Uitspraak
OVERWEGINGEN
15 september 2014 opnieuw ziek gemeld wegens een rugoperatie. In verband hiermee heeft hij meermalen het spreekuur bezocht van een arts. Betrokkene heeft op 28 augustus 2015 in het kader van een EZWb een medisch onderzoek ondergaan. De arts heeft vastgesteld dat voor betrokkene meer beperkingen gelden dan tijdens de eerdere EZWb en de in het kader van die eerdere EZWb opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangepast. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens vastgesteld dat een van de eerder bij de EZWb geselecteerde functies, te weten de functie met de functienaam bestucker (vallend onder de SBC-code 267050) geen overschrijdingen in de belastbaarheid laat zien. De arts heeft betrokkene met ingang van 19 december 2015 hersteld verklaard voor die functie. Appellant heeft bij besluit van 16 december 2015 vastgesteld dat betrokkene per 19 december 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van betrokkene tegen deze beslissing heeft appellant bij besluit van 16 maart 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van
ZW-uitkering wordt verleend, verlengd van één jaar naar twee jaar. De verlenging van de maximale uitkeringsduur van de ZW vond plaats naar analogie van de verlenging van de loondoorbetalingsperiode voor werknemers met een vast dienstverband. Hoewel de redenen om de loondoorbetalingsperiode te verlengen voor werknemers met een vast dienstverband (namelijk: het vergroten van het stimulerende effect op de re-integratie-inspanningen van de werkgever door de loondoorbetalingsprikkel) niet golden voor vangnetters, is de maximale ZW-periode in 2004 dus verlengd. De reden om deze periode ook voor hen te verlengen is onder meer gelegen in de omstandigheid dat het wenselijk is dat er voor beide groepen eenzelfde wachttijd voor de Wet WIA geldt.
52 weken in het voorliggende geval – betrokkene niet in staat is zijn eigen werk te verrichten. Een EZWb vindt ook alleen plaats als is vastgesteld dat betrokkene na 52 weken ongeschikt is voor zijn werk. De EZWb vindt niet plaats na de voorgeschreven wachttijd in het kader van de Wet WIA, maar na een in de ZW voorgeschreven termijn van 52 weken.
19 december 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij niet langer ongeschikt is tot het verrichten van arbeid als bestucker. Daartoe wordt het volgende overwogen.
15 september 2014. Betrokkene is op 25 februari 2015 op het spreekuur gezien van een arts. Uit het rapport dat de arts heeft opgesteld kan worden opgemaakt dat betrokkene bekend is met aanhoudende rug- en beenklachten, met tussendoor in meer of mindere mate alcoholproblematiek, maagklachten en depressieve klachten. Ten tijde van het onderzoek door de arts waren de uit ziekte voortvloeiende beperkingen dusdanig dat betrokkene nog niet hersteld verklaard kon worden. Op het daarop volgende spreekuur van 29 april 2015 was sprake van een flinke verbetering en werd verwacht dat betrokkene twee maanden daarna hersteld zou kunnen worden verklaard. Tijdens het spreekuur van 29 juni 2015 bleek dat betrokkene inmiddels ook last had van zijn rechterheup en dat hij mogelijk op korte termijn een nieuwe heup zou krijgen. Uit ingewonnen informatie bij de behandelend orthopedisch chirurg W.H.J.C. van Heeswijk van 27 juli 2015 bleek vervolgens dat sprake was van enige coxarthrose. Een eerste injectie gaf geen duidelijke verbetering, maar volgens de orthopedisch chirurg lag dat aan de techniek van het injecteren. Zoals weergegeven in 1.3 is betrokkene vervolgens per 19 december 2015 niet langer ongeschikt geacht voor het verrichten van werk als bestucker. In de bezwaarfase is betrokkene gezien door een verzekeringsarts bezwaar en beroep, die kennis heeft genomen van het dossier en betrokkene lichamelijk heeft onderzocht. Deze arts heeft in zijn rapport van 10 maart 2016 opgemerkt dat het klachtenpatroon een reële en inzichtelijke indruk maakt, maar dat er geen indicatie is voor een permanente urenbeperking van enige omvang. Met de op 28 augustus 2015 aangenomen beperkingen, zoals neergelegd in de FML van 18 september 2015, moet betrokkene in staat worden geacht in een normale werkweek in passende, rug- en heupsparende arbeid te kunnen functioneren.
BESLISSING
E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2017.