwwerk om de stabiliteit daarvan te waarborgen. Bij uitspraak van deze rechtbank van 1 maart 2023 is het beroep van eisers tegen de omgevingsvergunning ongegrond verklaard. Vaststaat dat er geen hoger beroep is ingesteld en dat de omgevingsvergunning onherroepelijk is.
In de tussentijd hebben eisers een nieuw handhavingsverzoek gedaan vanwege de volgens hen onveilige situatie rond de keerwand. Zij hebben ook verzocht om intrekking van de omgevingsvergunning. Na een aantal controlebezoeken heeft het college op 13 april 2022 aan de voormalige eigenaren van [locatie 1] gelast om het grondpeil bij de keerwand in overeenstemming te brengen met de verleende vergunning. [2] Het heeft verder het intrekkingsverzoek afgewezen, vanwege het lopende handhavingstraject. [3] De woning aan de [locatie 1] is op 16 oktober 2023 verkocht aan de derde-partij. Daags daarna hebben eisers opnieuw een verzoek om handhaving gedaan vanwege de volgens hen nog steeds bestaande onveilige situatie rond de keerwand en het bouwwerk. Het college heeft vervolgens opnieuw een controle verricht. Omdat er volgens het college geen sprake is van constructieve onveiligheid en zodoende niet meer van een overtreding, heeft het college het nieuwe handhavingsverzoek afgewezen. [4]
Kadastraal perceel [perceel 1] is [locatie 1]; perceel [perceel 2] is [locatie 2]; perceel [perceel 3] is van een derde, en bevat de keerwand en het bouwwerk.

Procesverloop

In de zaak met zaaknummer ARN 24/172 (afwijzing verzoek om intrekking vergunning):
3. Bij besluit van 23 november 2023 heeft het college het verzoek van eisers om de omgevingsvergunning voor de keerwand en het bouwwerk in te trekken, afgewezen.
3.1.
Bij beslissing op bezwaar van 4 december 2023 is het college bij die afwijzing gebleven.
3.2.
Eisers hebben beroep ingesteld.
In de zaak met zaaknummer ARN 25/2305 (afwijzing handhavingsverzoek):
3.3.
Op 17 oktober 2023 hebben eisers het college verzocht om handhavend op te treden tegen de volgens eisers onveilige situatie van de keerwand en het bouwwerk.
3.4.
Bij besluit van 12 september 2024 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen omdat het college geen overtreding heeft geconstateerd. Het college heeft zich daarbij gebaseerd op een controlerapport van 5 maart 2024.
3.5.
Bij beslissing op bezwaar van 25 mei 2025 heeft het college het besluit om niet te handhaven in stand gelaten.
3.6.
Eisers hebben beroep ingediend.
3.7.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
3.8.
Eisers hebben op 6 januari 2026 nadere stukken ingediend.
3.9.
De rechtbank heeft de beroepen op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigden van het college en de gemachtigde van de derde-partij.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om intrekking van een omgevingsvergunning en een verzoek om handhaving is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op het verzoek onherroepelijk wordt. Dat betekent in dit geval dat de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zoals die gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
4.1.
De rechtbank beoordeelt de beroepen aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
In de zaak met zaaknummer ARN 24/172 (afwijzing verzoek intrekking vergunning):
Heeft het college het verzoek om intrekking van de vergunning kunnen afwijzen?
5. Eisers betogen dat de omgevingsvergunning is verleend op basis van onjuiste en onvolledige informatie over eigendom en erfgrenzen en dat de vergunning daarom op grond van artikel 5.19 van de Wabo ingetrokken moet worden. Op de vergunningaanvraag waren de erfgrenzen verkeerd ingetekend en aanvrager heeft ten onrechte beweerd eigenaar te zijn van kadastraal perceel [perceel 3]. Dat perceel [perceel 3] is echter eigendom van een stichting die niet meer actief is. De keerwand en het bouwwerk staan zodoende op grond die niet in eigendom van de derde-partij is. Bij de overdracht van het perceel [locatie 1] op 16 oktober 2023 is de derde-partij ook geen eigenaar van perceel [perceel 3] geworden. Dat is problematisch omdat op de bouwtekeningen aan de achterzijde van de keerwand grond is voorzien ten behoeve van de stabiliteit van de keerwand en het bouwwerk. Nu het geheel dicht op de perceelsgrens van eisers is gebouwd, kan alleen worden voldaan aan deze voorwaarde als deze grond op het perceel van eisers zou worden aangebracht. Eisers voeren verder aan dat het college de vergunning op verkeerde stukken heeft gebaseerd zoals onjuiste berekeningen van [naam bedrijf 1].
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat intrekking van de vergunning op grond van artikel 2.33, tweede lid, van de Wabo niet mogelijk is omdat geen van de in dit artikel opgenomen intrekkingsgronden zich voordoet. Intrekking op grond van artikel 5.19 van de Wabo acht het college ook niet mogelijk omdat er een handhavingsprocedure loopt. Volgens het college is het daarom niet bevoegd om de omgevingsvergunning in te trekken.
5.2.
In artikel 5.19, eerste lid, van de Wabo staat:
“Het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning of ontheffing te verlenen, kan de vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken, indien:
a. de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
b. niet overeenkomstig de vergunning of ontheffing is of wordt gehandeld;
c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen niet zijn of worden nageleefd;
d. de voor de houder van de vergunning of ontheffing als zodanig geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd.”
Artikel 5.19, derde lid, van de Wabo luidt:
“Een bestuursorgaan gaat niet tot intrekking als bedoeld in het eerste of tweede lid over dan nadat het de betrokkene de gelegenheid heeft geboden binnen een daartoe te bepalen termijn zijn handelen alsnog in overeenstemming te brengen met de vergunning of ontheffing, onderscheidenlijk de voorschriften of algemene regels, bedoeld in het eerste of tweede lid, na te leven.”
5.3.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat niet is voldaan aan de intrekkingsvoorwaarden van artikel 2.33 van de Wabo. Anders dan het college oordeelt de rechtbank dat het college wel bevoegd is de vergunning op grond van artikel 5.19, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo in te trekken omdat niet overeenkomstig de vergunning is gehandeld. In het handhavingsbesluit van 13 april 2022 is immers vastgesteld dat het grondpeil aan de kant van eisers afwijkt van wat op de vergunningstekeningen staat, zodat in zoverre niet overeenkomstig de vergunning wordt gehandeld.
5.4.
De rechtbank is evenwel van oordeel dat het college in het besluit van 23 november 2023, dat bij besluit van 4 december 2023 in stand is gelaten, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om geen gebruik te maken van deze intrekkingsbevoegdheid omdat er ten tijde van de beslissing op bezwaar een handhavingstraject liep tegen de voormalig eigenaar van het perceel [locatie 1]. Dit handhavingstraject was erop gericht om de bestaande situatie in overeenstemming te brengen met de vergunde situatie. Het college was op grond van artikel 5.19, derde lid, van de Wabo ook gehouden om eerst die gelegenheid te bieden. Nu dat handhavingstraject nog niet was afgerond, heeft het college in het besluit van 4 december 2023 in redelijkheid kunnen afzien van intrekking van de omgevingsvergunning. Het betoog slaagt niet.
In de zaak met zaaknummer ARN 25/2305 (afwijzing handhavingsverzoek):
Is de afwijzing van het handhavingsverzoek onzorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd?
6. Eisers betogen dat de afwijzing van zijn handhavingsverzoek in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Er moet worden gehandhaafd omdat er is gebouwd in afwijking van de vergunning. Het besluit berust verder op het rapport van [naam bedrijf 1] dat is aangeleverd door de derde-partij. [naam bedrijf 1] baseert haar berekeningen echter op onjuiste gegevens zonder eigen metingen en inspecties. Er is ten onrechte van uitgegaan dat achter de keerwand een tegendruk van grond onder een helling van 45 graden bestaat. Deze grond glijdt echter af en blijft niet zelfstandig liggen. Ook is de ondergrond van de keerwand instabiel door rottende boomwortels. Eiser voert verder aan dat toezeggingen van de omgevingsdienst (ODRA) voor een onafhankelijk onderzoek niet worden nagekomen, dat het rapport [naam rapport] selectief wordt gebruikt, en dat het rapport [naam bedrijf 1] een beperkt rapport is met berekeningen op basis van metingen van het rapport [naam rapport]. Verder heeft het college niet inzichtelijk gemaakt wat het college heeft gedaan met de eigen inspectieresultaten van de ODRA, het door eiser overgelegde rapport van [naam bedrijf 2], het rapport [naam rapport], de feitelijke situatie en door eisers overgelegde aanvullende berekeningen.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college een bevoegdheid heeft om te handhaven omdat vast staat dat de grond niet is aangebracht in overeenstemming met de vergunning (zie afbeelding 1 in de bijlage). Hierover verschillen partijen ook niet van mening.
De beginselplicht tot handhaving
6.2.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Het standpunt van het college
6.3.
Het college heeft op de zitting toegelicht dat de afwijking van de vergunning niet zonder meer tot gevolg heeft dat de keerwand en het daarop aanwezige bouwwerk constructief onveilig zijn. Volgens het college is voor een veilige situatie vereist dat grond onder de keerwand aanwezig blijft. Dat effect kan ook worden bereikt als naast de keerwand grond wordt aangebracht die vanaf de onderkant van de keerwand afloopt in een hoek van maximaal 45 graden (zie afbeelding 2 in de bijlage). Hierdoor ontstaat voldoende tegendruk om de grond onder de keerwand op zijn plaats te houden. Het college baseert dit standpunt op het rapport van [naam bedrijf 1]. Omdat dit volgens het college het geval is, is handhavend optreden onevenredig.
Heeft het college kunnen afgaan op de bouwtechnische rapporten van de derde-partij?
6.4.
De rechtbank oordeelt dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat de situatie constructief veilig is mits er grond in een helling van 45 graden achter de keerwand ligt. Zij overweegt daartoe als volgt. Het college baseert zich op drie rapporten, het rapport [naam bedrijf 1] van 22 augustus 2023, het rapport [naam rapport] van 27 oktober 2020 (verder: het rapport [naam rapport]) en de aanvulling daarop van 16 september 2021, alle in opdracht van de eerdere eigenaren van het perceel van de derde-partij opgesteld. Die rapporten bevatten zelfstandige metingen en berekeningen en uit de rapporten blijkt dat er grond in een helling van 45 graden achter de keerwand nodig is voor tegendruk ten behoeve van constructieve veiligheid. Deze grond zorgt er namelijk voor dat de grond onder de keerwand op zijn plaats blijft. Het tegenrapport van [naam bedrijf 2] van 2 februari 2022, overgelegd door eisers, trekt dat in twijfel omdat er volgens [naam bedrijf 2] in de andere rapporten niet van de juiste uitgangspunten is uitgegaan. Het college heeft in de bezwaarprocedure echter uitgebreid en naar het oordeel van de rechtbank voldoende toegelicht dat en waarom de standpunten van het rapport van [naam bedrijf 1] (dat voortbouwt op het rapport van [naam rapport]) en de aanvulling daarop gevolgd kunnen worden. Daarbij is toegelicht dat de eventuele aanwezigheid van (rottende) boomwortels niet van doorslaggevende invloed is op het gewicht en de draagkracht van de grond. De rechtbank sluit zich bij deze toelichting aan. Verder geldt dat het rapport van [naam rapport] en de bijbehorende aanvulling onderdeel zijn geweest van de procedure over de omgevingsvergunning, en de rechtbank heeft eerder geen aanleiding gezien te twijfelen aan de betrouwbaarheid van die rapporten. [5] Het tegenrapport van [naam bedrijf 2] stelt weliswaar dat de situatie zorgwekkend is, maar uit dat rapport blijkt niet dat er zelfstandig metingen of berekeningen zijn verricht. De stellingen van eisers dat het rapport van [naam bedrijf 1] te veel leunt op niet-geverifieerde gegevens die zijn aangeleverd door de opdrachtgevers en uitgaat van onjuiste uitgangspunten volgt de rechtbank dan ook niet.
Heeft het college de feitelijke situatie voldoende inzichtelijk gemaakt?
6.5.
Eisers hebben subsidiair gesteld dat dat er geen grond in een helling van 45 graden achter de keerwand aanwezig is. Gelet hierop is volgens hen niet voldaan aan de voorwaarde die volgens het college nodig is om in afwijking van de omgevingsvergunning toch een constructief veilige situatie te creëren.
6.6.
Volgens vaste rechtspraak dient aan een afwijzing van een handhavingsverzoek een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag te liggen. Dit brengt met zich dat de vaststelling of waarneming van feiten en omstandigheden moet worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, door een ter zake deskundige persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen. De vastgestelde of waargenomen feiten en omstandigheden dienen op een duidelijke wijze te worden vastgelegd. Dat kan geschieden in een schriftelijke rapportage, maar in bepaalde gevallen ook met foto’s of ander bewijsmateriaal. Duidelijk moet zijn waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gehanteerd. [6]
6.7.
In het besluit van 12 september 2024 is opgenomen dat het college de situatie beoordeeld heeft aan de hand van waarnemingen van de toezichthouders, overgelegde deskundigenrapporten, informatie die is aangeleverd door eisers en de gemeentelijke constructeur. Ter zitting is vastgesteld dat het college met de waarnemingen van de toezichthouders doelt op een controlerapport van 5 maart 2024. De rechtbank is van oordeel dat dit controlerapport niet voldoet aan de hierboven genoemde eisen. De in het rapport beschreven controle had ten doel vast te stellen of de grond die aanwezig is op het perceel van eisers en die aansluit op de keerwand wel of niet was geroerd. De toezichthouder heeft vastgesteld dat dit niet het geval was en stelt dat er daarom vanuit kan worden gegaan dat de veiligheid van het bouwwerk niet in gevaar is. Het controlerapport bevat een aantal foto’s maar uit die foto’s valt onvoldoende af te leiden dat er achter de keerwand inderdaad grond aanwezig is in een helling van 45 graden. Dat volgt ook niet uit de constatering dat er niet geroerd is in de grond op het perceel van eisers. Bovendien zit er een periode van zes maanden tussen het controlemoment van 5 maart 2024 en het primaire besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek van 12 september 2024. Het is naar het oordeel van de rechtbank dus onduidelijk of het controlerapport actueel was op het moment van het primaire besluit. De rechtbank oordeelt daarom dat het college in zijn besluitvorming onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat wordt voldaan aan de volgens hem vereiste voorwaarde dat vanaf de onderzijde van de keerwand grond aanwezig is die afloopt in een helling van maximaal 45 graden. Nu dit niet duidelijk is, is het standpunt dat handhavend optreden onevenredig is onvoldoende gemotiveerd.
6.8.
Het betoog slaagt. Wat voor het overige is aangevoerd, behoeft geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep in de zaak met zaaknummer ARN 24/172 (afwijzing verzoek intrekking vergunning) is ongegrond. Dat betekent dat het besluit om de omgevingsvergunning niet in te trekken in stand blijft. Eisers krijgen hun griffierecht voor deze procedure niet terug.
8. Het beroep in de zaak met zaaknummer ARN 25/2305 (afwijzing handhavingsverzoek) is gegrond. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar van 25 mei 2025. De rechtbank volgt het uitgangspunt van het college dat een constructief veilige situatie ook bereikt kan worden als grond met een hellingshoek van maximaal 45 graden wordt aangebracht vanaf de onderzijde van de keerwand, maar dat aan deze voorwaarde is voldaan, is onvoldoende aangetoond. Dat betekent dat het college opnieuw moet controleren of de feitelijke situatie voldoet aan de vereisten voor constructieve veiligheid. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een bestuurlijke lus of een finale geschilbeslechting omdat onzeker is wat uit een nieuwe beoordeling van het college voortvloeit. Eisers krijgen daarom het griffierecht terug.
9. Eisers hebben een verzoek om een proceskostenveroordeling ingediend. Zij verzoeken om vergoeding van de door hen gemaakte kosten voor het inschakelen van een deskundige, zijnde de kosten van het rapport van [naam bedrijf 2] van € 1.512,50.
9.1.
De rechtbank oordeelt dat de kosten van het rapport van [naam bedrijf 2] niet voor vergoeding in aanmerking komen. Wanneer ter onderbouwing van een beroepsgrond een rapport door een deskundige wordt opgesteld en de rechtbank komt na een inhoudelijke bespreking tot de slotsom dat die beroepsgrond niet slaagt, dan komen de kosten van het overgelegde rapport niet voor vergoeding in aanmerking. Ook niet als de beslissing op bezwaar om andere redenen voor vernietiging in aanmerking komt. [7] In dit geval concludeert de rechtbank dat het college terecht heeft kunnen afgaan op de rapporten van [naam rapport] en [naam bedrijf 1], en het rapport [naam bedrijf 2] heeft er niet toe geleid dat de beroepsgrond slaagt.

Beslissing

De rechtbank:
in de zaak met zaaknummer ARN 24/172 (afwijzing verzoek om intrekking vergunning):
- verklaart het beroep ongegrond;
in de zaak met zaaknummer ARN 25/2305 (afwijzing handhavingsverzoek):
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de beslissing op bezwaar van 25 mei 2025;
  • draagt het college het door eisers betaalde griffierecht van € 194,- aan hen te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Afbeelding 1: nieuwe situatie op de tekening behorend bij de omgevingsvergunning:
Afbeelding 2: helling van 45 graden achter de keerwand (uit rapport [naam bedrijf 1]):

Voetnoten

1.Deze vergunning is verleend voor de activiteit “het (ver)bouwen van een bouwwerk” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
2.Deze last is op 5 december 2024 ingetrokken. Het van rechtswege ontstane beroep van eisers tegen dit intrekkingsbesluit is op de zitting van de rechtbank van 27 januari 2026 ingetrokken.
3.Hierover gaat zaak ARN 24/172.
4.Hierover gaat zaak ARN 25/2305.
5.Zie de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 maart 2023, ARN 21/3908 onder 6.2.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1179 onder 8 tweede alinea.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:945 onder 8 tweede alinea.