ECLI:NL:RBGEL:2026:17

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
ARN 23/7213
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van ziekengeld op grond van de Ziektewet wegens geschiktheid tot arbeid

In deze uitspraak van de Rechtbank Gelderland, gedateerd 7 januari 2026, wordt de afwijzing van de aanvraag van eiser voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) behandeld. Eiser, werkzaam als monteur/dakdekker, had zijn aanvraag voor ziekengeld ingediend na zich ziek te hebben gemeld vanwege fysieke en psychische klachten. Het UWV had de aanvraag afgewezen, stellende dat eiser per 9 maart 2023 geschikt was voor het verrichten van zijn arbeid. Eiser was het niet eens met deze beslissing en voerde verschillende beroepsgronden aan.

De rechtbank oordeelt dat het UWV de aanvraag terecht heeft afgewezen. De verzekeringsartsen hebben voldoende gemotiveerd dat de gezondheidssituatie van eiser op de datum in geding geen aanleiding geeft voor het aannemen van meer beperkingen. De rechtbank concludeert dat eiser geschikt is voor zijn eigen arbeid en dat de eerder geselecteerde functies voor hem geschikt zijn gebleven. De rechtbank wijst erop dat de beoordeling van de verzekeringsarts professioneel is en niet slechts een mening betreft, en dat de medische informatie die is opgevraagd door de verzekeringsarts adequaat is geweest.

Uiteindelijk verklaart de rechtbank het beroep van eiser ongegrond, wat betekent dat hij geen recht heeft op ziekengeld en geen vergoeding van proceskosten ontvangt. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige medische beoordeling en de rol van de verzekeringsarts in het proces van arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/7213

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: E. van den Brink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW), omdat hij geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de aanvraag van eiser voor ziekengeld terecht heeft afgewezen, omdat hij geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor ziekengeld. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 4 mei 2023 afgewezen, omdat eiser per 9 maart 2023 (datum in geding) geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2023 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2025 op zitting gelijktijdig behandeld met zaaknummer ARN 23/7211. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
2.3.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst en het UWV in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken na verzending van de schorsingsbeslissing de rechtbank de rapporten toe te doen komen op grond waarvan aan eiser met ingang van 3 november 2023 een WIA-uitkering is toegekend op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, vergezeld van een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (va b&b) inzake de vraag of de uitkomst in die latere procedure ook relevant is voor de uitkomst in deze zaak. Eiser is hierna in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na ontvangst van de reactie van het UWV hier weer op te reageren. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat partijen in hun reacties aan dienen te geven of zij gebruik willen maken van hun recht om op een (nadere) zitting te worden gehoord.
2.4.
Het UWV heeft op 17 september 2025 gereageerd met een brief, met bijvoeging van de gevraagde stukken en een rapport van de va b&b L.P. Burgers van 17 september 2025. Het UWV heeft niet laten weten of het op een (nadere) zitting wil worden gehoord. Op 3 november 2025 heeft eiser hierop weer gereageerd. Eiser heeft ook niet laten weten of hij op een (nadere) zitting wil worden gehoord.
2.5.
Met inachtneming van artikel 8:64, vijfde lid, en artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank vervolgens het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is vanaf 1 oktober 2020 werkzaam geweest als monteur/dakdekker bij [naam bedrijf] voor gemiddeld 38,16 uur per week. Op 5 november 2020 heeft eiser zich ziekgemeld als gevolg van fysieke beperkingen.
3.1.
Na het doorlopen van de zogenaamde wachttijd heeft het UWV met het besluit van 25 januari 2023 de aanvraag van eiser voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) afgewezen, omdat eiser per 3 november 2022 minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
3.2.
Met het besluit van 9 oktober 2023 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van de WIA-aanvraag gebleven. Aan dit besluit liggen de rapporten van de va b&b Burgers van 6 september 2023 en 4 oktober 2023 ten grondslag. De belastbaarheid van eiser is vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 6 september 2023. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (ad b&b) heeft eiser geschikt geacht voor de functies wikkelaar (nieuw en revisie) (sbc-code 267053), productiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043) en textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel) (sbc-code 111160). Daarnaast heeft de ad b&b de aanvullende functies administratief medewerker (document scannen) (sbc-code 315133) en productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) geduid. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 9 oktober 2023. Dit beroep is bij de rechtbank behandeld onder zaaknummer ARN 23/7211.
3.3.
Eiser ontving vervolgens een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Eiser heeft zich per 9 maart 2023 (opnieuw) ziekgemeld als gevolg van klachten aan het bewegingsapparaat en psychische klachten. Hij ervaart toegenomen klachten ten opzichte van de eerdere medische beoordeling in de procedure voor de WIA-aanvraag.
3.4.
Het UWV is hierna overgegaan tot de besluitvorming als vermeld onder het kopje “Procesverloop”. Hieraan liggen de rapporten van de arts Q. Alsahwi (getoetst en akkoord bevonden door de verzekeringsarts M.J.J. Buscher) van 3 mei 2023 en de va b&b L.P. Burgers van 11 september 2023 en 4 oktober 2023 ten grondslag.
Maatstaf “zijn arbeid”
4. Eiser heeft – kort samengevat – aangevoerd dat hij recht heeft op ziekengeld, omdat hij ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.
Het onderzoek is niet zorgvuldig verricht. De beoordeling door de (verzekerings)arts van het UWV is slechts een mening. Het deskundigenrapport van drs. A. Bernaert van 20 september 2023 is door de verzekeringsarts buiten beschouwing gelaten. Ook heeft hij ten onrechte geen informatie opgevraagd bij de huisarts. De arbeidsdeskundige volgt klakkeloos de mening van de (verzekerings)arts.
Volgens eiser is er wel degelijk sprake van een toename van de klachten sinds de WIA-beoordeling. Sinds die beoordeling wordt eiser geconfronteerd met psychische klachten (o.a. depressieve klachten). Aangezien eiser geen prater is en matig communiceert, worden zijn klachten vaak onderschat. Er zijn gesprekken gevoerd met een psycholoog en er zijn scans gemaakt. Zonder een toename van klachten zou dat niet zomaar zijn gebeurd, aldus eiser.
4.1.
Op grond van artikel 19 van de ZW heeft een betrokkene recht op ziekengeld als hij ongeschikt is voor “zijn arbeid”. Volgens vaste rechtspraak wordt met “zijn arbeid” bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel. [1]
4.2.
Op deze hoofdregel bestaat een uitzondering voor de situatie dat de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziekmeld. Voor een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 23 december 2022. [2] Uit deze uitspraak blijkt dat – anders dan voorheen in de rechtspraak werd aangenomen – een hersteldverklaring niet kan worden gebaseerd op slechts één van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. Bij de toepassing van artikel 19 van de ZW moet worden voldaan aan de volgende twee cumulatieve voorwaarden:
1. van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de verzekerde geschikt gebleven, én
2. op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de WIA-beoordeling vertegenwoordigden, afgezet tegen het bij de WIA-beoordeling geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%.
4.3.
Aan deze voorwaarden is in ieder geval voldaan als de verzekeringsarts in het kader van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen. Deze vaststelling is dan voldoende om een weigering van ziekengeld op grond van artikel 19 van de ZW te kunnen dragen. Indien de medische beperkingen van betrokkene ten opzichte van de WIA-beoordeling op één of meer punten van de FML zijn toegenomen, dan dient te worden beoordeeld in hoeverre dit consequenties heeft voor de geschiktheid van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door de va b&b voldoende zorgvuldig is verricht. Een verzekeringsarts mag in beginsel op zijn eigen medisch oordeel afgaan. Dit is vaste rechtspraak. [3] Het gaat hier om een professioneel oordeel en dus niet om een mening, zoals eiser heeft gesteld. Hiernaast leidt de rechtbank uit het rapport van de va b&b van 11 september 2023 af dat hij wel degelijk medische informatie heeft opgevraagd op 11 augustus 2023 en op 25 augustus 2023 verkregen van huisarts Y. Lin en op 30 augustus 2023 verkregen van anesthesioloog/pijnarts T.W. Binsfeld. [4] Ook stelt de rechtbank vast dat de va b&b in zijn rapport van 4 oktober 2023 het rapport van Bernaert van 20 september 2023 heeft betrokken bij zijn oordeelsvorming, maar volgt hij diens professioneel oordeel echter niet. Om die reden slaagt de grond van eiser dat het onderzoek onzorgvuldig is verricht, niet. Ten slotte wil de rechtbank benadrukken dat de beoordeling op grond van artikel 19 van de ZW of de verzekerde ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid enkel bestaat uit een verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Een arbeidsdeskundige heeft hierin geen rol. De opmerking van eiser, dat de arbeidsdeskundige klakkeloos de mening van de (verzekerings)arts volgt, mist dus feitelijke grondslag.
4.5.
Het standpunt van het UWV over de juistheid van de door de va b&b vastgestelde belastbaarheid van eiser in de rapporten van 11 september 2023 en 4 oktober 2023 kan worden gevolgd.
4.6.
Volgens de va b&b werden uit een MRI-scan van eind mei 2023 de bekende degeneratieve veranderingen vastgesteld. Er was op niveau L3-L4 sprake van een matige kanaalstenose Schizas graad B, waarbij gering liquor zichtbaar bleef rondom de wortels van de cauda equina. De wortels L5 en S1 aan de rechterzijde leken vrij te liggen. De neuroloog schreef Pregabaline voor. Uit een medio juni 2023 vervaardigde röntgenfoto van de cervicale wervelkolom bleek dat bij eiser sprake was van degeneratie en discopathie op niveau C6-C7. Volgens de va b&b was eiser inmiddels gestopt met het gebruik van Pregabaline. De neuroloog gaf aan dat er mogelijk sprake was van bijkomende polyneuropathie en een chronisch pijnsyndroom of mogelijk opiaten geïnduceerde hyperalgesie. De neuroloog zag medio juni 2023 geen indicatie voor een MRI-scan van de cervicale wervelkolom en verwees eiser naar de fysiotherapeut en pijnpoli voor medicamenteuze behandeling. Eiser wenste daarbij uitdrukkelijk geen injecties, aldus de va b&b. Een vervolgafspraak bij de neuroloog werd niet gemaakt. Uit de door de huisarts aangeleverde informatie bleek dat er bij eiser sprake was van stressklachten. Eind juli 2023 zou een afspraak bij de POH-GGZ plaatsvinden, die eiser vanwege klachten na een behandeling door de fysiotherapeut bleek te hebben afgezegd.
4.7.
Bij gericht psychisch onderzoek door de va b&b in bezwaar imponeren de psychische klachten als mild. Dit wordt volgens de va b&b bevestigd door de begeleiding door de huisarts en de verwijzing naar de POH-GGZ. Uit gericht fysiek onderzoek in bezwaar en de opgevraagde informatie komt naar voren dat eiser op de datum in geding nog steeds is aangewezen op nek-, rug-, heup- en kniesparende werkzaamheden. Ook gezien de hoofdpijnklachten moeten die werkzaamheden fysiek niet te zwaar zijn, waarbij de rug en nek niet in extreme standen moeten worden bewogen en waarbij er geregeld van werkhouding moet kunnen worden gewisseld. Volgens de va b&b komen deze beperkingen nog steeds tot uiting in de tijdens de WIA-procedure in bezwaar gewijzigde FML van 6 september 2023. Er is voor de va b&b geen reden om op de datum in geding andere of meer beperkingen aan te nemen.
4.8.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen inzichtelijk, en voldoende gemotiveerd en toegelicht, dat de gezondheidssituatie van eiser op de datum in geding geen aanleiding geeft voor het aannemen van meer beperkingen.
4.9.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling in bezwaar geselecteerde functies voor eiser geschikt zijn gebleven en op basis van die functies per de datum in geding nog steeds sprake is van een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Dit betekent dat is voldaan aan de onder 4.2 genoemde voorwaarden. Eiser is daarom per de datum in geding terecht geschikt geacht voor zijn eigen arbeid.
5. De rapporten op grond waarvan aan eiser met ingang van 3 november 2023 (alsnog) een WIA-uitkering is toegekend op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, leiden niet tot een ander oordeel. Uit deze rapporten blijkt namelijk dat eiser uitsluitend volledig arbeidsongeschikt is geacht, omdat hij van 21 maart 2024 tot 27 juni 2024 een behandel-/revalidatietraject is ingegaan waardoor hij minder beschikbaar is. Dit heeft dus niets te maken met een andere inschatting van de medische situatie van eiser op de datum in geding.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV de aanvraag van eiser voor ziekengeld terecht heeft afgewezen, omdat hij per de datum in geding geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. Hoenderboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1228.
2.Zie de uitspraak van de CRvB van 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2672.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:569.
4.MRI-LWK op 11 mei 2023, X-CWK AP en lateraal op 13 juni 2023, brief van 18 augustus 2023 van de anesthesioloog/pijnarts, brief van 24 augustus 2023 van de huisarts.