ECLI:NL:RBGEL:2026:1714

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
26/268
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:1 AwbArt. 7:1 AwbArt. 5.1 lid 2 sub b Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen plaatsing transformatorhuisje niet-ontvankelijk

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de plaatsing van een transformatorhuisje nabij zijn woning en tegen een mail van 7 januari 2026 waarin zijn handhavingsverzoek werd afgewezen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het plaatsen van het transformatorhuisje een feitelijke handeling betreft en geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De mail van 7 januari 2026 wordt wel als een besluit aangemerkt omdat daarin ondubbelzinnig op het handhavingsverzoek is beslist.

Echter heeft verzoeker geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit, wat een vereiste is voor ontvankelijkheid van het verzoek om een voorlopige voorziening. Daarom wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

De voorzieningenrechter merkt op dat verzoeker nog bezwaar kan maken tegen het besluit, ook al is dat te laat, en dat de termijnoverschrijding mogelijk verschoonbaar is. De inhoudelijke kans van slagen van dat bezwaar acht de voorzieningenrechter echter gering.

Er wordt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van bezwaar tegen het onderliggende besluit.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/268

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede

(gemachtigde: L.J.A. Hogendoorn).

Procesverloop

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de plaatsing van een transformatorhuisje nabij zijn woning.
2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Verzoeker en de gemachtigde van het college hebben deelgenomen aan deze zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Liander heeft een transformatorhuisje geplaatst op gemeentegrond nabij de woning van verzoeker. Het plaatsen van het transformatorhuisje is volgens het college vergunningvrij. Dat betekent dat er geen bestuursrechtelijke toestemming nodig is om het transformatorhuisje te plaatsen. Het college heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De voorzieningenrechter beoordeelt dat daarom eerst.
3.1.
Uit artikel 8:81, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:1 en Pro artikel 7:1 van Pro de Awb vloeit met zoveel woorden voort dat de voorzieningenrechter (behoudens hier niet van belang zijnde uitzonderingen) alleen bevoegd is om een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publieksrechtelijke rechtshandeling. Van een rechtshandeling in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is sprake als er een verandering optreedt in iemands bestaande rechten, verplichtingen of bevoegdheden of wanneer het bestaan van rechten, verplichtingen, bevoegdheden bindend wordt vastgesteld.
3.2.
Op zitting heeft de voorzieningenrechter geprobeerd duidelijk te krijgen waar het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker precies tegen is gericht. Verzoeker heeft toegelicht dat hij tegen het plaatsen van het transformatorhuisje op deze locatie is. De voorzieningenrechter overweegt dat het plaatsen van het transformatorhuisje door Liander een feitelijke handeling is en geen (publiekrechtelijke) rechtshandeling. Het plaatsen van het transformatorhuisje heeft namelijk niet tot gevolg dat er rechten of plichten voor anderen ontstaan of verdwijnen en er verandert ook geen juridisch status. Dat maakt dat geen sprake is van een besluit.
3.3.
Verzoeker heeft op zitting uiteindelijk ook aangegeven dat zijn verzoek om een voorlopige voorziening ook is gericht tegen een mail van 7 januari 2026 van een ambtenaar van de gemeente Ede, waarin een reactie is gegeven namens een wethouder op zijn handhavingsverzoek. De voorzieningenrechter ziet zich daarom voor de vraag gesteld of deze mail als besluit valt aan te merken.
Is de mail van 7 januari 2026 een besluit?
3.4.
Verzoeker heeft een formeel handhavingsverzoek ingediend bij het college op 29 december 2025. In de mail van 7 januari 2026, in reactie op dat handhavingsverzoek, is onder meer het volgende opgenomen:

Vergunningverlening en handhaving

Het plaatsen van een transformatorhuisje met een beperkte afmetingen zoals in de [locatie] is geplaatst, is in beginsel vergunningsvrij met betrekking tot de technische bouwactiviteit (artikel 5.1, lid 2 sub b Omgevingswet). Het omschreven bouwwerk valt namelijk niet onder de aangewezen vergunningplicht in paragraaf 2.3.2. Besluit bouwwerken leefomgeving. Dit komt omdat een transformatorhuisje valt onder het aanbrengen van nutsvoorzieningen. Zodoende is er geen mogelijkheid tot handhaving. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt geldt dat Liander werkt met uniforme transformatorhuisjes die door heel Nederland geplaatst worden.

3.5.
Gelet op de inhoud van de mail en de bewoordingen ervan, is de mail bedoeld als een reactie op het handhavingsverzoek van 29 december 2025. Er is ook concreet en ondubbelzinnig op dat handhavingsverzoek beslist door dat met zoveel woorden af te wijzen door te stellen dat er geen mogelijkheid is tot handhaving. Dat de mail niet is voorzien van een verplichte rechtsmiddelenclausule is niet bepalend voor het antwoord op de vraag of de mail een besluit is in de zin van de Awb en maakt in dit geval dan ook niet dat de mail geen besluit is in de zin van de Awb.
3.6.
De voorzieningenrechter overweegt verder nog dat het college, en niet een individuele wethouder, bevoegd is om te beslissen op de aanvraag. In de mail is ten onrechte niet vermeld dat deze namens het college is genomen. Dit leidt echter niet tot het oordeel dat de mail geen besluit betreft. Voor de vraag of met een handeling een rechtsgevolg is beoogd en het al dan niet om een besluit gaat, moet worden onderscheiden van de vraag of degene die de op rechtsgevolg gerichte handeling heeft verricht bevoegd was om namens het college dat besluit te nemen. [1] Het aan het besluit van 7 januari 2026 klevende bevoegdheidsgebrek doet derhalve niet af aan het besluitkarakter van de mail en kan bovendien eventueel worden hersteld bij het besluit op bezwaar.
3.7.
Verzoeker heeft op zitting echter uitdrukkelijk bevestigd dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 7 januari 2026. Uit de functie van artikel 8:81 van Pro de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan het vereiste van formele connexiteit. Dat houdt in dat voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening nodig is dat het verzoek wordt gedaan in samenhang met een bezwaarprocedure tegen een besluit. Nu verzoeker geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 7 januari 2026, is het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
3.8.
Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog het volgende op. Het is mogelijk voor verzoeker om alsnog bezwaar te maken bij het college tegen het besluit van 7 januari 2026. Hij is dan weliswaar te laat, maar de voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat de termijnoverschrijding dan verschoonbaar is omdat er geen rechtsmiddelenclausule onder het besluit staat. [2] De voorzieningenrechter merkt daarbij wel op dat zij een bezwaar tegen het besluit van 7 januari 2026 op voorhand niet heel kansrijk acht. Net als het college is de voorzieningenrechter namelijk van oordeel dat het realiseren van het transformatorhuisje op grond van de artikelen 2.27 en 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving niet omgevingsvergunningplichtig is. Het handhavingsverzoek is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat dan ook geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3514.
2.CRvB 28 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:938.